Uit het Oude Testament DE GROTE DROOGTE 4
Jeremia 14 : 17 v.v. IV (Slot)
Er zijn toch verzachtende omstandigheden, die de schuld van het volk verkleinen, pleit Jerema. Valse profeten hébben Juda verleid en dat is wel waar, maar het volk had zich niet behoeven te laten verleiden, want het Woord des Heeren was niet aan 'n enkele, maar aan het géhele volk toevertrouwd. Wat de valse profeten aan het volk zeggen is van nul en generlei waarde. Wee het volk, dat zich laat paaien met holle woorden en ijdele illusies. De ware profeet ziet meer en dieper dan de valse, die met oppervlakkigheden het verontruste volk zoekt te troosten. De profeet heeft in Gods raad gestaan en weet, dat Israël onder een doodsoordeel ligt, ook al zoekt het volk zich met een ijdele hoop te vleien.
Zoals soms een vrouw haar man, die aan een slepende dodelijke ziekte lijdende is, beweent, zo beweent Jeremia het lot van zijn volk; de zieke verstaat het niet, gelooft het niet, maar zij weet het; zo is het hier. Ziet Jeremia in deze verzen, wat in de toekomst geschieden zal? Wordt hij in de geest naar de toekomst verplaatst of dateren deze verzen uit de tijd, dat het oordeel Gods aan Jeruzalem in vervulling is gegaan, een oordeel, waarvan de grote droogte slechts een begin is en een beeld? Sommige geleerden (Volz, Aalders) menen, dat vers 17 bij de voorafgaande verzen behoort, waarin de profeet ten goede voor het volk intreedt, maar de Heere spreekt: Zeg dat maar aan het volk: mijn ogen wenen dag en nacht, want de jonkvrouw der dochter mijns volks is gebroken met een grote breuk, een plaag, die zeer smartelijk is. De profeet heeft alle menselijk gevoel niet afgeschud; bij het volk is er de onbewogenheid, de profeet spreekt als voor doven, bij Jeremia is diepe deernis, als hij het lot van land en volk overdenkt. .
Met de uitdrukking: dochter mijns volks wordt Juda bedoeld, zoals wij b.v. bij Amos lezen van de jonkvrouw Israels (Amos 5:2). Verscheidene malen spreekt de schrift van de breuk der dochter mijns vollks (Klaagl. 2 f 11; 3 : 48; 4 : 10). De vreze en de kuil zijn over ons gekomen, de verwoesting en de verbreking. De valse profeten mogen de breuk van het volk op het lichtst genezen (Jer. 8 : 11; 6 : 14), maar de breuk is dodelijk en de plaag smartelijk (Jer. 30 : 12). Ook Jesaja heeft er van gesproken: er zal verbreking zijn voor de overtreders en de zondaren tezamen en wie de Heere verlaten zullen omkomen (Jes. 1 : 28). Als het oordeel komt, zal er zijn verwoesting en verbreking en honger en zwaard (Jes. 51 : 19).
Vergelijk het woord van Jesaja: daarom zal voor u deze misdaad zijn als een vallende scheur, uitwaarts gebogen in een hoge muur, welks breuk haastelijk in een ogenblik komen zal (Jes. 30 : 13); een stuk muur staat op vallen en ineens komt de breuk, d.w.z. de ineenstorting. Welk een tegenstelling met de heilsbelofte: als de Heere de breuk van Zijn volk verbinden zal, dan zal het licht van de maan zijn als het licht van de zon en het licht der zon zal zevenvoudig zijn als het licht van zeven dagen. Er zal geen geweld noch verwoesting, noch verbreking in het land zijn, maar uwe muren zult gij Heil noemen en uwe poorten Lof (Jes. 60 : 18).
De profeet ziet, wat er gebeurt (of gebeuren zal): de breuk is een smartelijke plaag. In de stad liggen wie omkwamen door de honger, op het veld degenen, die gedood werden door het zwaard; waar zijn nu de priesters en de profeten? Op hun woorden heeft het volk vertrouwd. De wet van de priester (d.w.z. zijn onderricht, zijn aanwijzingen) en de raad van de wijze en het woord van de profeet konden toch niet vergaan ! (Vergelijk Jer. 18 : 18). Deze mensen dolen rond, vertwijfeid. Bij rondzwerven denkt men soms aan reizende kooplui; zo zullen de aanzienlijken des lands rondzwerven als er honger en oorlogsnood is. Toch behoeft dat niet de bedoeling te zijn; het Hebreeuwse woord, dat hier met rondtrekken vertaald wordt, vinden we ook in Genesis 34 : 10 en 21 en 42 : 34; daar blijkt wel, dat dit woord niet altijd op rondzwervende kooplieden betrekking heeft. Liever denk ik aan het oordeel, waarover Amos spreekt: nu laat men de profeten praten; de tijd der bezoeking bekent men niet, straks zal men omzwerven van zee tot zee om het Woord des Heeren te zoeken, maar men zal het niet vinden (Amos 8:11).
