De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Nadere repliek 4

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Nadere repliek 4

9 minuten leestijd

OP HET ANTWOORD VAN DE GENERALE SYNODE OP DE RESOLUTIE VAN DE VERGADERING VAN AMBTSDRAGERS TE UTRECHT OP 13 OCTOBER 1958, OPGEDRAGEN AAN HET BREED MODERAMEN VAN DE GENERALE SYNODE VAN DE NED. HERV. KERK,

Van goede trouw gesproken?

De door u aangegeven geschriften, welke volgens het oordeel van het breed moderamen vertrouwen bij ons moesten wekken in het beleid van de synode, en ons het recht ontnomen zouden hebben om zo te schrijven, als wij deden, blijven juist op de fundamentele stukken, die zulk een vertrouwen zouden wettigen, in gebreke.

Doch, hoe dit ook zij, de genomen beslissing rechtvaardigt op zich zelf de uitspraak, dat de synode op deze wijze de kerk overgeeft aan een chaos van meningen, omdat zij onomstotelijk bewijs levert, dat de synode zich niet gebonden acht aan het reformatorische Schriftgeloof. Daar komt nog bij, dat zij in het ons toegekomen antwoord een houding aanneemt, alsof zij dit zelfs niet in de verte inziet.

Moeten wij dan aannemen, dat zij het werkelijk niet ziet? Moeten wij onderstellen, dat een meerderheid van leden van breed moderamen en synode zover vervreemd zijn van de reformatorische confessie aangaande de Heilige Schrift en haar goddelijk gezag, dat zij er zich niet van bewust zijn, dat heel de kerkregering wordt overgegeven aan de wisselvalligheid van meningen?

Wij moeten vrezen, dat door uitspraken, als in uw resolutie en ter vergadering van 13 oktober j.l. gedaan, dat deel van het kerkvolk voor welks leiding u in het bijzonder mede-verantwoordelijkheid draagt, van onze kerk zal worden vervreemd. Hierdoor zou een ontwikkeling kunnen worden ingeleid die door u niet meer in de hand kan worden gehouden en die tot nieuwe afscheidingen zou kunnen voeren.

Zulk een uitspraak kan nu alleen maar de veronderstelling versterken, dat degenen, die voor de ongelukkige beslissing en voor de gang van zaken het meest verantwoordelijk zijn, heus niet weten, wat ze doen. Dat kan enerzijds hun verontwaardiging verklaren, anderzijds het gemakkelijker maken, de bittere toon van hun antwoord maar op de koop toe te nemen. Wat echter het ergste is, dat zij niet inzien, dat niemand meer verantwoordehjk is voor een ontwikkeling, die tot vervreemding van de kerk zou kunnen leiden dan zij, die, tot de regering der kerk geroepen, aan de vervreemding van het meest fundamentele stuk harer confessie werken.

Met grote ernst willen wij daarom een beroep op u doen niet voort te gaan op de weg die op de 13e oktober werd ingeslagen. Wij doen dit in het besef, dat het behoud van het bovengenoemde deel van het kerkvolk voor het geheel van de Ned. Herv. Kerk van de grootste betekenis is. Bij dit beroep weten wij u te kunnen aanspreken op uw gereformeerd-kerkelijk denken. Daarom houden wij ons overtuigd dat het beroep dat wij op u doen niet tevergeefs zal zijn en u dit ons antwoord eerlijk zult overwegen en samen met ons in de ene hervormde kerk voort wilt gaan naar de wegen te zoeken om de kerk te bouwen in de waarheid en de eenheid, die in Christus zijn. Hierbij zal ook verder moeten worden gezocht naar de schriftuurlijk verantwoorde en bij haar wezen behorende plaats van de vrouw in de gemeente.

Het stemt ons intussen tot grote droefheid, dat het breed moderamen geen aanleiding heeft gevonden om te overwegen, of het de synode niet zou adviseren op de ingeslagen weg terug te komen.

In stede daarvan doet het een beroep op ons om te doen, wat wij niet mogen en niet kunnen doen. Want niet voortgaan zou betekenen de beslissing der synode, die volgens onze diepste overtuiging tegen de Schrift ingaat en met de belijdenis der kerk in strijd is, maar voor goed en aanvaardbaar te nemen. Het moderamen wil ons daarbij aanspreken op ons „gereformeerd-kerkelijk denken", dat zij zelf desavoueert en voegt er dan nog een vermaning aan toe om zijn antwoord eerlijk te overwegen. Het is wel vriendelijk.

Het kan daarom zijn nut hebben nadrukkelijk te verklaren, dat geen tendenties naar afscheiding de vergadering van 13 oktober '58 hebben bewogen, maar alleen het vasthouden aan de belijdenis.

Ten slotte wordt o.a. medegedeeld, dat verder zal moeten worden gezocht „naar de schriftuurlijk verantwoorde en bij haar wezen behorende plaats van de vrouw in de gemeente". Men had wel mogen beginnen met eens te onderzoeken naar de schriftuurlijk verantwoorde plaats van de vrouw in de gemeente, alvorens haar een schriftuurlijk niet verantwoorde plaats toe te kennen.

Teneinde te verzekeren, dat dit ernstige en rustige zoeken in het licht van de H. S. niet wordt gehinderd door het ontstaan van conflictsituaties, is de kerkeraden gevraagd met wijsheid en begrip voor elkander van de nieuwe mogelijkheden gebruik te maken. In haar laatste vergadering besloot de synode bovendien aanvullende, mede door u voorbereide, voorstellen aan het oordeel van de kerk voor te leggen, teneinde het ontstaan van moeilijkheden voor de bezwaarden zoveel mogelijk te voorkomen. Bij het voortgaande gesprek in de komende jaren kunnen uw bezwaren op een geestelijke en waarlijk kerkelijke wijze in het midden worden gebracht. Het spreekt daarbij vanzelf dat de geest van sekte en scheurmakerij, die ondanks uw eigen diepste bedoeling toch uit uw schrijven scheen te spreken, onder ons geweerd moet worden. Het gaat immers niet om gehoorzaamheid aan kerkelijke vergaderingen en uitspraken, maar om een broederlijk met elkander leven onder de heerschappij van Christus, die over ons regeert door Zijn Woord en Geest.

