HEDENDAAGSE LITURGIE 16
Schrijver dezes is nu bij een moeilijk punt aangeland. Hij moet bekennen, dat hij in 't minst geen verstand heeft van muzieknotaties, dus ook niet van die der psalmmelodieën. Derhalve moet ik theoretisch dit onderwerp laten rusten. als onbevoegd, om mee te spreken. Wel moet als feit aanvaard worden, dat de psalmenbelangstelling van de laatste tijd, die helaas ook al in een psalmenstrijd is overgegaan, voor een groot deel ten doel heeft, de rhymische toonzetting van het psalmboek van Calvijn voor de zang weer te herstellen. Volgens velen, o.a. ds. Hasper, is men dan pas waarlijk weer aan het echte psalmzingen toe. Voetius moet in zijn „Politica Ecclesiastica" (1663) nog op het onderscheiden van hele en halve noten in de kerkezang hebben aangedrongen.
Maar in de practijk is het anders gegaan. Vandaar ook de opmerking van Voetius, wiens tijd hem daartoe noodzaakte. Toen Datheens berijming (een eeuw vroeger) in gebruik kwam, bleek al aanstonds, dat het accent der woorden in deze berijming in het geheel niet strookte met dat van de melodieën.
Vandaag nog kan men in de uitgaven van Datheen zien (en bij proefzingen ervaren), dat hier het een op het ander slaat als , , tang op- varken". Dus het rhythmisch zingen ging er aan. Hierover hebben de heren van 1773 zich blijkbaar niet het hoofd gebroken. „De keuze werd gedaan uit liederen, die gedicht waren bij de toen al versleten, langgerekte melodieën zonder rhythme, zonder tempo, en in de toonsoort bedorven door het aanbrengen van allerlei valse verhogingen" (1).
Laat ons zeggen, dat de tekst van deze (tegenwoordige) berijming, behalve in enkele psalmen, geen mogelijkheid gaf tot rhytmisch zingen, evenmin als die van Datheen. Toch zien wij, dat in het Psalm- (en Gezangboek) der Herv. Synode van 1938 getracht is, dit voor alle psalmen mogelijk te maken. Volgens deskundigen kan dit slechts door muzikaal geknoei.
Als onbevoegde kan ik hier niet nader op ingaan. Maar het noopt toch tot nadenken en er moet een zielkundige verklaring voor zijn, dat men zo spoedig en zonder bezwaar op gelijke noten is gaan zingen. Zo wordt gewezen op het feit, „dat op de hier-bekend geworden psalmmelodieën weer talrijke wereldlijke gedichten gemaakt werden. Een typisch staal daarvan is het bekende geuzenliéd van omstreeks 1600, , , Beclach van den cardinaal Albertus", dat op de wijze van psalm 79 werd gedicht: „De Geusen zijn in Bomlerweert gevallen" (2). Aldus de musicus Leo Mens. Volgens hem stond men in de leidinggevende kringen over 't algemeen afwijkend tegen alle muziek en rhythme, als zijnde te veel eigen aan het oude (Roomse) régime. Men beschouwde vaak alle muzikale uitingen, ondanks de religieuze voedingsbodem, als zondig.
Hasper meldt ons, dat men de manier van zingen, waaraan men nu ai zo lang gewend was, beter en deftiger vond. Zó vooral in bevindelijke kring. In november 1776 deed Pieter Morilyon, opperboekhouder van de West-Indische Compagnie, kamer Zeeland, een 16-tal vragen, waaronder: , , of niet de oude vromen, over de tegenwoordige zangwijze, niet zeer grotelijk bedroeft worden-, en: hoe koomt het, dat de onbekeerde menschen en vleeschelijke belijders met deze veranderingen zo veel op hebben; is het niet een schandelijk misbruyk, van des Heeren dag, dat men na het eindigen- van de Godsdiensten deze nieuwe psalmgezangen, de gemeente wil aanleeren? " (3).
Dit mogen gevoelsuitingen zijn, die geen algemene instemming vonden, maar afgedacht van de bewoordingen, zijn ze er ook vandaag nog bij velen onder het Geref, kerkvolk, als het om en over rhythmisch zingen gaat - , ondanks doorslaande bewijzen, dat men zich aldus verzet tegen wat oorspronkelijk is en in Calvijns tijd werd aanvaard. Niet te vergeten is, dat de eigenaard van het rhythmisch gezang uit de volksziel stamt, en bijzonder zoals die zich in de 16e eeuw ontwikkeld had. In de kerk mocht men het Latijns Gregoriaans gezang aanhoren. De zang der gemeente van Ambrosius (340—397) verging toen paus Gregorius I (590—604) die verving door de koorzang der priesters. Dat bleef zo, tot de Hervorming (Calvijn in 't bijzonder) de gemeente de rijmpsalm op de lippen legde. Dank zij Rome had het volk tot nog toe zich tevreden moeten stellen met het wereldlijk lied, en ook met het straatlied, dat vooral rhythmische melodie vereiste, om uit te drukken wat terecht of ten onrechte in het gemoed omging. In 1540 heeft Van Zuijlen van Nyevelt met zijn Souterliedekens daarvan partij getrokken, (zoals vroeger ook ten onzent het Leger des Heils deed).
