DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 48
ZONDAG 45
Het Woord van God.
Hoe kunnen wij dit kostbare goed bereiken? Calvijn dringt aan op waarheid en leven, op de praktijk. Zo moet het hem dan lief zijn, dat er gevraagd wordt: Hoe komt het in mijn leven tot die practijk? Hij antwoordt daarop: Daartoe heeft de Heere ons Zijn heilig Woord gegeven, dat voor ons als het ware een deur tot Zijn hemels Koninkrijk betekent. Calvijn bedoelt daarmee, dat, wanneer God Zijn mond open doet, ook Zijn hart en Zijn hemel opengaan. De Schrift, dat is Gods mond, ook Zijn hart, daarom ook de poort van Zijn Rijk.
Volgende vraag is nu: Waar vindt je dat Woord? Antwoord: Het is begrepen in de Heilige Schrift. In de theologische ontwikkeling van na de Hervorming is opgekomen de onderscheiding tussen Gods Woord en de Bijbel, waarbij men dan zegt: De Bijbel is niet Gods Woord, maar Gods Woord is in de Bijbel. Hoewel dit antwoord van Calvijn dit zelfde lijkt te zeggen, is dit toch niet het geval. Calvijn bedoelt alleen te zeggen: Waar ontmoeten we de sprekende God? In de Schrift.
Hoe de Schrift te gebruiken?
Hoe moeten we die gebruiken, om er nut van te hebben? Antwoord: Door haar te ontvangen met volkomen verzekerd geweten als de waarheid, die van de Hemel is gekomen, door ons er aan te onderwerpen in volle gehoorzaamheid, door het lief te hebben met ware, volle liefde, door het in ons hart te hebben geschreven om het te volgen en ons er naar te richten.
Als we letten op de eerbied en de liefde, waarmee Calvijn een groot deel van zijn leven heeft besteed aan de verklaring van dit Woord, bovendien hoe hij er zich aan vastgeklampt heeft, in leven en sterven, zodat hij er kracht en troost uit betrok, is het ons duidelijk, wat hij hier bedoelt. Bij elke tijding, elk boek, dat we ontmoeten, moeten we tot onszelf zeggen: wees gewaarschuwd, gebruik reserves, vertrouw het niet te makkelijk. Maar dit Woord der Waarheid mag en moet worden ontvangen zonder reserve, zonder vrees, dat het achteraf toch niet waar zou blijken; als de volle loutere waarheid. Dit bedoelt Calvijn met dat verzekerde geweten. Daarom volgt er ook uit, dat dit Woord heerschappij over ons krijgt, dat we het liefkrijgen, volgen, er op bouwen. We vinden het kostelijk, dat Calvijn, de z.g. harde Calvijn, hier spreekt van het liefkrijgen van dat Woord. Wie dat zegt, is stellig geen wettisch man.
Woord en Geest.
Als we dit zo uiteenzetten, is bij deze en gene licht al de vraag gerezen die Calvijn nu stelt: Ligt dat alles in onze macht? Dat is het tegendeel van Calvijn's bedoeling. Hij weet immers van de rebellie van het mensenhart en antwoordt dus: In het geheel niet, want God bewerkt dat aldus in ons, door Zijn Heilige Geest. In Zijn Institutie heeft Calvijn in de brede uiteengezet, dat het geloof, dat de onderwerping aan het Woord en zo de liefde ertoe te danken is aan het verborgen werk en getuigenis van de Heilige Geept. Daartoe wordt het ons een onbetwijfelbare zekerheid, dat dit Woord het Woord van God is en dat Hij daarin van vrede spreekt, ook tot ons. Ook om die oorzaak verdient Calvijn de theoloog van de Heilige Geest te heten; we kunnen ook zeggen; theoloog, die zonde en genade diep en radicaal opvat. Alle theologieën, die dat niet doen, hebben ook geen behoefte aan een leer van de Heilige Geest.
Lijdelijkheid?
Maar wordt op deze wijze de mens helemaal uitgeschakeld? Moeten we dan maar louter lijdelijk wachten? Calvijn zou de schuld van zonde en onmacht al heel ondiep verstaan, als hij dit zou leren. Maar dat doét hij dan ook niet. Want als gevraagd wordt: Moeten we ons dan geen moeite geven en beijveren om te horen en te lezen, hetgeen dit Woord ons leert? antwoordt hij: Ja zeker! In de eerste plaats heeft elk voor zichzelf dit te doen. Vooral hebben we de prediking te bezoeken, waarin dit Woord in de vergadering der christenen wordt verklaard.
Daarbij staat de persoonlijke, huiselijke Bijbellezing voorop. Vanzelfsprekend denkt Calvijn niet aan een vormelijk bedrijf, maar aan een de Heere in Zijn Woord en belofte zoeken en aanspreken, met heel het hart. De Hervorming heeft de enkeling, de persoonlijkheid sterk onderstreept de , , linker" vleugel der Hervorming heeft zelfs dit persoonlijke, vrije en spontane voor het een en 't al willen verklaren. Calvijn niet. Hij ziet niet vooral mensen voor zich, maar een mensheid. Ook geen losse christenen, maar een gemeente. Dat bedoelen we, als we Calvijn een kerkelijk denker noemen. Daarom dringt hij sterk op een persoonlijke band van het Woord aan, maar houdt daarnaast de gemeenschappelijke band eraan, door de dienst der Kerk, in het oog. Vandaar: Bedoel je, dat het niet voldoende is, dat we thuis lezen, wanneer we niet allen samen een gemeenschappelijk onderricht volgen? Het antwoord, dat Calvijn er op geeft, is voorzichtig en wijs afgewogen, nl.: Zo is het, voor zover God er de gelegenheid toe geeft. Blijkbaar dacht Calvijn aan de velen, die deze gelegenheid niet hadden. Voor hen geldt dan de uitzondering. Maar de regel is: het persoonlijke en het gezamenlijke (kerkelijke) horen samen.
