De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

„Hebt gij het gezien, mensenkind?”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Hebt gij het gezien, mensenkind?”

8 minuten leestijd

„... en zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles, waarheen deze beek zal komen." (Ezechiël 47 : 9 slot).

Ezechiël moet aan het in nood en ellende verkerende volk Israël, in Babel in ballingschap, verkondigen dat de genade van God, dle in Woord en Geest tot de wereld komt, na de komst van Christus, als 'n wassende stroom voortgaat. Deze boodschap wordt de profeet in een visioen, medegedeeld. De Heere toont hem een tempel, die een bron van zegen voor het dorstende aardrijk is. Immers van onder de tempel, schieten levende wateren uit de tempel te voorschijn. Zij banen zich een weg naar buiten en het merkwaardige van deze beek is, dat naarmate zij zich verder van de tempel verwijdert, zij des te dieper wordt. Dit blijkt uit het resultaat van de metingen, die een engel met een meetsnoer verricht en de de profeet vergezelt op zijn tocht langs de beek. Aanvankelijk reikte het water tot aan de enkels, na nog duizend el kvam het tot de knieën, ja, tot het tenslotte boven zijn hoofd uitging en , , men door de beek zwemmen moest". Hoe het verder met die wateren ging horen we niet. We kunnen alleen maar vermoeden, wat een onpeilbare diepte ze hadden, toen ze eindelijk uitmondden in de Dode Zee. Het was voldoende, dat de profeet geconstateerd had, dat er groei en diepte was in Gods wateren. Hoe diep, dat kan geen mens peilen, want onpeilbaar diep zijn Gods gedachten. Wel moet de profeet zich over deze beek verbaasd hebben, want dit alles was zeer ongewoon voor een inwoner van Palestina. Regel was daar: hoe verder van de bron, hoe ondieper de beek, totdat zij geheel uitdroogde. Wat Ezechiël ziet is abnormaal. Het is dan ook de stroom van Gods Geest, die zich niet voegt naar de wetten van de natuur, maar die bovennatuurlijk is, en daarom ook het bovennatuurlijke doet. Vandaar dat de hemelbode aan Ezechiël vraagt: Hebt gij het gezien, mensenkind? De engel wilde elke twijfel aan de voortgang van Gods genade uit zijn hart wegnemen. De engel moest hem met dit visioen troosten, en met hem het ganse volk in ballingschap. En deze vertroosting hadden zij in hun omstandigheden bijzonder nodig. Want het scheen wel, alsof het met het oude volk gedaan was, of hun lot bezegeld was of ze zouden uitsterven in een vreemd land. Er was van dat volk immers niets meer over dan een handjevol ballingen in een vreemd land. Men moest haast wel denken, dat het werk des Heeren èèn grote mislukking was, en dat Zijn naam binnenkort voorgoed in de wereld zou zijn uitgeroeid. Zo was de bijna wanhopige toestand.

Maar de Heere laat Ezechiël in deze omstandigheden iets zien, om het volk te troosten, niet te doen wanhopen aan de daden des Heeren, die niet laat varen, wat Zijn Hand begon. Het is met Gods' Koninkrijk niet gedaan, maar de genadeheerschappij van de Heere zal zich verder uitbreiden, tot aan de einden der aarde. Het nieuwe Godsrijk, dat Ezechiël ziet, zal daar niet geïsoleerd liggen, midden in de wereld, maar het zal zijn invloed krachtig, niet te stuiten, doen gelden naar buiten. Het wachten was slechts op de Christus, die in het vlees zou verschijnen om het grote verzoeningswerk te volbrengen. En als vrucht van dat werk zou de Heilige Geest worden uitgestort in de gemeente, als een stroom van levend water, die in het hemels heiligdom ontsprong, en die door de prediking van Gods Woord al verder de wereld ingedragen zou worden.

Ezechiël en de zijnen stonden er vóór, wij staan achter de komst van Christus in het vlees en de uitstorting van de Heilige Geest!

