De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HEDENDAAGSE LITURGIE 19

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HEDENDAAGSE LITURGIE 19

7 minuten leestijd

Het is wijlen prof. Obbink geweest, die in het reeds aangehaalde artikel meedeelt, dat in zijn tijd (1936) reeds van verschillende zijden werd beweerd, dat de Evangelische Gezangen Compagnie (Brandt) voornemens was de , , Oude Gezangen" eerst uit te verkopen en daarna niet meer te herdrukken. Deze onderstelling is aannemelijk, omdat nu een nieuw debiet werd geopend met de uit oud en nieuw bestaande Bundel 1938, en dan wellicht van grotere omvang. Gemeenten en personen (Amsterdam bijv. weigerde in 1939 om de nieuwe Bundel in gebruik te nemen), die het nog met de oude Gezangen zouden willen houden, zullen dit dan van zelf wel , , afleren", omdat ze niet meer gedrukt worden.

Iets dergelijks kan voor de deur staan, wat de Psalmen betreft. Zoals men het (in overleg met Brandt) thans onmogelijk gemaakt heeft, dat in de Kerk nog oude Gezangen gezongen zouden kunnen worden, zo is, in analogie daarvan, het m.i. niet te gewaagd te onderstellen, dat straks ook geen oude Psalmen meer gezongen kunnen worden, eenvoudig doordat het kerkboek 1938 nlet meer in herdruk komt, een andere uitgever zich daaraan niet meer kan wagen, gezien de , .rechten" van Brandt, en daardoor heel de Kerk wel eens gedwongen zou kunnen worden genoegen te nemen met en gebruik te maken van een nieuw kerkboek weer volgens al of niet geheim contract met Brandt. Want wij zien vandaag den dag dat nieuwe kerkboek-in-wording opkomen. Velen achten het al vaststaand, dat de (nieuwe) dichters-psalmberijming 1959 door de Generale Synode, eerst in principe zal aangenomen worden (want ze is nog niet compleet), en dan definiitief. Tegelijk zal dan de nieuwe Gezangenbundel uitgezuiverd zijn (want daar wordt thans aan gewerkt) van al te middeleeuwse, al te Roomse en al te vrijzinnige liede­ren. En zo kunnen wij dan in komende jaren weer een bundel tegemoet zien, maar dan met nieuwe psalmen en vernleuwde gezangen. Misschien wordt dat dan wel een dwangbundel, naar Art. XI Kerkorde, al. 3: , , In de kerkdiensten zullen door de gemeente geen andere liederen worden gezongen dan die, welke zijn bijeengebracht in het psalm- en gezangboek der Kerk".

In strijd hiermede (dit schijnt tuchteloos te kunnen) hebben sommige predikanten al , , proef" genomen met de z.g. nieuwe psalmbundel, in openbare godsdienstoefeningen. Zelfs de praeses der Synode, dr. A. A. Koolhaas, heeft dit gedaan in een kerkdienst op 21 dec. '58 te Amersfoort. Dit is fout en al te ver gaand, omdat de praeses Synodi zelf, al is 't voor één maal, geen voorbeeld mag geven van overtredring tegenover eigen Kerkorde; maar óók fout, dat hij in zijn delicate positie aldus al stemming is gaan maken ten gunste van een in bewerking zijnde psalmberijming, waarover de meeste mensen nog geen oordeel kunnen hebben, ook al omdat die slechts in ontwerp en ten dele en provisorisch bestaat, en van een ingewonnen oordeel der Kerk vanzelf geen sprake kon zijn. De praeses had zich hier zeker neutraal moeten houden. Ik meen tot deze opmerkingen recht te hebben, omdat ik ze ook schriftelijk aan dr. Koolhaas heb meegedeeld, en zijn antwoord m.i. onvoldoende bleek. Hij raadde aan, alvorens over de nieuwe berijming te gaan schrijven, mij met vragen of bezwaren, te wenden tot dr. H. Schroten, te Charlois. Dit gedaan hebbend op 23 jan. 1.1., ontving ik tot nog toe geen antwoord. Wel is eigenaardig, dat ik dezer dagen in het april-no. van , , Kerk en Theologie", een artikel over de nieuwe psalmberijming onder ogen kreeg van dr. Schroten, maar dat m.i. weinig om het lijf heeft. Doch waarom heeft hij er niet voor gevoeld, dit artikel te publiiceren in , , Theologia Reformata", waarvan hij toch erkend medewerker blijkt te zijn? Wellicht had dan een principieel debat helderheid kunnen brengen. 

Het moet mij in dit verband van het hart, dat ik de positie van dr. Schroten in die interkerkelijke psalmencommissie niet kan begrijpen (en wellicht velen met mij niet). Bij mijn onderzoek bleek, dat hij zich nu al 10 jaar lang daarvoor heeft ingezet. Over de door hem (m.i. verkeerde) motieven daartoe, wil ik straks iets zeggen. Maar die van hem en zijn medestanders treden pas in het rechte licht, als we eerst de historie eens laten spreken.

