MISSIO DEI 1
De bezinning op de grondslagen en de motieven van het zendingswerk blijft voortdurend geboden. Juist in crisistijden als de onze zullen wij goed moeten weten waarom wij deze arbeid doen en wat wij ermee bedoelen. Anders zouden de moeilijkheden en de tegenwerking ons de moed doen verliezen. Zeker, de moeilijkheden zijn groot en er zijn veel tegenstanders; menselijk gesproken spreekt het helemaal niet meer vanzelf, dat wij vooral wel als GZB op Celebes verder zouden gaan. Als de zending niet anders zou zijn dan een onderneming van onszelf zou het voor de hand liggen, dat wij onze plannen ingrijpend gingen herzien. Menselijk gesproken lijkt het zelfs conservatisme om persé op Celebes zending te willen drijven; een bedrijf met economische belangen zou het allang over een andere boeg hebben gegooid. Van hoopgevende perspectieven valt amper meer te spreken. Ons verstand zegt: laten wij nu maar een ander terrein gaan zoeken; er liggen nog zoveel stukken van de akker van de wereld braak.
Tegen deze achtergrond is het nuttig om te spreken over de missio dei. Dat is een uitdrukking, die de laatste tijd in zendingskringen naar voren is gekomen, vooral na de conferentie van Willingen (1952). Er wordt mee bedoeld, dat de zending in eerste instantie Gods werk is, datgene wat van Hem uit doorgezet wordt in deze wereld en dat mensen en kerken daarbij alleen maar dienen als instrumenten in Zijn hand. Door deze klemtoon op de zendende God wil men de pas afsnijden voor beschouwingen waarin de zending gezien wordt als de verbreiding van de maatschappelijke en culturele voorrechten van het Westen. In de 20e eeuw hebben wij geleerd, dat het Westen op dat vlak niet veel bijzonders te bieden heeft, amper zelfs een bruikbare moraal. Ook zal moeilijk kunnen worden volgehouden, dat het Oosten zelf op het gebied van ontwikkeling en beschaving niets presteert en dat wij daarvan niets zouden kunnen leren. Als de zending allereerst humanitaire doelstellingen zou nastreven, moet de vraag overwogen worden of zij in onze moderne wereld nog wel in een behoefte voorziet.
Ook wil de uitdrukking , , Missio Dei" een zekere afstand bewaren van de gedachte als zou de zending vooral voortkomen uit de bewogenheid van de christenen, de liefdevolle aandacht voor de , , arme" heidenen. Natuurlijk gaat het daar niet buiten om, God werkt altijd middellijk. Maar als wij in de zendingsliefde van dezen en genen of in het roeplngsbesef van de Kerk het uitgangspunt stellen, wordt aan de vrome mens met zijn goede werken een al te grote plaats ingeruimd. Het bezwaar daartegen is het waarheidsmoment van de critische vragen, die in de vorige eeuw door Bernhardi en andere vrienden van Kohlbrugge aan de zendingsvrienden zijn gesteld. Een christen uit het Oosten heeft onlangs gezegd: , , De basis voor de christelijke zending ligt in de daden Gods, niet in de behoefte van personen of genootschappen, die werkgelegenheid zoeken'".
De uitdrukking „Missio Déi" zegt: de zending is zelf een daad Gods. Als het Zijn werk niet was zou de Kerk zich er nooit aan gewaagd hebben. En als zij het toch gedaan had zou er niets van zijn terechtgekomen. Wie zo over zendïng spreken wil, dat het hout snijdt, spreke niet allereerst over mensen en wat zij doen, maar over de Drieënige God en Zijn Koninkrijk. Het is Zijn wil en Zijn eigen werk, dat Zijn Woord allerwege wordt verkondigd. Dat daar mensen bij gebruikt worden voldoet niet aan een bij, Hem bestaande behoefte, maar is de uiting van Zijn genade. God heeft de mens niet nodig en zeker de christen niet. Hij is mens genoeg om ook zonder ons Zijn heilsplan door te zetten. Vanuit deze visie zullen wij zeer bedeesd leren spreken over de resultaten van het zendingswerk. Het heeft Hem behaagd om door onze hand iets in het leven te roepen, nl. een Toradjakerk op Celebes. Maar wij zullen dan niet meer zo gauw uit het veld geslagen worden wanneer de uitzichten na verloop van jaren wat minder worden. Achter ons werk staat dan immers het geloof, dat Gods zending nergens op stranden kan. Geen enkel nationalisme, al is het nog zo hecht verankerd in het gevoelsleven van een bepaald volk, geen enkele revolutie, al wordt een heel werelddeel erdoor verschoven, kan de zending van God ook maar een centimeter uit de koers doen raken. Het is zelfs andersom: elke beweging, al is zij tot de tanden gewapend tegen het evangelie, kan alleen maar dienstbaar zijn aan het werk van God. In deze dingen zullen wij moeten leren te wandelen, niet in aanschouwen, maar in geloof. Wij zien er maar weinig van, de laatste tijd zelfs steeds minder, maar wij mogen het geloven. Daarom mag er zelfs in de donkerste tijden geen reden tot wanhoop zijn. Deze geloofsvisie is geen idealisme, waarin wij de opkomende machten van het Oosten als het communisme en de opleving van de oosterse religies, zouden onderschatten. Maar wij zullen er dan wel voor bewaakt worden deze machten ook niet te overschatten.
