De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DORDTSE LEERREGELS

9 minuten leestijd

Hoofdstuk III en IV, art. I. De mens is van den beginne naar Gods Beeld geschapen, versierd in zijn verstand met ware en zalige kennis van zijn Schepper en van andere geestelijke dingen, in zijn wil en zijn hart met gerechtigheid; in al zijn genegenheden met zuiverheid; en is overzulks geheel heilig geweest. Maar door het ingeven des duivels en zijn vrije wil van God afwijkende, heeft hij zich zelf van deze uitnemende gaven beroofd, en heeft daarentegen in de plaats van die over zich gehaald blindheid, schrikkelijke duisternis, ijdelheid en verkeerdheid des oordeels in zijn verstand; boosheid, wederspannigheid en hardheid in zijn wil en zijn hart; mitsgaders ook onzuiverheid in al zijn genegenheden.

Boven het derde en het vierde hoofdstuk der Leerregels staat: , , Van des mensen verdorvenheid en bekering tot God en de manier van deze."

De totale verdorvenheid van de mens door zijn diepe val is een kenmerkend en zeer gewichtig stuk van de reformatorische belijdenis. Met deze verdorvenheid en de daaruit voortvloeiende toorn Gods hebben de Reformatoren geworsteld. Het gevoelen en beleven van de totale schuld en de algehele verdorvenheid maakte voor Luther de vraag steeds klemmender: hoe krijg ik een genadig God? Men zou kunnen zeggen, dal voor de moderne nieuwerwetse prediking van deze eeuw, de vraag naar een genadig God geen vraag meer is. Het is vanzelfsprekend geworden, dat God genadig is. Als men deze prediking hoort krijgt men ook niet de indruk, dat men in deze kringen zo lijdt en zo gebroken is door eigen verdorvenheid en schuld. Vandaar dat in de prediking en in de theologische onderwerpen heel andere vragen aan de orde komen dan bij Luther en Calvijn. De rechtvaardigmaking uit het geloof is vanzelfsprekend en de uitverkiezing is voor allen, want God heeft allen uitverkoren om de zaligheid te laten aanbieden. Bovendien doet de Almachtige bij dit aanbod zoveel van de Geest Gods, dat ieder de genade makkelijk kan aannemen. Met dat aannemen hébben velen dan ook niet de minste moeite.

Over de mogelijkheid van rampzalig worden hoeft dan ook niemand in te zitten, want dat is eenvoudig een onmogelijke mogelijkheid. Iedereen wordt zalig, tenzij, hij of zij helemaal niet wil, tot de laatste minuut toe niet. En dan is het nog de vraag of zo iemand niet zalig wordt, want allen zijn objectief met God verzoend. En meer is er toch voor de zaligheid niet nodig. Zo is de rechtvaardigmaking door en uit het geloof vanzelfsprekend gemaakt. Wat is dan voor de theologen van de nieuwe tijd in de plaats van de vraag naar de verzoening met God gekomen? Nu, dat is gemakkelijk te zien. De sociale vragen b.v. Daarom werd menige predikant lid van de P. v. d. A. Luther had gemeend, dat het ging om de gerechtigheid bestaande in de volkomen onderhouding van Gods geboden : de liefde tot God als hoofdgebod. Hij had deze gerechtigheid gevonden in Jezus Christus. Tegenwoordig is dit anders voor sommigen. Het is vanzelfsprekend dat de gerechtigheid in Jezus Christus is. Dat is geweldig. Maar dat weet nu eenmaal ieder. Van echt actueel belang is dat niet meer. Maar dat de gerechtigheid bij de P.v.d.A. is dat moet vandaag gepredikt worden. Daar moeten we voorts onze beste krachten inzetten om de vragen van meer welvaart en meer loon en minder arbeidstijd en verzekering van de wieg tot het graf op te lossen. Over zijn zonde hoeft niemand te tobben. De vraag naar de huurblokkering en naar de subsidie op de melk is veel belangrijker. En als u nog belangrijker vragen uit de sociale sector weet, voegt u die er maar bij. Doch het blijven alle sociale vragen.

