Die Gereformeerde-Bonders toch!!
Wat bezwaar kan men toch hebben tegen het feit, dat iemand lid is van de Gereformeerde Bond of daarvoor gehouden wordt ?
Men is bij velen reeds veroordeeld, als men bij de Bond behoort of daartoe gerekend wordt, en waarom ?
Omdat die Gereformeerde Bond opkomt voor de belijdenis der vaderen en de anderen vermaant dat óok te doen ?
Is dat dan niet de roeping en de plicht van allen, die in de ambten staan en van allen, die belijdenis des geloofs hebben gedaan en alzo mondige leden der kerk zijn ?
Mij dunkt, dat daartegen toch geen steekhoudend argument kan worden aangevoerd. Maar dan lijkt het er toch wel heel erg op, dat het bezwaar in de grond der zaak niet zozeer tegen de Bond, als wel tegen het kerkelijk streven van de Bond gaat en tegen zijn visie op de kerkellijke situatie en op de .middelen, die tot sanering van het kerkelijk leven kunnen dienen.
Met andere woorden, dat men eigenlijk tegen de handhaving van de beiijdenis gekant is.
Dat nu veroordeelt hen, die met ons niet optrekken en soms op de meest onbeschaamde en smadelijke manier van hun afkeer doen blijken. Want dan is het toch eigenlijk zó, dat zij met de belijldenis der vaderen (die nog altijd de belijdenis der kerk is), op gespannen voet staan. Dan moet er dus aan de gemeenschap met het geloof der vaderen bij hen wat haperen, — en dat is toch wel een zaak, die ernstig dient te worden genomen.
Een merkwaardig staaltje van zulk een ongemotiveerde afkeer van wat men voor Gereformeer'de-Bonders houdt en van vervreemding van de belijdenis der kerk, troffen wij dezer dagen aan in het „Hervormd Weekblad voor gemeenten uit de Ring Nijmegen, Maas en Waal en Overbetuwe", d.d. 27 maart '59, dat ons werd toegezonden.
Ds. Oskamp schrijft daarin onder de titel: , , Het gaat om God" een soort van meditatie, die nu niet bepaald een sieraad voor de Dienaar des Woords kan heten.
Daarbij kiest hij zijn uitgangspunt in een verhaal van een college — jaren geleden —, waanbij een hoogleraar van , , een bezoek, dat hij had gebracht aan een ernstig zieke collega-hoogleraar", melding maakte. Men gevoelt reeds, dat het gaat om de bijzonderheden van dat bezoek, van die zieke collega-hoogleraar, of van het gesprek, dat daarbij werd gevoerd.
Het blijft in het midden, of de schrijver in genoemd Weekblad zich daaromtrent niet nauwkeurig herinnert, of, dat daarover niet zoveel op het college is gezegd, dan wel, of ds. Oskamp het toch minder kies vindt om nader melding te maken van wat zijn professor bij die gelegenheid gezegd heeft.
Van de zieke hoogleraar wordt ons hét volgende beeld getekend:
, , De ten dode opgeschreven hoogleraar was geen kerkmens. Hij was ook niet één dier velen, die beweren dat zij wel geloven in God, maar daar de kerk niet voor nodig hebben : Gods vrije natuur verkondigt hun eerder de glorie der Eeuwigheid dan de besloten mufheid van de kerkelijke samenkomsten.
Hij was zo niet. Hij had eerbied voor de mensen, die kracht putten uit godsdienstige samenkomsten.
Zelf dacht hij anders. Niet beter, naar zijn bescheiden inizicht, maar anders.
Zijn taak was geweest mens te zijn. Bouwsteen aan het leven, dat zich op deze aarde manifesteert. Hij had een taak gehad op deze aarde. De taak was beëindigd. Hij' had het werk volbracht, goed volbracht, bijna eerbiedig nauwgezet volbracht. Zijn krachten waren nu opgebruikt. Hij wachtte tot de dood hem voorgoed ontsloeg van zijn verdere arbeid.
Hij had de arbeid in het leven lief gehad, hij was bereid het langer voort te zetten, hij was evenzeer bereid als een uitgeleefde boom gekapt te worden.