Hernieuwde belijdenis vs. 19-22. Men meent wel, dat deze verzen onmiddellijk aansluiten bij vers 9. Opnieuw is het de profeet, die voor het Volk belijdenis doet. Of is het volfk gaan begrijpen, dat het nu ernst gaat worden? „Als", zegt Calvijn, , , Jeremia niets bereikt met zijn onderricht, dan richt hij zich rechtstreeks met zijn gebeden tot God". Ook hier hebben wij het gevoel, dat het volk wel Heere Heere roept, maar het doen van de wil des Heeren, dat vindt men niet; het nadert tot God met de lippen, maar het hart is verre; men laat Jeremia in zijn bidden alleen staan; , , nauwelijks één van de duizend riep de Heere van harte aan" (Calvijn).
Heeft de Heere Juda verworpen? Is het nu uit? Heeft God afgedaan met Zijn volk? Is Jeruzalem niet de plaats van des Heeren troon? Daar had God Zijn domlcilie. Hier is de plaats mijner rust (Psalm 132 : 13, 14) Deut. 12 : 5, Jes. 18 : 7, Jer. 3 : 17.
Aan David heeft de Heere beloofd: Mijn goedertierenheid, d.i. de trouw van Mijn verbond zal van hem niet wijken (2 Sam, . 7 : 14; Ps. 89 : 31w.). Er ligt een machtige pleitgrond voor het gebed in de trouw van des Heeren verbond, maar als het volk zichzelf op grond van het verbond straffeloosheid verzekert, dan zal het gericht zwaar zijn om het volk tot de God des Verbonds terug te brengen. Waarom, klaagt de profeet, hebt Gij ons geslagen, dat er geen genezing voor ons is; we denken aan een woord uit het volksklaaglied : Waarom doet Gij ons van Uwe wegen dwalen, waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vrezen? (Jes. 63 : 17).
Men verwacht vrede, maar het is alles niets; in plaats van genezing en uitredding is verschrikking het deel van Juda. We vinden hier als in vers- 7v. een schuldbelijdenis, die diep ontroert, maar Jeremia staat alleen, hij is een eenzaam man; de schaduw van de grote nood lag over hem; Israël roept alleen ten tijde van hun kwaad tot God: sta op Heere verlos ons. God is hun noodhulp, meer niet.
Niet alleen de eigen zonde noemt de profeet; wij kennen onze goddeloosheid en de ongerechtigheid onzer vaderen, want wij hebben tegen U gezondigd. Het woordje en staat in onze Statenvertaling schuin gedrukt, d.w.z. in het Hebreeuws vinden wij dit niet; de nieuwe vertaling laat het er dan ook uit: onze goddeloosheid, dat is dus de ongerechtigheid onzer vaderen. Vele malen heeft het volk zich achter de zonde der vaderen willen verschuilen ; hier ligt dit in de woorden niet, want er staat niet: zij hebben gezondigd, maar wij hébben gezondigd. De ongerechtigheid heeft zich opgestapeld; zonde en schuld hébben zich vermeerderd van geslacht tot geslacht. Van de zonde der vaderen lezen wij in de Schrift niet als een verontschuldiging, het is veel meer de erkentenis, dat de zonden der vaderen ook voor rekening der kinderen liggen ; in het volksleven heeft de zonde zulke diepe wortels geslagen, omdat de ongerechtigheid van geslacht tot geslacht zich heeft vermeerderd (Jer. 3 : 24, Psalm 79, Psalm 106). De afgoden zijn machteloos ; de hemel kan geen dauw geven en geen regen als de Heere de sluizen des hemels niet opent (vergelijk: Jes 8:17, Hand 14:17). Ik zal de wolken gebieden, dat ze geen regen geven (Jes. 5:6). Wat zal er met ons geschieden als de Heere niet genadig is? Genade is de enige hoop. Als Gij ons afwijfst, dan is er geen verwachting meer. De afgoden der heidenen kunnen niet helpen en de natuur uit zichzelf kan niets doen, daarom zullen wij op U wachten, want Gij doet al die dingen. Het is een Woord, dat diep ontroert en dat het volk spreekt van die liefde Gods, die liefheeft, waar menselijk gesproken, niets meer lief te hebben is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's