De verzoening met God is niet meer het brandende probleem, dat de bekommerde christen dag aan dag doet zuchten. Men houdt niet eens van bekommerde christenen. Het is al te dwaas om jaren in bekommering te leven. Men is zelfs alleen tot in z'n grijze ouderdom bekommerd over het paradijs op aarde, dat men het koninkrijk noemt en dat al meer verbeterd moet woorden. Zo wordt een deelvraagje, tot de hoofdvraag gemaakt. Daarnaast zijn de politieke vragen. Deze voeren er soms toe om de verlossing te zoeken bij het communisme. Daar zal niemand zeggen, dat de politieke en sociale vragen niet belangrijk zijn. Maar vergeleken bij de werkelijke religieuse vragen verdwijnen zij in het niet. Doch de hoofdvraag meent men al te gemakkelijk voor ieder opgelost en nu wil men zelf deze door en door verloren wereld, die onder de toorn Gods ligt, en die veroordeeld is tot de ondergang, tot een hemels paradijs maken. Daar zijn echter nog twee belangrijke vragencomplexen. Het komt er voor velen weinig op aan, wat er precies gepreekt wordt. De vraag naar de zuiverheid der prediking is meer een vraag- of een prediking de natuurlijke mens boeit. Alles is goed wat maar boeit. Hoe groter de luisterdichtheid van een prediking van het I.K.O.R., hoe groter de zuiverheid. Het komt er op aan, dat men de mensen bereikt. Het doet er niet toe, waarmee men hen bereikt, tenzij men het zo erg maakt als dr. A. de Wilde. Maar dit werpt de regel niet omver: alles is goed, wat jeugd of wereld boeit. Maar de liturgische vragen, die zijn belangrijk. Men moet nieuwe formulieren hebben en een liturgisich centrum en de kerkdienst moet stijlvol zijn. En zo houden de vragen van de liturgie sommige gemoederen bezig en of een kerkeraadslid aan het H. Avondmaal komt. Het is echter heel niet belangrijk of dat kerkeraadslid de rechte prediking voorstaat en de Heere zoekt. Dat is vanzelfsprekend. Dat doet ieder lidmaat. De rechte liturgie is de hoofdzaak voor sommigen. Och neen, zegt een ander. Daar is zoveel liturgie. Voor deze tijd is echter de grote vraag: hoe krijgen we Roomsen en Grieksen en Lutheranen en Unitariërs en Remonstranten en Pelagianen en Menophysieten en vrijzinnigen en orthodoxen in één kerk? De waarheid is zeer gevarieerd, die zit in de kromste prediking nog wel. Doch de eenheid zie je, de eenheid, de oecumene, dat mooie woord, dat smelt op je tong,  daar gaat het om. Heerlijk die oecumenè. Servet moet je niet buiten de kerk zetten, doch vicevoorzitter maken van de Oecumenische Wereldraad en voor het I.K.O.R. laten preken. Dat is het echte christendom. Zo maakt men op allerlei wijzen van bijzaken de hoofdzaak maakt, moet de H. Schrift gewrongen worden in het nieuwe systeem. Onderwijl is het lijden en sterven van Jezus Christus en de verzoening met God vanzelfsprekend geworden en wordt over de wedergeboorte en de bekering tot God weinig of niet gesproken. De bekering tot een kerk is voldoende of anders tot een luisterclub of een vrouwenclub. In al haar naïviteit zei die vrouw het zo onthullend, wat in het nieuwe christendom leeft, die voor de radio sprak op Hemelvaartsdag. Zij was door een club tot het geloof teruggekeerd, dat zij enigszins verlaten had. , , Maar, " zeide ze, , , m'nheer u moet niet denken, dat ik ooit iets gedaan heb, wat ik niet doen mocht". Zo zijn er velen. Zij hebben nooit iets gedaan, wat zij niet doen mochten. Of zij vinden ook dit vanzelfsprekend. Het verbrijzelt hun geest niet. En wat betekent dan voor hen de genade? De genade is een vanzelfsprekendheid. Aan deze dingen gaat de kerk van onze tijd te gronde en niet alleen de Hervormde Kerk: aan de vanzelfsprekendheid van de genade en aan het zoeken van het weren van de christelijke religie in politieke en sociale en oecumenische en liturgische vragen.