Dat doet de vraag opkomen: Waarom eigenlijk? De reden blijkt te zijn: Omdat Jezus Christus deze orde in Zijn Kerk ingesteld heelt (Ef 4 : 11), niet voor twee of drie, maar voor alle mensen in het algemeen. En Hij verklaart, dat dat het enige middel is, om die Kerk te bouwen en te onderhouden. Daarom moeten we ons daarnaar gedragen en niet wijzer zijn dan onze Meester.
Kennelijk is Calvijn mensen tegengekomen, die zich voor élite-christenen hielden. Die aan zichzelf en hun fondsen genoeg hadden en de Kerk en Kerkdienst alleen voor de gewone kleine christenen nodig keurden. We merken met leedwezen op, dat detze gedachte nu geenszins is uitgestorven. Dat de Kerkedienst nog in verachting is bij mensen, die zich aan haar ontgroeid achten. Hoewel we toestemmen, dat de dienst der Kerk vaak dor, mager en beneden het peil is, zodat de , , melk" voor de kinderen al met water is aangelengd en van de , vaste spijze der volmaakten" zo weinig op tafel komt, zeggen we toch mèt Calvijn: onttrek u dan ook aan die Kerk niet. Overschat u zelf en uw meerdere genadegaven niet, maar gebruik ze in alle geval niet egoïstisch voor u zelf, maar besteed ze gaarne tot heil van uw naaste! De Kerk van Christus is niet vooral de plaats, waar al maar genoten wordt, maar waar altijd maar gediend wordt. De meeste in het Rijk van God is niet die geniet en zich daartoe afzondert, maar die, met kleinere of grotere gave, dient.
Calvijn's conclusie is daarom alleen deze: niet om de Kerk heenlopen. Zeker niet over haar heenlopen! En niet wijzer zijn dan de Meester, die wilde, dat het persoonlijke geloofsleven bloeien zou juist binnen de omheining der Kerk.
De predkanten.
Daar sprak Calvijn van Woord en prediking. Hij moet nu wel vragen: Is het noodzakelijk dat er predikanten zijn? Het antwoord is: Ja, en ook, dat men naar hen luistert en het Woord des Heeren ootmoedig uit hun mond verneemt. Dus wie hen veracht en niet wil horen, verwerpt Jezus Christus en scheidt zich af van de gemeenschap der gelovigen (Matth. 10 : 40; Lucas 10 : 16).
Hoezeer Calvijn dus op het persoonlijke nadruk legt, hij wil , , de weg der middelen" niet versmaad zien. Aan de predikanten wordt grote eer bewezen: de Heere geeft ze een gewichtige plaats in Zijn huis. Ze zijn werkelijk ambassadeurs, haast stadhouders van Christus. Wie hen verwerpt, verwerpt Hem. Wat moeten ze dan met ootmoed, trouw en liefde hun plaats innemen! En toezien, dat ze het pure Woord van God goed, fris en klaar laten horen, zo, dat het zich aanbeveelt bij de gewetens. Anders kunnen ze de grootste eer, hen hier bewezen, onmogelijk dragen. Wanneer ze geen waarachtigen zijn, kunnen ze allen verleiders blijken. Wèl hen, als ze niet anders dan een mond des' Heeren willen zijn, wee hen, als ze zichzelf brengen en bedoelen.
Blijvende band aan Woord en prediking.
Deze zondag besluit dan met de vraag: Maar is het genoeg, maar één enkele keer door hen te worden onderricht, of moeten we er mee doorgaan?
Ook deze klank is blijkbaar echo. Calvijn heeft zeker mensen ontmoet die in korte tijd van kind tot volwassene meenden te zijn geworden en nu alle leiding, alle onderricht afwezen. Daarin merkt Calvijn geestelijke onkunde en hoogmoed op. Wie werkelijk iets weet, weet vooral, hoe weinig hij weet en vraagt naar meer. Hij. antwoordt daarom: Beginnen betekent niets, als men niet voortgaat en volhardt. Want het past ons, tot het einde discipelen van Jezus Christus te zijn. En Hij heeft de dienaren der Kerk ingesteld, om ons in Zijn Naam te onderrichten.
Calvijn is dus terecht van mening, dat we niet moeten menen, zo op eigen (geestelijke) voeten te kunnen staan, dat we hulp en raad kunnen ontberen. Hij heeft, dunkt ons, zeker allereerst gedacht aan de ambtelijke opdracht van Christus, ook aan de wijze, waarop de dienaars, immer geroepen heiligen, hun mede-christenen kunnen dienen. Hij dacht licht ook aan de voorsprong, die de dienaars op de andere hebben als ze de grondtalen van de Schrift kennen, een voorrecht dat juist de meest gevorderde , , leken" pijnlijk missen. Geen christenmens doet dus wijs, zich boven zijn predikant te verheffen, want hij zal hem altijd in enig opzicht nodig houden. Ook omgekeerd: Geen predikant verheffe zich boven de gemeentenaar of durve eigenwijs en pedant te worden. Want een ambassadeur is enkel waard, wat zijn Koning waard is. De grote zegen van het predikantschap is er alleen, waar de dienaar alleen maar zijn Koning bedoelt en niet eigen Koninkrijkje. De dienaren zijn geen doel, maar middel. 'Het doel is: Hij moet ais Koning heersen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's