Toen men bezig was met de samenstelling van de tegenwoordige z.g. Herv. bundel, verscheen in nov. 1936 de nieuwe psalmberijming van ds. H. Hasper. Hij had zich sinds 1912 al aan deze zaak gewijd, en meermalen met anderen daarover samenspreking gehad, o.a. met wijlen prof. dr. H. Th. Obbink, die, bij de verschijning, deze jarenlange intense arbeid aldus waardeerde: , , Naar mijn overtuiging is deze Psalmberijming aangewezen het Nederlandse Psalmboek voor de tegenwoordige tijd te worden". Reeds in oct. 1936 bracht de minister van onderwijs, wijlen prof. dr. J. R. Slotemaker de Bruïne, een persoonlijk bezioek bij ds. Hasper, om van zijn belangstelling te doen blijken, , , nu er een nieuwe berijming der Psalmen op de oorspronkelijke melodieën op komst was". De minister noemde de vernieuwing van het psalmzingen in de Kerken en op de scholen van bijzondere betekenis, uit cultureel oogpunt. Deze uitspraak is des te merkwaardiger, omdat thans beweerd wordt, dat eerst de dichterpsalter 1959 aan z.g. culturele eisen beantwoordt, en wel wijl gemaakt door dichters van professie. (Hierover is dan wel het laatste woord nog niet gesproken) .

De minister van 1936 deed echter meer; riep een vergadering bijeen van hoofdambtenaren van zijn departement, met de inspecteurs van lager en middelbaar onderwijs. In deze vergadering werd ds. Hasper de gelegenheid geboden, een overzicht te geven van zijn arbeid, en van de nieuwe psalmberijming. , , De culturele betekenis van deze arbeid voor het gehele Nederlandse volk werd door de vergadering algemeen erkend" (aldus regeringspersverslag, febr. 1937). Regering besloot het werkmet ƒ3000, — te steunen 1).

Een en ander was blijkbaar niet naar de zin van de Commissie tot samenstelling van een nieuwe liederenbundel voor de Ned. Herv. Kerk. Men had zich immers tegenover ds. M. van Grieken verbonden inzake de oude Psalmbundel, en in het voornemen lag ook het geheim contract met Brandt van 15 juli 1937. De musicologische adviseur dezer commissie, prof. dr. K. Ph. Bernet Kempers zond namens de commissie een uitvoerig stuk aan de minister van onderwijs en dan ook naar de Synode, om mede te delen, dat het werk van Hasper , , een aanslag op dé muzikaliteit van ons volk" was, een , , muzikaal monstrum", dat, , vernietigd moest worden, opdat het niet vernietigend zou werken". Inmiddels had reeds Hasper, d.d. 28 dec 1936, samenwerking gevraagd met de Algemene Synode, en d.d. 29 dec. 1936 met de Commissle tot samenstelling van de nieuwe z.g. Herv. bundel. Beide gaven in 't geheel géén antwoord!

Hier staat tegenover, dat bij haar verschijning de berijming Hasper doelde in een golf van belangstelling en waardering, zowel van Herv. zijde als van die der Geref. Kerken. Dezerzijds bijv. mannen als prof. Obbink, dr. Callenbach, dr. Beerens (Utrecht), dr. Stam en ds. Visser (R'dam), dr. J. H. Gunning J. H.zn., dr. Terlaak Poot (Den Haag), ds. Dijkstra (A'dam), prof. Wagenaar (Leeuwarden) , ds. Coolsma (Groningen); ook prof. van der Leeuw had aanvankelijk een waarderend oordeel; in 1943 echter had dit zich aldus gewijzigd: „Er moet iets aan gedaan kunnen worden, om het werk van Hasper in de grond te boren" 2). 't Kan verkeren. Intussen nog dit: 8 organisten van Herv. kerken in grote steden melden zich begin 1937 tot de Algemene Synode, ten gunste van de berijming Hasper; in 1941 voerde de Indische Protestantse Kerk haar in, en in 1948 de Geref. Kerken in Indonesië de inmiddels gereviseerde berijming; en eender ook de Baptisten ten onzent. Dit geschiedde ook bij, het onderwijs in vele christelijke scholen (wellicht wat te vroeg) en kweekscholen.

Mij is niet bekend, wat de minister op het adres van dr. Bernet Kempers heeft geantwoord. Wel heeft ds. Hasper, d.d. 2 aug. 1938 aan de Algemene Synode nog aangeboden een , , proefbundel" samen te stellen, maar hij ontving geen antwoord! Ik probeerde telefonisch van ds. Landsman iets te vernemen omtrent tegenstand tegen en afwijzing van de berijming-Hasper, door de Synode in verschiillende jaren, maar hij zeide, dat hij, er niets van wist; de Handelingen konden er op nagezien worden.


1) Zie omtrent deze en andere acties Coolsma, a.w., , blz. 22, 1OO en Hasper, „Calvijns beginsel", enz, blz. 669, 570.

2) Hasper, a.w., blz. 660.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HEDENDAAGSE LITURGIE 19

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's