De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

PRESBYTERIAAL OF EPISCOPAAL?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PRESBYTERIAAL OF EPISCOPAAL?

10 minuten leestijd

Aan de kerkeraden zijn toegezonden enkele voorstellen tot wijiziging o.a. van Ord. 3 van de Kerkorde. In de zomervergadering 1958 heeft de Synode een besluit genomen om Ordinantie 3 te wijzigen en aan te vullen. Het gaat over het beroepingswerk. Tot nu toe was en is er een Commissie voor het beroepingswerk, die in Ord. 3—14 wordt genoemd. Deze Commissie, die uit zeven leden bestaat, heeft tot taak, op verzoek van de kerkeraden of, zo zij dit wenst, eigener beweging voorlichting en bijstand te geven inzake de keuze van een predikant.

Predikanten kunnen aan deze Commissie hun wens kenbaar maken om een beroep in overweging te nemen of ook, om van standplaats te ruilen met een andere predikant.

Ziedaar de omschrijving van de taak van de Commissie in Ord. 3—14.

Men wil daarin nu verandering aanbrengen. De taak van de Commissie moet aanmerkelijk worden uitgebreid, in dier voege, dat elke kerkeraad, zodra vaststaat dat een vacature ontstaat, advies, vraagt aan de Commissie voor het beroepingswerk. Dit advies wordt binnen een maand na aanvraag verstrekt. De autorisatie vanwege het Breed Moderamen van de Classicale Vergadering wordt niet gegeven, tenzij gebleken is dat advies is gevraagd aan de Commissie voor het beroepingswerk, krachtens verklaringen zowel van de kerkeraad, als van de Commissie voor het beroepingswerk.

Verder moet elke predikant, waaneer hij een beroep ontvangt, daarvan kennis van ontvangst geven niet alleen aan de scriba van de roepende gemeente, maar ook aan de Commissie voor het beroepingswerk.

Tenslotte wordt de approbatie door het Breed-Moderamen van de Classicale Vergadering niet verleend, dan nadat gebleken is dat de door de Commissie voor het beroepingswerk gegeven adviezen naar het oordeel van het Breed- Moderamen der Classicale Vergadering, ennstig door de kerkeraad zijn behandeld. 

Ziedaar de voorgestelde wijzigingen.

Toelichting.

Uit het verslag van de werkzaamheden van de commissie voor het beroepingswerk over de periode van november 1956 tot 31 december 1957 bleek, dat er in verband met het beroepingswerk in de Kerk veel gebeurt, dat niet bevredigend genoemd kan worden. Hoewel er gelukkig veel kerkeraden zijn, die „een goed beroep" uitbrengen, komt het toch maar al te vaak voor, dat er gehandeld wondt naar bepaalde indrukken en vooronderstellingen, die niet ter zake zijn. 

Dit kan uitlopen op teleurstelling voor de betreffende gemeente of predikant. 

In haar vergadering van 25 juni 1958 heeft de generale synode overwogen, op welke wijze de commissie voor het beroepingswerk haar taak zo goed mogelijk zal kunnen vervullen. Daartoe stelde zij in eerste lezing enige wijzigingen en aanvullingen in ordinantie 3 vast. 

De strekking hiervan is, dat voortaan door kerkeraden, in geval van vacature of te verwachten vacature, advies gevraagd wordt aan de commissie voor het beroepingswerk. Deze commissie geeft het gevraagde advies binnen één maand nadat het verzoek daartoe is ontvangen.

De bedoeling hiervan is niet, dat kerkeraden verplicht worden, het gegeven advies op te volgen.. Wel is er de mogelijkheid gegeven, overleg te plegen in een sfeer van vertrouwen, zodat verantwoord gehandeld wordt ten opzichte van zaken, welke zowel voor de plaatselijke gemeenten als voor de gehele Kerk van zeer grote betekenis zijn.

Op deze wijze kan de commissie voor het beroepingswerk, als orgaan der Kerk, haar dienende taak ten behoeve van kerkeraden, gemeenten en predikanten verrichten, terwijl de kerkeraden, na bespreking der gegeven adviezen, toch vrij blijven in hun keuze. Door een zodanige wisselwerking tussen een orgaan der Kerk en de kerkeraden zal naar alle waarschijnlijkheid het vertrouwen groeien, wat een verantwoord beroepingswerk alleen maar ten goede kan komen.

Namens het moderamen van de generale syno'de,

A. A. Koolhaas, praeses.

E. Emmen, scriba.

Wat hierover te oordelen? 