Het gaat in deze zending van God niet alleen om wat God doet, maar daarachter en daarin om wat Hij is, om Zijn wezen. Het wezen en het werk Gods kunnen trouwens nooit gescheiden worden. Hij is niet een God, die in zichzelf rust om van zichzelf te genieten, maar die zichzelf opent, zich openbaart aan Zijn schepsel. In Zijn zending gaat Hij uit tot de mens om, hem te redden uit de verlorenheid in alles wat Hij doet heeft Hij het heil des mensen op het oog. Hij stelt er Zijn eer in, dat Hij zich in deze wereld een volk vergadert, dat met Hem gemeenschap heeft. En in deze liefde wendt Hij zich tot de volkeren der aarde.
De duitse zendingsgeleerde G. F. Vicedom heeft onder de titel , , Missio Dei" een boek geschreven (Kaiser Verlag, München, 1958), waarin hij de zendingvragen vanuit dit gezichtspunt belicht. Hij laat zien, dat dit uitgaan tot de ander voor God niet iets bijkomstigs is, maar dat Hij van eeuwigheid contact zoekt met Zijn schepsel. Achter de Missio Dei waarin Hij zich aan de wereld openbaart, ligt reeds de zending binnen de Drieëenheid Gods. De Vader zendt Zijn Zoon en Vader en Zoon zenden de Heilige Geest en het is alles gericht op de mens en zijn zaligheid. Vicedom toont aan, dat de grondslag van de zending ligt in de vrederaad Gods, in de omgang tussen Vader, Zoon en Geest. Dit treedt naar buiten in de zending van de Heere Christus, de Apostel onzer belijdenis, die als de gezondene des Vaders wordt uitgezonden om in de weg van kruis en opstanding het verlorene te zoeken. Hij wordt uitgezonden om alle beletselen voor de gemeenschap tussen God en mens uit de weg te ruimen. God blijft immers door alle zonde heen betrokken op de mens Hij houdt Zijn aanspraken op die mens, op de wereld als Zijn wereld staande. Welhaast alles is door de zonde verwoest, maar de zonde heeft niet teweeg kunnen brengen, dat de mens uit de heerschappij van God zou ontslagen zijn. Daarom blijft Hij de Zender en de zending heeft als doel de wederoprichtïng van Zijn. Koninkrijk, en de vergadering van Zijn rijksgenoten.
In „Missio Dei" ligt niet alleen, dat God zelf de zending als Zijn werk uitvoert, maar ook, dat Hij er zelf de inhoud van is. God, de Zender, zendt zichzelf. Wat Hij zendt ligt in het werk van Chrisitus, in Zijn offer aan het kruis. Gods weg gaat eerst rechtstreeks naar Golgotha en van daar uit naar de einden der aarde, als het evangelie der verzoening. En Hij zendt Zijn Geest mee om Zijn dienaren toe te rusten en de harten allerwege voor het evangelie te openen, In alle heilsfeiten, kruis, opstanding en de uitstorting van de Heilige Geest wordt de zending van God openbaar en tegelijk worden deze heilsfeiten tot de inhoud van de zending.
Als eenmaal het heil volbracht is in de zending van Christus en de dienaren zijn bekwaam gemaakt door de zending van de Geest kent deze zending Gods geen grenzen meer. Als de Verhoogde zet Christus Zijn zending met kracht voort, opdat het rijk van de boze steeds verder worde teruggedrongen. In dit zendingswerk, dat steeds verder om zich heengrijpt, blijkt dat het werk van Christus door Zijn Heilige Geest wereldhistorische betekenis heeft, dat het gebeuren van de ganse wereild door Hem gericht wordt op de volkomen openbaring van Zijn heerlijkheid. Vicedom stelt Missio Dei en Koninkrijk Gods als vrijwel synoniem.
Christus is uitgezonden om de verlorenen te zoeken, welnu, dan zal Hij ze opzoeken al zijn zij in het diepste oerwoud, letterlijk of figuurlijk. Dat zijn instrumenten in zichzelf zwak zijn en waardeloos is voor Hem geen beletsel om Zijn heilsplan door te zetten. Nergens kan het op afstuiten, op de Kerk en haar onbekwaamheid niet en op de wereld en haar tegenstand evenmin. Het is immers de zending Gods en daarin openbaart Hij zich als de souverein van deze wereld. Het komt voort uit de eeuwige liefde Gods en het stuwt zichzelf voort naar Zijn eeuwige heerlijkheid. Het lutherse standpunt van Vicedom blijkt uit zijn verzwijgen van het dogma der verkiezing; had hij dat in zijn overwegingen betrokken, dan zou zijn visie nog krachtiger zijn geworden.
(Wordt vervolgd.)
Referaat, gehouden op de jaarvergadering van de GZB, 17 september 1958.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's