Er was grote vrede bij deze stervende geleerde. Onze professor wist er eigenlijk niet goed raad mee".
Deze laatste zinsnede kunnen wij moeilijk ernstig nemen, en het komt ons voor, dat genoemde professor maar matig ingenomen zal zijn met dit als een bewijs van waardering bedoelde verhaal.
Immers het beeld van die stervende hoogleraar is niet zo zeldzaam, getuige de wijsbegeerte van de Stoa en haar invloed in de geschiedenis. Denken wij ook in ons eigen lanid b.v. aan Spinoza en zijn levensbeschouwing, een man, die terecht als één van de vaderen van de moderne cultuur wordt genoemd.
Ik kan ds. Oskamp verzekeren, dat zijn professor met deze wijsgerige levensbeschouwing en de daaraan gepaard gaande en door de aanhangers beoefende levenshouding zeer wel op de hoogte is.
Wat ons echter in deze , , Paas-meditatie" verbazen moet, is-, dat een man, die tot de Dienst des Woords geroepen is, althans krachtens zijn ambt, zulk een levenshouding als hij tekent, ondanks haar afkeer van , , het christelijk belijden" en haar vervreemding van ., ons Christelijk geloofsperspectief", tot een exempel van ware Christelijke Godsvrucht schijnt te willen maken en tot een voorsmaak van de eeuwige zaligheid. Ter illustratie de volgende zinsnede: ,
, , Misschien staan dus zij nog wel vooraan, die zonder traditioneel christelijk geloof, al hun werk voleindigd hebben, trouw geweest zijn, met hun talenten gewoekerd hebben en ootmoedig ontslapen zijn.
Verwacht mag wonden dat zij dan zullen vragen: , , kunnen wij nog wat voor U doen, o Heer ? " En dat zal een groot en blij, lied worden, dat meegezongen wordt door hen, die reeds op deze aarde de voorsmaak verkregen om in Christus voor God te leven en te werken".
Hoezeer moet een predikant, die op zulk een wijize over het Evangelie bazelt, in verlegenheid komen, als hij de Schrift leest en onderzoekt. Hij moet er toch wel iets. van gevoelen, dat haar getuigenis tegen het zijne ingaat. Een symptloom daarvan kan worden opgemerkt in de volgende passage :
, , Op de gezichten van de, reeds als student, in het zwart gestoken jongens van de gereformeerde bond, was onmiskenbaar het oordeel over de stervende en de voor hen staande professor te lezen. De stervende was dus voor eeuwig verloren en de man voor hen moest voortmakén om tot bekering te komen, anders was zijn eeuwig onheil niet te overzien.
Het lukte ons anderen, wat lichter in kerkelijk gewicht bevonden, niet, onmiddellijk veroordelende bijbelse formules te hanteren".
Vooreerst treft men hier een ongezocht bewijs aan van wat wij boven opmerkten omtrent de afkerige houding van vélen jegens' de Gereformeerde Blond en wie daarbij behoren, of wórden gerekend.
Doch wat ernstiger nog is voor deze Kerkbode-schrijver, dat hij zich zelf zo bloot geeft in zijn afkerige houding van de uitspraken der Heilige Schrift, waarop hij doelt. Die uitspraken heeft hij op de gezichten van zijn medestudenten alleen kunnen lezen, als en omdat zij in hemzelf opkwamen. Een ernstig gezicht geeft op zichzelf nog geen uitspraak van de Schrift, die betrekking heeft op de dingen, waarmede men bezig is. Maar een ernstig gelaat kan in die omstandigheden wel een tekst in ons oproepen, die van toepassing is, en zich aan ons opdringt.
Om die reden zetten wij een vraagteken bij de laatste zin en spreken de vrees uit, dat ds. Oskamp zich niet helemaal juist uitspreekt, als hij beweert van de , , lichteren in kerkelijk gewicht", dat het hun niet lukte onmiddellijk veroordelende formules te hanteren. Hij moet n.b. zelf reeds aan het hanteren van zulke teksten geweest zijn, toen hij ze op het gezicht van die , , in het zwart gestoken jongens" meende te lezen. Klaarblijkelijk heeft hij ze niet ernstig genomen, en neemt hij ze nóg niet ernstig.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's