Wij beginnen maar bij de toelichting. Daarin wordt gezegd, dat er in verband mét het beroepingswerk in de Kerk veel gebeurt, dat niet bevredigend genoemd kan worden. Hoewel er gelukkig veel Kerkeraden zijn, die een , , goed beroep" uitbrengen, komt het toch al te vaak voor, dat er gehandeld wordt naar bepaalde indrukken en vooronderstellingen, die niet terzake zijn. Als conclusie wordt erbij vermeld, dat dit op teleurstelling kan uitlopen voor de betreffende gemeente of predikant.

De Synode constateert dus, dat er aan het beroepingswerk het een en ander hapert. Veel kerkeraden doen het goed, anderen gaan zo te werk, dat eruit blijkt, dat zij , , leiding" moeten hebben, omdat zij — de Synode schrijft dit niet, ik concludeer dit eruit — voor hun taak niet berekend zijn.

Wie zal durven beweren, dat het beroepingswerk in de Kerk zonder feilen verloopt? Maar moet men nu alle andere beroepen normeren aan de , , verkeerde" beroepen? Moet men het gebruik veranderen, omdat sommigen er een verkeerd gebruik van maken. Moet men het beroepingswerk gaan vertragen door een verplichte correspondentie met de Commissie voor het beroepingswerk en het Breed Moderamen van de Classicale Vergadering? 

Welke garantie is er, dat de Commisie inzake de adviezen voor het beroepen van een predikant in een gemeente hét beter doet? Welke garantie is er dat de Commissie niet , , , zal handelen naar bepaalde indrukken en vooronderstellingen, die niet terzake zijn"? Welke garantie is er, dat het Breed Moderamen van de Classis in de beoordeling van de ernst, waarmee de kerkeraad het advies van de Commissie behandelde, feilloos te werk gaat? Is hier elke vorm van willekeur uitgesloten?

Is het verder uitgesloten, dat de Commissie voor het beroepingswerk — in het geven van adviezen — op de stoel van de Visitatie gaat zitten?

Het kan verder zijn nut hebben de achtergronden van dit voorstel te bezien.

Waaruit is dit voorstel ontstaan? Toch zeker niet op aandrang van de kerkeraden, die immers reeds nu raad en advies kunnen vragen aan de Commissie voor het beroepingswerk. Heeft de Commissie weinig aanvragen gekregen van de zijde van de kerkeraden? Laat zij dat openlijk zeggen!

Waar ligt dan de bakermat van dit voorstel? In de Commissie zelf? En zo ja, waarom? Zijn er meer predikanten, die van standplaats willen veranderen, dan gemeenten, die vragen? Dit is een heel teer onderwerp. Immers tot het ambt van een predikant behoort, dat hij niet solliciteren mag naar een andere gemeente. Hij wordt gevraagd (beroepen) , maar vraagt zelf niet. Of elke predikant zich hieraan houdt, is een andere zaak. Ik dacht, dat het onder ons zo was en is, dat wij ons daaraan houden. En het is zaak elkander dit telkens opnieuw in te scherpen.

Intussen kan dit bij predikanten tot allerlei spanningen leiden. Immers niemand zal toch beweren, dat het beroepingswerk — ook onder ons — zonder meer een getrouwe weerspiegeling is van de waardering, die elke predikant door zijn persoon, prediking, catechese en pastorale arbeid, verdient. Niemand kan zeggen, dat het dagelijkse beroepingswerk een weergave is van de genade en de gaven, die aan dienaren des Woords zijn geschonken.

De eerste les, die daarom tot onze kerkeraden komt, is dan ook, dat zij alles doen om de rechte man op de rechte plaats te vinden. Er worden soms dienaren , , vergeten", die op meerdere waardering recht hebben. Voor hen en de gemeenten, die zij dienen, kan het verfrissend werken, waneeer zij eens van standplaats veranderen. Daarmee is allerminst gezegd, dat een langer verblijf niet zegenrijk kan zijn. Gelukkig zijn er vele gemeenten, die zich steeds vaster hechten aan hun dominee en omgekeerd.

Ook in het beroepingswerk geldt het ten dele.

Dit , , ten dele" blijft ook bij een andere regeling, zeker bij de voorgestelde. Hier is echter meer in het geding. Want het is niet in de eerste plaats een maatregel van formele aard. Hier is het geestelijk karakter van de kerkeraad, de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente, ja het. presbyteriaal karakter van onze Kerk in het geding.

Allereerst het geestelijk karakter van de kerkeraad.

