Uit de Pers
D e ni e u w e P s a l m b e r ij mi ng
Langzamerhand komt de discussie over de nieuwe psalmberijming op gang. Aangezien het hier om een zeer ingrijpende zaak gaat in het liturgisch leven van onze reformatorische kerken, is het noodzakelijk, dat wij ons op de hoogte stellen van de critiek der deskundigen op deze psalmberijming — het woord „critiek" dan genomen in de oorspronkelijke zin van het woord, d.i. beoordeling, die zowel positief als negatief kan zijn.
Een van deze deskundigen is dr. A. van Deursen, die door zijn grote kennis van land en volk van Palestina bij uitstek bevoegd is zijn oordeel over bovengenoemde berijming te geven. Hieronder volgen enkele beschouwingen, die de geleerde schrijver geeft in enkele achtereenvolgende nummers van
het , , Gereformeerd Weekblad", (Uitgave Kok te Kampen).
Hij schrijft dan:
Wanneer een berijming wordt gegeven, is het noodzakelijk dat in de psalmverzen wordt weergegeven, wat deze Bijbelse liederen zeggen. Nu is de beeldspraak in de psalmen ontleend aan het Heilige Land, aan de zeden en gewoonten van het volk Israël.
Deze beeldspraak moet ook uitkomen in de berijming. Wij willen enkele psalmverzen beluisteren, om na te gaan in hoeverre de beeldspraak tot zijn recht komt.
Mijn deel.
Psalm 73 : 26 luidt in de vertaling van het Bijbelgenootschap: al zou mijn vlees en mijn hart bezwijken, mijns harten rots en mijn erfdeel is God voor eeuwig.
In de Statenvertaling : Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid.
De tot dusverre gebruikte berijming heeft dit zo vertolkt:
Bezwijkt dan ooit in bitt're smart
of bange nood mijn vlees en hart
Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed
mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed
En de proeve van een nieuwe berijming :
Al zou mijn vlees en hart vergaan.
Toch zal ik God, voor U bestaan,
Wien ik mijn leven toevertr ouw,
Gij zijt de rots, waarop ik bouw.
Het is een van de meest geliefde psalmen. Luther vertaalde : Wenn mir gleich Leib und Seele verschmachten, so bist du doch Gott allezeit meines Herzens Trost und mein Teil.
Als wij nu een vergelijking maken, valt het ons op, dat de nieuwe berijming het woord „deel" heeft weg-gelaten. Wat is nu een deel ? Het woord deel betekent soms een gedeelte van de buit (Gen. 14 : 24, het aandeel der mannen die met mij zijn gegaan ; Numeri 31 vs. 36, het aandeel van degenen, die in de strijd uitgetrokken waren; 1 Sam. 30 : 24, het deel van wie bij het pakgoed blijft), een deel van de spijs (Hab. 1 : 16), door deze is zijn deel vet en zijn spijs overvloedig) ; maar met name ook een deel van het grondbezit (Joz. 14 : 4, men gaf aan de Levieten geen deel in het land ; Jozua 15 : 13, aan Kaleb gaf hij een deel in het midden der Judeeërs ; Jozua 19 : 9, uit het deel der Judeeërs was. het erfdeel der Simeonieten genomen. Het is bijzonder ook het stuk land, dat bij de verdeling door loting was aangewezen ; daarop wijst Psalm 16 : 5 :
O Here, mijn erfdeel en mijn beker.
Gij zelf bestendigt wat het lot mij toewees.
De meetsnoeren vielen mij in liefelijke dreven,
Ja, mijn erfdeel bekoort mij.
Een duidelijke zinspeling vinden wij ook in Deut. 32 : 9. Want des Heren deel is zijn volk, Jacob is het snoer Zijner erve. (Zo in de Statenvertaling; de vertaling van het Bijbelgenootschap heeft: Want des Heeren deel is zijn volk, Jacob het Hem toegemeten erfdeel).
Ook komt het naar voren in Jesaja 34 : 17, waar blijkt, dat deze gedachte van landverdeling door het lot en het verkrijgen van een deel, bij de profeet geliefd is : Hij toch wierp het lot voor hen zijn hand deelde hun het land toe met een meetsnoer.
Het , , deel" is dus de toegewezen akker. De boer, die dagelijks zijn deel bewerkt, wiens gedachten voortdurend bij zijn deel zijn, wiens geluk en welvaart afhangen van hetgeen zijn deel hem geven zal, hééft een innige band met zijn deel. Daarom getuigt het van een innige verbondenheid, van volkomen betrouwen, als de Psalmist God , , zijn deel" noemt, voor altoos en immer, in leven en sterven. Al zou mijn vlees en mijn hart bezwijken, mijns harten rots en mijn erfdeel is God voor eeuwig. (Ps. 73 : 26, of als de Statenvertaling , , mijn deel tot in eeuwigheid").
Daarom moet m.i. in de berijming ook de krachtige beeldspraak van dit deel uitkomen.
Bij' de berijming van de Psalmen is het moeilijk om de aardrijkskundige ligging, zoals deze in de liederen getekend wordt, goed weer te geven. Maar er zijn ilementen, die we toch gaarne horen in de liederen, die wij zingen.
Nemen wij als voorbeeld Psalm 87 : 1. De vertaling van het Bijbelgenootschap luidt:
Zijn stichting ligt op heilige bergen ;
de Here heeft Sions poorten lief.