De massa was echter van God en Zijn Woord vervreemd. Niet ieder kon lezen en schrijven. De zeden waren vrij ruw. Verordeningen tegen excessen als , , Vastenavont-spelen', gansetrekken, comediespelen, 't mes-trekken, lichtveerdige danserijen, dobbelen, spelen, vloeken en sweeren, prophanatie des Sabbath-dags", enz., wijzen dit uit. De inhoud der straatliederen stond dan ook veelal op laag peil. Het rhythme dier melodieën moet vrij moeilijk geweest zijn. Toch wiegelde de volksgeest zich daarop gemakkelijk. De souters (psalmen) op deze zangwijzen gecomponeerd, gingen er grif in, zowel bij Roomsen als Protestanten, al verstond men de inhoud daarvan veelszins niet.
Rome had de mensen ook niet geleerd, de heilige dingen heilig te behandelen. Zó waren wereld en kerk een eenheid geworden, dat men er niet tegenop zag van deze psalmen een werelds gebruik te maken, en bijv. onder het zingen van Psalm 43 een rondedans te doen. (4).
We mogen aannemen, dat de Heere met de kromme stok dezer berijming toch nog rechte slagen heeft weten te doen in zondaarsharten. De berijmingen van Straatsburg en Geneve, onder opzicht van Calvijn, hadden echter andere melodieën, al sloten die ook veelal aan, geheel of gedeeltelijk, op andere wereldlijke liederen, want ook hier moest de melodie van de volkszang de ingang en verbreiding van de psalmbundel bewerken. Ds. H. Hasper heeft een magistraal werk geschreven van bijna 800 folio pagina's: , , Calvijns beginsel voor de zang in de eredienst", 1955, waarin hij o.a. te kennen geeft, dat de gangbare mening zeker niet voor alle psalmen opgaat, als zouden ze wereldlijke melodieën als uitgangspunt hebben. Op grond van een in 1926 verschenen Franse studie van Emmanuel Haein moet veel meer gedacht worden aan de toenmalige kerkmuziek, d.i. dan vereenvoudiging van het priestergezang. (5) Als leek kan ik hier niet uitkomen. Want hier tegenover staat, dat , , de voor het volk zonder enige literaire pretentie geschreven woorden moesten gezongen worden op eenvoudige, maar krachtige en levendige melodieën in den volkstrant."'(6). Calvijn zoekt gewone en toch verheven volksmelodieën.
Daartegenover staat, dat de kerkmuziek koraalmuziek (dus niet rhythmisch) was; ik vind onderscheiden cantus firmus (vaststaand gezang) en cantus plamus (breed, vlak gezang). De eerste schijnt in de loop der eeuwen zich gewijzigd te hebben. Doch dit alles ontgaat onze bevatting. Hasper noemt deze kerkmuziek, als verworden tot amusementsmuziek. , , Daarom wendden de Hervormers zich van de in diep verval verkerende vóór-reformatische kerkzang af" (7).
Intussen wensen we onze grote bewondering uit te spreken voor het omvangrijke, rijk gedocumenteerde werk van ds. Hasper, , , Calvijns beginsel", enz. dat nog door een tweede deel zal gevolgd worden. Deze theoloog en musicoloog heeft reeds meer dan 40 jaren zich verdienstelijk gemaakt door diepgaande studie inzake kerkzang en kerkmuziek, en de resultaten daarvan neergelegd in verschillende geschriften, met als kroon het zoeven genoemde werk, dat, van een zeldzame belezenheid en nauwkeurigheid getuigt. Daarbij verdient ook eervolle vermelding zijn in 1936 (1948 en 1949 gewijzigd) tot stand gekomen psalmberijming, die destijds aan alle predikanten ter kennismaking is toegezonden, en indertijd, ook door vooraanstaande mannen der Herv. Kerk, als bijv. prof. dr. H. Th. Obbink en dr. J. R. Callenbach (beiden reeds overleden) met instemming en aanbeveling is begroet, niet alleen om muzikale redenen, maar vooral omdat deze Gereformeerdé theoloog zich volkomen aan de grondtekst had gehouden, in de uitgave van 1936 daarvan ook verantwoording doet, en omdat de tekst der berijming ook voor het eenvoudige kerkvolk aanvaardbaar werd geacht. Zo oordeelde ook de Synode der Geref. Kerken, die de berijming Hasper op 22 september 1949 met algemene stemmen aannnam; maar de Herv. Synode wilde er heel niet mee te doen hebben. We zijn in kerkelijk Nederland. Toen ér sprake kwam van een door de Herv. Synode in te stellen interkerkelijke commissie vor een psalmberijming louter door (be'roeps)dichte'rs, toen schortte de Synode der Gexef. Kerken haar reeds genomen besluit op, en wilde eerst eens zien, wat ze nog met deze , , culturele" mensen zou kunnen bereiken. Ja, als cultuuxr het moet winnen van geloof... .,
Doch wij hebben nog gelegenheid hierop terug te komen.
1) Aldus Hasper, a.w., blz. 48.
2) Leo Meis, „Over oorsprong en stijl onzer Psalmwijzen", 1938, blz. 38, 39.
3) Hasper, a.w., blz. 48.
4) H. H. Barger, a.w., blz. 28.
5) A.W., blz. 548 vv.
6) Hasper, „Een reform. Kerkboek'', blz. 24,
7) „Calvijns beginsel", enz., blz. 144.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's