WERKORDE EN KERKORDE
Toen de commissie van de werkorde de classes bezocht om de z.g. werkorde toe te lichten, werd ons ergens, als ik mij goed herinner te Meppel, gevraagd, hoeveel jaren de sanering der kerk naar onze mening wel zou vragen. Als mijn persoonlijke mening heb ik daarop geantwoord 25 tot 50 jaar.
Uit de aard der zaak hing deze uitspraak samen met de voorstellingen, die ik mij gevormd had omtrent maatregelen en methode van sanering, welke gevolgd zouden kunnen worden om tot een gezond kerkelijk leven te geraken.
De ervaring heeft geleerd, dat de leidende persoonlijkheden in ieder geval aan een zo lange termijn niet hebben gedacht. Ook mogen wij aannemen, dat zij over de weg, die tot sanering van het kerkelijk leven kon leiden, anders hebben gedacht en de conclusie is gerechtvaardigd, dat zij ook over kerk en kerkelijk leven andere voorstellingen heibben gehad dan welke bij ons leven.
Wat het eerste punt aangaat, kan worden opgemerkt, dat de z.g. werkorde slechts heel kort heeft gevigeerd.
Wij hebben dat altijd betreurd en de ervaring sedert de invoering van de Kerkorde, heeft duidelijk aan de dag gebracht, dat men veel te haastig is geweest.
Die haast laat zich verklaren uit de verwachtingen, welke men koesterde aangaande de ontwikkeling van het kerkelijke leven in de na-oorlogse tijd. Het schijnt wel, dat men wonderen van verbroedering en eensgezindheid heeft verwacht, zodat het conglomeraat van richtingen, dat Hervormde Kerk heet, in een paar jaar — behoudens dan een groepje uiterst rechts en een groepje uiterst links — tot een homogene gemeenschap zou saamsmelten.
Of sprak men niet van de , .psychologische gesteldheid", waarvan, naar men meende, partij getrokken diende te worden? Geen langer uitstel van de kerkorde, want het getij moest eens verlopen. Vertoonden zich niet reeds zekere symptomen, welke daarop wezen? Moest men niet vrezen, dat de oude richtingen niet dood waren? Deden zich niet ook nieuwe controversen waarnemen? En zou het de z.g. nieuwe theologie toch niet gelukken de grote massa te vergaderen?
Al deze en dergelijke verschijnselen en overwegingen hadden uit de aard der zaak juist moeten nopen tot uitstel van de invoering der kerkorde en tot een voortgaande sanering met behulp van de werkorde. Dit mocht heus wel dubbel gelden voor het ontwerp kerkorde, dat men had gereedgemaakt, met zijn uitvoerige reglementering van een kerkelijk leven, dat men zich had voorgesteld, door een bundel van ordinantiën, die het wetboek van 1816 zou vervangen.
, , Voortgaande sanering", schrijven wij, want de werkorde was bepaaldelijk op gezondmaking van het kerkelijk leven gericht. Zelfs onder verwijzing naar de confessie. Zo werd de werkorde ook ontvangen, getuige de vraag, hoeveel tijd naar onze gedachten de sanering der kerk zou vragen.
Het voordeel van de werkorde was, dat zij zo weinig mogelijk reglementeerde. Daardoor hadden de kerkelijke vergaderingen meer vrijheid van handelen, ten bate van de voorgenomen sanering. De bedoeling was voorts, dat voor zoveel nodig en gewenst, de synode door besluiten zou kunnen regelen en regeren.
Heel veel is in die dagen vergaderd en gedelibereerd om de mensen bij elkander te brengen. Hoe goed ook bedoeld, heeft dat alles maar weinig uitgewerkt. En dat kon niet anders, want men kwam bijeen een ieder met zijn eigen geloof of ongeloof aangaande de Heilige Schrift, de confessie, de kerk, enz. enz. Maar het wonder, dat al deze verschillende en dikwijls elkander uitsluitende tegenstellingen als in èèn slag overwon, kwam niet. Desondanks kan men niet ontkennen, dat het bij velen, die zeer verschillend over de dingen dachten, niet ontbrak aan genegenheid en bereidheid om naar elkander te luisteren, maar daarbij bleef het.