Jeruzalem, de heilige stad, is., , gelegd op bergen, Hem gewijd". Inderdaad is het kenmerkend, dat het een dubbelstad is. In het oosten de Davidsstad en de tempelberg Sion. In het westen de bovenstad. Zo was het al in Davids dagen. Dat blijkt uit de overbrenglng van de ark naar Jeruzalem. Immers David riep geheel Israël samen te Jerusalem om de ark des Heeren te brengen naar de plaats, die hij voor haar had bereid. (1 Kron. 15 : 3). De Levieten droegen de ark Gods met draagbomen op hun schouders zij waren dus in Jeruzalem. En de ark was in het huis van Obed Edom (2 Sam. 6 : 11—13) ; deze woonde dus toen ook in Jeruzalem. Telkens als de dragers van de ark des Heeren zes schréden voortgetreden waren, offerde hij een rund en een gemest kalf (2 Sam. 6 : 13). Hieruit volgt, dat de afstand van het huis van Ebed Edom tot de Davidsstad klein was. Het huis van deze Gethiet moet wel buiten de Davidsstad gelegen hebben (2 Sam. 6 : 10, 12, 16), maar toch in de nabijheid. Obed Edom woonde in Jeruzalem, maar niet in de Davidstad; dat wijst op de westheuvel, die met de Davidsstad een dubbelstad vormde. De heilige stad is gelegen op bergen (meervoud). Dat bijkt ook uit Psalm 133 : 3 :
Het is als dauw van den Hermon,
die nederdaalt op de bergen van Sion.
De oude berijming luidt:
Z' is als de dauw, die Hermons kruin bedekt,
die Sions' top met vruchtbaar vocht besproeit
en op zijn bergen nedervloeit.
En de nieuwe berijming :
Als dauw is het, die ligt zo mild en rein
Op Hermons top en daalt op Sion neer.
't Wordt al een tuin voor God den Heer.
In de zomer heffen de verhitte maaiers in ieder veld hun harten naar Hermons sneeuw op; en de zware nachtdauw noemen zij zijn gift. De dichter ziet de dauw van de Hermon neer vallen op Sions bergen; de feestgangers, die in broederlijke trouw naar Jeruzalem trekken, ervaren, hoe het broederlijk samenzijn in de gemeente een bron is van vernieuwde levenskracht gelijk de frisse dauw de groeikracht van het gewas versterkt.
Zo leren de psalmen, dat Jeruzalem op meer dan éen berg gebouwd is ; ja Psalm 122 : 3 wordt wel vertaald : is gebouwd als een tweelingstad.
De tweelingstad omvatte twee territoria met verschillend karakter. De westheuvel had een agrarisch karakter; daar was een dorsvloer, die eerst aan Nachon (2 Sam. 6 : 6) later aan Kidon (1 Kron. 13 : 9) behoorde. Op de oostelijke heuvel was de tempel, het heiligdom, het sacrale terrein. De profeet Ezechiël waarschuwt, dat men toch vooral de grens niet uit het oog zou verliezen. Doordat zij hun drempel naast mijn drempel gezet hadden en hun deurpost naast mijn deurpost, zodat alleen de muur tussen Mij en hen was, verontreinigden zij mijn heilige naam. (Ezech. 43 : 8). Maar toch vormde de woonstad met het tempelcomplex een eenheid ; het geheel is door God verkoren : Zijn stichting ligt op heilige bergen (Ps. 87 : 1). En daarom meen ik, dat in de berijming gesproken moet worden van bergen en niet van berg in het enkelvoud.
Zijn stichting ligt op de heilige bergen; de Heere heeft Sions poorten lief. Het heeft Hem behaagd daar te wonen ; daaraan ontleent de stad het geheel enig karakter. De jubel in Ps. 135 : 21 heeft de tréffende peroratie :
Geprezen zij de Heere uit Sion,
Hij die te Jeruzalem woont. Hallelujah.
De nieuwe berijming geeft dit zo weer (Ps. 135 : 9) :
Looft Hem, die zijn naam belijdt
Hij woont bij ons. in gena
Prijs den Heer, halleluja.
En de oude berijming (Ps. 135 : 12) :
Sion looft met dankb're stem
God uw Heer, die eeuwig leeft
en het schoon Jeruzalem
door zijn woning luister geeft.
Looft Hem voor uw heilrijk lot,
Looft al juichend uwen God!
In de nieuwe berijming worden Sion en Jeruzalem niet vermeld als woonstede Gods, maar is de zin veranderd in : Hij woont bij ons in gena. Op zichzelf is dit een gelukkige waarheid, maar het wordt niet in deze Psalm gezegd.
Het blijkt dus, dat het nog niet zo eenvoudig is om een zodanige berijming tot stand te brengen, dat aan alle eisen, die aan haar gesteld mogen worden, wordt voldaan. Maar ook hier geldt het franse spreekwoord: „critiek is gemakkelijk, maar de kunst moeilijk". Het zal voor ons allen zaak zijn de nieuwe psalmberijming op haar waarde te toetsen. Nodig is ook, dat wij haar zingen. Hier ligt een schone taak voor onze gezinnen, onze verenigingen, en andere verbanden, waarin het christelijk lied gezongen wordt. Misschien kan er zo een communis opinio groeien over de al of niet bruikbaarheid van deze psalmberijming in de kerkdiensten. Want om dat laatste gaat het tenslotte.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's