Een van de geiwichtige taken van de kerkeraad is het beroepen van een dienaar des Woords. Onze vaderen, die geestelijk en nuchter waren, vastten soms. Wanneer een nieuwe dienaar moest worden beroepen. Immers er stond en staat zoveel op het spel. Eén misgreep'.. en de gemeente kan in een slop geraken. Bij de beroeping gaat het niet alleen om het gehalte van de te beroepen dominee, maar ook en vooral om het geestelijk karakter van de kerkeraad. Hoe vat deze kerkeraad zijn taak op? Hoe nodig is de aanroeping van de Naam des Heeren, die alleen harten kent en nieren proeft! Ook toen wist men van vastgelopen predikanten en gemeenten. Daarom was de behoefte nog groter om de leiding van Christus Zelf, die Zijn sterren (dienaren) in Zijn rechterhand houdt en wandelt tussen de gouden kandelaren (de gemeenten). Over-organisatie komt vaak voort uit geesteloosheid en leidt tot verdere miskenning van de rechten van Christus en baart nieuwe vervlakking.

Wanneer het nu het moderamen van de generale synode voorkomt, dat — blijkens de toelichting — sommige kerkeraden zich laten leiden door indrukken en vooronderstellingen, die niet ter zake zijn, mogen wij verwachten, dat de kerkeraden op dit geestelijk karakter van het beroepingswerk gewezen worden. Dit is helaas niet gebeurd. In plaats daarvan krijigen wij een maatregel die doet denken aan de bevoogding van de kerkeraden.

Immers hier is niet alleen het geestelijk karakter van de kerkeraad, maar ook de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente weer in het geding. Ik schrijf , , weer". Immers bij de behandeling van de nieuwe kerkorde is één en andermaal gewezen op het gevaar van de synodale lijn in de kerkorde. Er is in onze kerkorde niet alleen een lijn van beneden naar boven (de presbyteriale lijn) maar ook de lijn van boven naar beneden (de synodale lijn). Deze laatste lijn en de uitstippeling daarvan in de kerkorde was één van de redenen, waarom sommigen tegenstemden. De vrees is, geuit, dat de synodale lijn in de kerkorde dikker zou worden. Hier hebben wij weer een symptoom van de overbelasting van de synodale lijn.

ledere gemeente toch is een complete openbaring van het Lichaam van Christus. De gemeenschap ligt in het gemeenschappelijk geloof. Het is een oeroude gereformeerde gedachte, dat de meerdere vergaderingen vooral dan functioneren, wanneer er zaken zijn van gemeenschappelijk beraad. Hoezeer de Classes oudtijds er aan te pas kwamen, wanneer er een predikant kwam of ging, deze bemoeienis strekte zich nimmer uit tot de keus van de predikant.

Wanneer de ambtelijke vergaderingen zich laten bijstaan door allerlei Commissies — geen bezwaar! Maar deze Commissies een vaste vorm in de kerkorde te geven en een tamelijk ingrijpende plaats bij het beroepingswerk, daartegen rijzen grote bezwaren. Opnieuw wordt de viniger uitgestoken naar één van de wezenlijke vrijheden van de plaatselijke gemeente. Hier is een centralisme, dat op de duur de presbyteriale structuur van de kerkorde kan aantasten. Dit centralisme zit in de lucht. In de staatkundige verhoudingen worden de burgerlijke gemeenten steeds afhankelijker van Den Haag. Moet de Kerk dit voorbeeld volgen? Naarmate de bevoegdheden van raden en commissies toenemen, worden de vrijheden van de plaatselijke, gemeenten beknot. Elke reformatie in gereformeerde zin grijpt telkens terug uit de dodelijke omklemming van het centralisme naar de rechten en vrijheden van de plaatselijke gemeenten. Maar ook elke deformatie peutert aan deze rechten. Ik meen, dat dit uit de kerkgeschiedenis is te bewijzen.

Daarom: er is gevaar! De vinger wordt uitgestoken naar een van de meest wezenlijke vrijheden van de gemeente, dat is het beroepen van dienaren des Woords.

Wanneer iemand opmerkt, dat de kerkeraden niet verplicht zijn het advies van de Commissie voor het beroepingswerk op te volgen, dan is dit waar. De laatste stap is er nog niet. De oorspronkelijke voorstellen van de Commissie reikten — ben ik welingelicht — verder! De Synode heeft dit niet aanvaard. Gelukkig maar! Maar dit betekent niet, dat wij deze weg — in dit voorstel vervat — op moeten. De vraag is niet: Tot hoever gaat het? , maar: Waaruit komt het voort? Waar brengt het ons? Er is niet zoveel fantasie nodig om te zien: Dit gaat naar de bisschop! Niet in één keer, maar schrede voor schrede! Daarom gelde: In principiis obsta! Dat wil zeggen: de wacht betrekken bij het begin, dat is in dit geval biji het presbyteriaal karakter van onze Kerk!

Laten alle afgevaardigden van de kerkeraden op hun post zijn en met argumenten duidelijk maken: Deze weg willen wij niet gaan!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PRESBYTERIAAL OF EPISCOPAAL?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's