Namens het breed moderamen der generale synode:

w.g. A. A. praeses. Koolhaas,

w.g. E. Emmen, scriba.

Bij al de grimmigheden, welke het stuk van het breed moderamen bevat, komen in de staart nog een paar opmerkingen, die zelfs een smadelijk karakter dragen over conflictsituaties en een geest van sekte en scheurmakerij. Daarom zij er nog eens op gewezen, dat de beslissing der synode de conflictsituatie heeft geforceerd en dat zij — en zij alleen — daarvoor aansprakelijk en verantwoordelijk is. Voorts zij de synode indachtig, dat zij zelf een geest van sekte en scheurmakerij oproept en dat zij daarvan niet beschuldigen mag, die voor de belijdenis der kerk opkomen. 

Ingaande op het beroep om met het breed moderamen „in de ene Hervormde Kerk voort te gaan naar de wegen te zoeken om de kerk te bouwen in de waarheid en de eenheid, die in Christies zijn", mogen wij opmerken, dat wij het betreuren, dat het breed moderamen het protest van de vergadering van ambtsdragers niet kan zien als een bewijs van hartelijke begeerte om aan de sanering van het kerkelijk leven mede te werken — en dat op grond van de reformatorische belijdenis.

Van de belijdenis uit en niet langs de belijdenis heen is toch de aangewezen weg, zolang althans de beHjdenis der vaderen de belijdenis der Kerk is. Dat is ook de kerkrechtelijke en derhalve de echt kerkelijke weg.

„Het gaat immers niet om gehoorzaamheid aan kerkelijke vergaderingen en uitspraken, maar om een broederlijk met elkander leven onder de heerschappij van Christus, die over ons regeert door Zijn Woord en Geest."

Wat wil het moderamen daarmede zeggen?

Dat wij ons van de kerkehjke vergaderingen en haar uitspraken niets behoeven aan te trekken? Zo op de wijze als Ds. Rensink schrijft, als hadden wij slechts met meningen van doen, waartegen wij onze meningen stellen?

Zo'n woord klinkt wel weer zeer tegemoetkomend, maar zo liggen de dingen toch niet? Art. XXX van de N.G.B, ziet toch heel de geestelijke politie en de dienst der ambten dienstbaar en onderworpen aan de heerschappij van Christus door Zijn Woord en Geest?

Daarom moet de regering der kerk wel degehjk gehoorzaamheid eisen aan haar verordeningen, maar die verordeningen moeten overeenkomen met wat „ons onze Here heeft geleerd in Zijn Woord", zoals art. XXX leert. Wij zouden ook kunnen zeggen: die verordeningen moeten beantwoorden aan het apostolisch gezag, want de kerk staat nog altijd onder het gezag der apostelen. Als dat niet het geval is, kan de synode geen gehoorzaamheid eisen.

Intussen wordt het naar onze gedachten jaar op jaar duidelijker, dat de leiding der kerk weinig genegen is zich naar de confessie te richten en deze te doen functioneren in haar beleid. Wij hebben daarop herhaaldelijk reeds gewezen, als daartoe aanleiding was.

In de huidige discussie moesten wij daarbij telkens weer de vinger leggen, omdat het zo heel sterk aan het licht kwam. Want buiten alle twijfel: indien de synode het Schriftgeloof volgde, dat van zich getuigt in de meer gememoreerde artt. der N.G.B. (III—Vil), en wat meer is, uit ditzelfde geloof leefde, zou heel de kwestie niet aan de orde gekomen zijn.

KlaarblijkeHjk is dat dus niet het geval.

Het blijft echter duister, wat de meerderheid aangaande het goddelijk gezag der Heilige Schrift wel gelooft, zo men althans van geloven kan spreken. Want dat is de vraag!

Bovendien is het zeer onwaarschijnhjk, dat de meerderheid zelfs tot een gemeenschappelijk oordeel over deze aangelegenheid zou kunnen komen, tenzij dan in negatieve zin ten aanzien van de reformatorische belijdenis.

Indien een positief gemeenschappelijk oordeel mogelijk zou zijn over het gezag der Heilige Schrift, ook weer de vraag op, of dat kracht van belijdenis zou kunnen hebben, want het gaat niet om een redebewijs of wetenschappelijk oordeel, maar over een zaak van geloof als gave Gods, m.a.w. geloof door de werking van de Heilige Geest.

Ziedaar de conflictsituatie, waarin de synode zich zelf heeft gebracht door positie gekozen te hebben tegen de belijdenis van het Schriftgeloof.

De Heilige Geest kan toch niet tegen Zijn eigen getuigenis ingaan?

Of de Reformatoren zijn niet door de Heihge Geest geleid in hun Schriftgeloof, of degenen, die dit Schriftgeloof verachten worden gestimuleerd door drijfkrachten en overwegingen, die niet uit de Heilige Geest zijn.

Dat maakt de situatie zo ernstig en laat maar ruimte voor één conclusie: óf de synode kere terug tot het geloof der confessie, óf zij stelle openlijk aan de orde deze confessie af te schaffen. Want wat zij nu doet, is een hinken op twee gedachten, dat voortdurend tot conflictsituaties moet leiden.

w.g. J. Severijn.

w.g. J. J. Timmer.

Februari 1959. Woerden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Nadere repliek 4

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's