Ons eerste artikel begint met de schepping naar Gods beeld. Ik meen, dat door menigeen deze bestaande schepping is losgelaten en daardoor ook de historische val. Maar men vergeet, dat heel het werk van Christus waardeloos is en geen zin heeft, als God de mens niet goed heeft geschapen. Welk recht zou de Rechtvaardige hebben om van de mens de onderhouding van Zijn Wet te eisen en hem met de dood te straffen als God hem boos en verkeerd geschapen heeft? Al te gemakkelijk heeft de gedachte ingang gevonden, die men ook bij Karl Barth vindt, dat de zonde reeds met de schepping is gegeven. Is God dan niet onrechtvaardig als Hij toorn over ons brengt? Wanneer de Hervormde Kerk in gemeenschap met de belijdenis wil handelen en preken en catechiseren zal zij zulk onderwijs met een krachtig getuigenis moeten bestrijden en allen, die zulk onderwijs geven, persoonlijk vermanen. Daar kan zij, voorlopig mee beginnen. Met kracht poneren Catechismus, Belijdenis en Leerregels; dat God de mens goed geschapen heeft. Hij gelijkt op God. Dit heeft niet alleen betrekking op zijn ziel. Artikel 1 zegt, dat de mens naar Gods beeld is geschapen, gelijk ook Genesis 1 : 27. Het beeld Gods gaat niet om buiten het lichaam. Het lichaam is geenszins een kerker der ziel, maar ziel en lichaam zijn op elkander aangelegd. Dat beeld Gods is 's mensen wezen en bestemming. Artikel 1 spreekt van de kennis, gerechtigheid en heiligheid als het wezen van het beeld. De catechismus zegt, dat daarin de bestemming van de mens gegeven was nl. dat hij God recht zou kennen, liefhebben en prijzen. De mens is naar het beeld Gods, d.i. goed geschapen, zodat hij met zijn wil in alles kon overeenkomen met Gods wil. De mens had een verstand om Gods openbaring te verstaan, een wil om voor Gods geboden te kiezen en een gevoel om heiligheid te begeren.

Artikel 1 acht de val van de mens verschrikkelijk, omdat de mens met zulke uitnemende gaven was versierd. De Remontstranten achtten de val heel niet zo verschrikkelijk. Als men zich van de leer der kerk rekenschap geeft, merkt men hoe alles met elkaar samenhangt. De geringste afwijking in één bepaald stuk, sleept andere afwijkingen mee. Men kan bijvoorbeeld de verkiezing niet goed belijden als men de verwerping op een verkeerde manier belijdt. Zo kan men de val niet recht belijden, wanneer men afwijkende meningen heeft over het beeld Gods en omgekeerd. De Remonstranten spraken niet over gerechtigheid enz. Volgens hen bestond het beeld Gods slechts hierin, dat de mens heerschappij, had over andere schepselen. Daarom verwierp de Dordtse synode de dwalingen van hen die leren: , , Dat de geestelijke gaven of de goede hoedanigheden en deugden, als daar zijn: goedheid, heiligheid, rechtvaardigheid in de wil des mensen, toen hij eerst geschapen werd, niet konden zijn, en dat zij diensvolgens in de val daarvan niet hebben kunnen gescheiden worden." We hopen op de rechte belijdenis van het beeld Gods nog- terug te komen. 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's