HEMELVAART
„Jezus zeide tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga henen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God". Johannes 20 : 17.
Mogelijk acht iemand, die deze meditatie onder ogen krijgt, het onjuist de hemelvaart te verbinden met een tekst uit het opstandingsevangelie. Toch zou dat getuigen van een enge kijk op het heilsfeit, wat de hemelvaart toch is. Immers, alle heilsfeiten zijn zó nauw met elkander verbonden. dat we de één niet zonder de ander kunnen denken. Maar behalve dat: al zijn we hier met Maria Magdalena in de hof van Jozef van Arimathea, Hij, die het graf verlaten heeft, zegt in dit woord enkele zeer belangrijke dingen over Zijn hemelvaart.
Wanneer we nu datgene, wat er in Joh. 20 gezegd wordt over Maria Magdalena, eens nagaan, dan wordt ons toch wel duidelijk, dat ze reeds op de paasmorgen zèlf een meervoudige taak toebedeeld krijgt. De éérste is hierin gelegen, dat zij de discipelen bij het graf moet brengen, want op haar woord: , , Zij hebben de Heere weggenomen uit het graf, en wij weten niet waar zij Hem gelegd hebben", gingen Petrus en Johannes uit , , en zij kwamen tot het graf".
Goed, laten we zeggen, dat deze taak een meer uiterlijk karakter droeg, toch was ze geenszins zonder betekenis in verband met wat volgt. Want nadat deze twee jongeren weer zijn heengegaan, vastgesteld hebbende: , , de Heiland is er niet meer", krijgt deze Maria haar twèéde, meer innerlijke, meer geestelijke taak. Immers, de discipelen konden nog niet meer zeggen dan , , de Heiland is er niet meer"; dit zou omgezet moeten worden in; , , De Heere is waarlijk opgestaan!"
Daartoe verschijnt Christus aan Maria Magdalena, opdat zij zou worden de boodschapster van dat woord, wat ook de disipelen zouden moeten overnemen: , , De Heere is waarlijk opgestaan!" Zo ontvangt deze Maria de grootse taak de discipelen voor te bereiden tot het geloof in de opgestane Christus.
Maria zou dit op een zeer bijzondere wijze moéten doen; zij zou niet mogen volstaan met alleen maar tot hen te zeggen, dat Hij leeft; ook al zou dit getuigenis voortkomen uit eigen aanschouwen, 't zou niet genoeg zijn. Néén, zij zou de Opgestane Christus moeten verkondigen als Degene, die nog ten hemel zou moeten varen. Haar getuigenis zou moeten inhouden: , , Onze Meester leeft, Hij heeft de dood overwonnen, maar Hij kan eerst volkomen onze Heiland zijn als opgevaren Heiland!" Dat zij Christus' jongeren zó zou moeten voorbereiden, maakt haar Meester haar duidelijk door tot haar te zeggen: , , Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader".
Dit woord , , Raak Mij niet aan" is een woord, wat velen wreed in de oren klinkt; het zou inderdaad wreed zijn, wanneer 't zou betekenen, dat Jezus door Zijn opstanding zou zijn geworden de grote ongenaakbare, de volmaakt geisoleerde, die geen menselijke beroering meer kan toestaan. Maar dat dat de betekenis zou zijn van 't woord , , Raak Mij niet aan" is moeilijk aan te nemen: Thomas mocht Christus toch ook aanraken! De vertaling , , Raak Mij niet aan" geeft én Maria's bedoeling én Jezus' woord onjuist weer. Het gaat hier in wezen om een bevel ergens mee op te houden. Hier dus: , , Houd Mij niet langer vast!" Niet slechts voor dit ogenblik en deze ontmoeting, maar voor het vervolg. Maria maakt een of andere beweging naar Hem toe, niet alleen om Hem te aanbidden, maar als uitdrukking van haar wens Hem steeds bij zich te houden. Daarom verbiedt Jezus haar hier geen aanraken, maar vastgrijpen om vast te houden.
Toen Maria, op 't noemen van haar naam, Christus herkende, toen zal ze toch wel echt menselijk gereageerd hebben: , , Daar is mijn Heiland weer, ik mag Hem weer bij mij hebben, ik mag Hem weer bezitten, weer met Hem omgaan, zoals vroeger; mijn Meester is weer terug, voor goed".
En dan dat: , , Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader". Dat bij Hem blijven zal Maria nu nog niet worden geschonken, want Hij is nog niet ten hemel gevaren. Maria begrijpt de met de opstanding ontstane situatie nog niet helemaal. Zij denkt, dat nu het samenzijn met de Heere gekomen is en nu voorgoed. Zij ziet reeds de vereniging gekomen, maar 't is voorbarig, ontijdig; en zij beproeft die op aardse, stoffelijke wijze te verwerkelijkten.
, , Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader". De tweede, meer innerlijke en geestelijke taak van Maria op de paasmorgen was dus: de discipelen voorbereiden tot het geloof in de Verrezene; zoals bij iedere verkondiging, moet zij dit doen, zoals Christus het wil. Nadat zij het eerst zelf van Jezus heeft gehoord: , , Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader", beveelt Jezus haar nu: , , Ga henen tot Mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God".
Maria is heengegaan en ze heeft 't alom verkondigd: , , De Heere is waarlijk opgestaan!", maar ze heeft er vast en zeker, dank zij de les in de hof van Jozef van Arimathea, onmiddellijk bij gezegd: , , Onze opgestane Heiland is een Verlosser, die ten hemel varen moet".
Zeg tot de broeders: , , Ik vaar op". Hier komt het uitermate belangrijke van het heilsfeit der hemelvaart voor de dag, in 't bijzonder het belangrijke voor het persoonlijke geloofsleven. Het is niet alleen jammer, het is zelfs beangstigend, dat zovelen hemelvaart niet meer weten te waarderen als heilsfeit, hemelvaart niet meer weten te combineren met hun persoonlijk geloofsleven. En tóch staat het er, wanneer 't goed is, nauw mee in verband. Want waar draait 't om in ons persoonlijk geloofsleven, waar moet 't althans om draaien? Om dit éne, dat wij worden van vreemdelingen en bijwoners tot medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods! Met andere woorden, dat wij, mensen, die naar onze aard van God vervreemd zijn, weer gaan zeggen: , , Abba, Vader!" Dat staat ook in de tekst: , , Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader en tot Mijn God en uw God!" Christus bedoelde: , , Ik vaar op tot Mijn Vader, die eerst door Mijn hemelvaart uw Vader kan zijn en tot Mijn God, die eerst door Mijn hemelvaart üw God kan zijn"
Ja maar — zegt u — deze God is toch de Heilige, de Rechtvaardige, die geen zonde ongestraft kan laten; deze God is toch Degene, van Wie heden nog geldt, dat Hij is een verterend vuur! U hebt gelijk: inderdaad is dat zo! Kunnen wij dan als zondaren eigenlijk van deze God zeggen: , , Onze Vader"? Néén, zó niet, met onze zonde alleen niet. Maar nu is Jezus Christus, die ons aller ongerechtigheid op Zich deed aanlopen, die de dood heeft verslagen, ten hemel gevaren. Dat wil zeggen; Hij is gaan staan voor Zijn Vader, Hij is gaan staan tussen Zijn God en ons in. Hij is daar gaan staan als de grote Advocaat, die steeds weer met z'n voorbede in de bres zal springen voor allen, die met hun zonden tot Hem vluchten. Hij kan daar nu door Zijn hemelvaart pleiten bij Zijn Vader; , , Vergeef hun al hun zonden, want Ik heb alles volbracht wat tot delging van hun schuld van node is; neem deze zondaars aan". Christus voer ten hemel op, opdat Hij zó Zijn Vader tot ónze Vader zou maken, Zijn God tot ónze God.
U, die dit leest u werpt misschien tegen, dat dit alzo in uw leven nog niet is, dat u Christus nog niet hebt als uw Verlosser, als uw Behouder. Toch ligt dat niet aan Hem; Hij kan en wil het zó zijn. Daarom liet Hij door Maria Magdalena tot de broeders en tot ons zeggen; , , Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader en tot Mijn God en uw God". Ook vandaag geldt 't nog evenzeer, dat zónder hemelvaartsbeleving in u het , , Abba, Vader" onbestaanbaar is.
Daarom is 't waar, wat we reeds zeiden, dat hemelvaart nauw verbonden dient te zijn met ons persoonlijk geloofsleven. Het is waar, hemelvaart is één van die heilsfeiten, waartegen onze , , vleselijkheid" nog al te keer gaat, omdat dit heilsfeit ons tè geestelijk is. Ja, maar dan herinneren we aan Pinksteren. Hebben wij op de hemelvaartsdag te kampen met onze , , vleselijkheid", dan is daar maar één middel tegen, namelijk dit dat het heilsfeit van Pinksteren zich voor ons ontvouwt, voor ons open. bloeit, opdat wij, gedreven door de Heilige Geest, gaan bedenken wat des Geestes is. Daarom, dreigt uw , , vleselijkheid" de vorm aan te nemen van verzet, eigenwijs verzet tegen de hemelvaart, bid dan om deze Geest. Dan zullen wij waarachtig blij worden; want dan is ons de hemelvaart een feest geworden, waarop onze Heiland ten hemel opvoer, opdat wij weer zouden zeggen; , , Onze God! Onze Vader!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's