Ik ben er van overtuigd, dat de saamsprekingen heel wat minder ingetogen en minder vriendelijk zouden verlopen zijn, als men de belijdenis aangaande het goddelijk gezag der Heilige Schrift eens in het midden had gelegd en b.v. de apostolische geloofsbelijdenis. Dat is bij mijn weten niet geschied en dat is jammer, omdat men dan zou hebben kunnen leren, dat de sanering van de kerk op andere wijze zou moeten worden aangegrepen en jaren zou vergen.
De kerkorde is in 1951 ingevoerd. Het is echter met de sanering niet verder gekomen en dat kon men ook niet verwachten. Afgezien nog van de voorstellingen van kerk en kerkelijk leven, die de achtergrond van de kerkorde en de daaraan toegevoegde ordinantiën vormen, is de kerkorde toch berekend op een zeker geordend kerkelijk leven. Zij onderstelt dat en niet een conglomeraat van richtingen. Afgezien ook van de z.g. dynamiek, die doet spreken van de „weg van het belijden", heeft men toch niet gedacht aan een wilde vlucht van belijden, maar uitgangspunt en richtsnoer gesteld in de gemeenschap met de belijdenis der vaderen en van deze weg van belijden gesproken (Art. X.4).
Aan de hieraan ten grondslag liggende onderstellingen beantwoordde bij de aanvaarding van de kerkorde de gesteldheid der Hervormde Kerk bij lange na niet. Daarom had men die kerkorde nog niet moeten invoeren, te minder nog, omdat het getij verliep. Deze invoering is praematuur geweest, zelfs, als men een beoordeling van de kerkorde op zich zelf, zoals die tenslotte uit de kerk te voorschijn is gekomen, buiten beschouwing laat.
De gevolgen zijn dan ook verre van bevorderlijk voor de gezondmaking der kerk geweest. Het gemis aan de nodige en gewenste overeenstemming in belijden kon uit de aard der zaak niet worden vergoed door de verklaring der kerk tot een modallteiten-keik. De gemakkelijkheid, waarmede mensen over de modaliteiten spreken, is een duidelijk symptoom van gebrek aan kerkbesef en gemeenschap om van kennis en waardering der belijdenis maar te zwijgen, een ongeregelde modus-vivendi-kerk welke van de weg der sanering steeds verder afvoert, en meer schade brengt dan 'n gereglementeerde modus-vivendi zou doen. Deze ongeordende modaliteiten-kerk kan noodt bevorderlijk zijn aan een waarlijk Christelijke tucht in de kerk, maar staat daaraan ten enenmale in de weg. Ovenbodig dit nader aan te tonen, getuige de overgangsbepaling 238 en andere maatregelen.
En wat zal men zeggen aangaande het besluit om èèn van de voornaamste stukken van kerkelijke tucht voor tien jaar op non-actief te stelden. Op zichzelf kan dit besluit slechts onze stelling bevestigen, dat men de kerkorde praematuur heeft ingevoerd. Als zo straks de tien jaren gepasseerd zijn, staat men er kerkelijk bovendien nog veel ongunstiger voor dan toen men dat besluit nam.
En wat dan?
Zal men dan nog eens weer tien jaar uitstel bepleiten en voortgaan in detzelfde weg? Of zal men zo verstandig zijn nog enkele ordinanties voor zoveel nodig op non-actief te zetten, ten einde allerlei aanleiding van willekeur en verwarring te voorkomen en eens maatregelen treffen, die èn direct èn in afzienbare tijd waarlijk bevorderlijk zullen zijn aan de gezondmaking van het kerkelijk leven?
Het wordt tijd, dat het moderamen der Synode zich over deze dingen bezint. Dat ligt op zijn weg en er is niets, dat zo dringend nodig is dan eindelijk eens wijze en doeltreffende maatregelen te overwregen, welke kunnen bevorderen, dat de kerk zich naar haar aard en wezen lere opbaren.
Het zal ook gewenst zijn, dat het moderamen der Synode deze nodige zaak zelf ter hand neme en niet opdrage aan een commissie. Het kan immers zoveel informaties inwinnen als het nodig oordeelt?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's