De vraag van de engel komt echter ook tot ons allen. , , Hebt gij het gezien, mensenkind? ", n.l. hoe de wateren der genade sinds het eerste Pinksterfeest, een wassende stroom vormen, al verder de wereld in? Het begin was even nietig als in het visioen. Een kleine kring van twaalf apostelen, met een groepje mannen en vrouwen — dat waren de enigen in deze wereld, die de genade Gods in hun ziel ondervonden hadden (de wateren reikten, om het met de woorden van het visioen te zeggen, slechts tot aan de enkels!) Het geloof telde haast niet mee. Toen Petrus op de eerste Pinksterdag als prediker optrad, en in kracht des Geestes de waarheid Gods zonder aanzien des persoons verkondigde, werd het al anders. Er werden omtrent drie duizend zielen op die ene dag tot de gemeente toegedaan (de wateren reikten tot aan de knieën!) En ga zo maar door, bij elke bladzijde, die ge omslaat van het boek Handelingen, ziet ge het getal der gelovigen toenemen en wassen. De gemeenten door geheel Judea en Galilea werden gesticht en vermenigvuldigd: de wateren stegen steeds hoger. Straks breekt de stroom baan vanuit het Joodse land, en komt zo in Klein-Azië en bereikt het vandaar Europa, en ook ons land.

Het is met de stroom des Geestes inderdaad zo gegaan, zoals Ezechiël in het visioen  het heeft gezien. Het is een wassende vloed: ook ai is de afval groot in onze dagen, en keren vele gedoopten Christus de rug toe; daar is ook de zending nog onder de heidenen. Wat hier verloren gaat, wordt er daar weer bijgewonnen. Gods werk gaat niet ten onder en over Gods werk behoeven we ons niet ongerust te maken, het is veel beter dat we op onszelf acht geven. Want ook daar, in ons eigen hart, moet de genade ook wassen van de knie tot de lende,  en de stroom van Gods genade moet niet langs, u heengaan, maar door u heen. Steeds dieper moet het besef groeien, hoe groot mijn zonden en ellenden zijn, opdat de vloed van Gods genade in Jezus Christus steeds hoger in ons leven kome, en ten slotte ons overspoelde en zo de genezende en levendwekkende krachten worden gevoeld. Want de dorre vlakte, die zich uitstrekte tussen Jeruzalem en de Dode zee, krijgt in ons, visioen een geheel ander aanzien, wanneer de beek er doorheen gestroomd is. Aan beide oevers van de beek waren bomen in grote getale opgeschoten. Een beter bewijs voor de genezende en levendwekkende kracht van dit water is niet denkbaar. Zelfs de wateren van de Dode Zee worden gezond, zodat het er in begint te wemelen van de visi en het duurt niet lang, of vissers werpen hun netten uit om de geschubde buit uit de golven op te halen. Leven wordt gewekt temidden van de dood.

Zo herinnert de herschepping van de Dode zee vanzelf aan de levendwekkende kracht der genade, die in Woord en Geest tot de wereld der mensen uitgaat en daar zijn arbeid zal verrichten. Want dat hébben we te geloven, wanneer we goed onze tekst verstaan: het zal leven, alles, waarheen deze beek komen zal. Er staat niet, dat het kan, maar dat het zal leven. Uw God is groter dan uw geloof. Zijn genade deinst zelfs voor geen zoutzee terug, maar als de Heere het belieft, schept zij leven in een kring, waaruit de walm des doods tegen u opslaat, zoals dat met de Dode zee het geval is.

Dat geldt ook voor ons hart. We kunnen het vaak niet op elkaars gezicht lezen of onze ziel een rustpunt in Christus gevonden heeft. Maar toch komt de vraag tot ons, hoe het daar binnen in ons gesteld is. Heerst er de dood, of het leven dat uit God geboren is? Letten we op ons teksthoofdstuk!

De wateren uit ons teksthoofdstuk vloeien niet naar vruchtbare vlakten, maar naar de Dode zee: dat is immers het evangelie voor uw hart! Als we onze eigen dorheid maar kennen, en voor onszelf aanvaarden, — dan is er hope, en dan vloeien de heilige wateren juist naar uw kant. Dan stort de levenwekkende genade zich gaarne uit in uw hart. Want het Woord is waarachtig... het zal leven, alles, waarheen deze beek zal stromen.

De genade Gods zij dan overvloedig over u in leven en sterven en doe u wortelen in het Woord van God, en zij zo levendwekkend en genezend bezig met u. Maar door de kracht van het Evangelie worden we niet alleen nieuwe mensen, maar oefenen we ook een vernieuwende invloed uit op onze omgeving, zoals de tempelwateren de Dode zee veranderden in levend water. Zo moet de Dode zee van deze wereld de invloed ondervinden van haar contact met de tempelgangers, en laten we ons meevoeren op de stromen van kracht door deze wereld tot een levend getuige van Jezus Christus.

„Hebt ge het gezien, mensenkind? "

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

„Hebt gij het gezien, mensenkind?”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's