Uit de Pers
Reeds een en andermaal is in dit blad geattendeerd op enkele recente uitspraken van vrijzinnige theologen betreffende een van de hartaders van het belijden van de christelijke kerk: het lijden en sterven van Christus en de verzoening in en door Hem. Vooral een artikel van prof. Smits in „Kerk en Wereld" van 27 maart over de vraag: „Waarvoor stierf Jezus? " heeft veel stof doen opwaaien, voornamelijk in het blad „In de Waagschaal".
't Is bekend, dat ds. Buskes in laatstgenoemd blad met alle passie, hem eigen, is opgekomen voor het belijden der kerk. Wij zijn hem dankbaar, dat hij met klem van argumenten het indiscutabele indiscutabel is blijven stellen. Zijn reacties droegen het karakter van een geloofsgetuigenis.
In „In de Waagschaal" van 23 mei j.l. schrijft ds. L. Nieuwpoort eveneens over deze zaak. Uitermate scherp reageert ook hij. Vanwege de belangrijkheid van zijn artikel laten wij dit hier nagenoeg in zijn geheel volgen.
Deze zaak mag in geen. geval met een sisser aflopen. De onrust die ze verwekt heeft moet tot een duidelijke scheiding der geesten worden en niet door de tijd onder een domper geplaatst worden. Als de kerk dit geschrijf niet duidelijk en onomwonden veroordeelt met een judicium waardoor iedereen kan weten, dat het binnen een Christus belijdende kerk geen plaats en geen ruimte mag hébben, dan zou ons waarachtig niets anders overblijven dan .... horribile dictu! .... te gaan doleren!
Nu eerst mijn vragen.
Ik zeg bij voorbaat dat het geen vriendelijke vragen zijn. Ze zijn beslist niet vriendelijk bedoeld! Ik geloof dat het, gezien het verloop der dingen in de kerk na 1945 meer dan tijd wordt om de vriendelijkheden te laten varen en ons te richten op de waarachtigheid.
En nu mijn vraag zelf: In hoeverre is dr. Smits in de kring der vrijzinnigen het , , enfant terrible", dat er in onbedachtzaamheid uitflapt, wat ook leeft bij de bedachtzamen, doch dat ze uit bedachtzaamheid liever niet gezegd willen hebben? Hoe vaak klinkt in de vrijzinnige prediking iets door van het Paulinisch Christusgetuigenis? Ik weet het niet! Ik kan het niet beoordelen! Maar ik vrees! Een zeer goedwillend, ruimdenkend rechtzinnig christen, geen theoloog, maar een man voor. wie ik veel eerbied had, klaagde eens van de vrijzinnige predikers, bij wie hij toch nooit uit de kerk wegbleef: , , Wat ze zeggen is wel waar, maar ze zeggen zoveel niet, dat ook waar is!"
Goed, ik kan me voorstellen dat iemand niet in staat is zelf door te geven, wat men zich niet geestelijk eigen gemaakt heeft, noch heeft kunnen maken. Maar dat is wat anders dan Smits doet: het als waardeloos aan de kant schuiven. Wanneer prof. Smits in dit geschrijf door de vrijzinnigen niet onvoorwaardelijk verloochend wordt, niet slechts om de aanstotelijke en hautaine vorm er van, maar vooral om de zakelijke inhoud, dan zie ik niet in, welke grondslag voor gesprek en samenleving er nog overgebleven is. Men kan prof. Smits niet zonder meer laten begaan en toch blijven leuren met , , de geest van gemeente-opbouw!"
Toen Gemeente-opbouw begon, was er toch ook zoiets als een communis opinio, dat er in een Christus belijdende kerk boven alle belijdeniskramp en alle belijdenisverachting uit, zoiets is als een , , indiscutabel minimum".
Waarin ligt in het geschrijf van prof. Smits de voor ons onverteerbare kern? Ik meen dat dit noch door Buskes noch door Callenbach met voldoende duidelijkheid naar voren gebracht is. Ze ligt hierin, dat wij, volgens prof. Smits niet weten, waarvoor Jezus Christus gestorven is. We weten niets van de heilsbetekenis van Jezus' dood. Dat moet men goed op zich laten inwerken!
Prof. Smits ontkent niet het historisch feit van Jezus' dood. Het was een vrijwillige , , , vreemde" dood. Hij ontkent ook niet zonder meer de heilsbetekenis van Jezus' dood. Maar hij ontkent dat wij daarvan iets met zekerheid weten. Jezus heeft er immers zelf niets van gezegd. De evangeliën — als puur-historisch gelezen documenten geven geen uitsluitsel. We staan volgens hem voor een van de vele onbegrijpelijke raadselen van het historisch gebeuren. Naar de zin er van moeten we maar raden! Wat Paulus er van zegt is constructie, fantasie en voor ons , , erledigt"! Wat Jezus zelf er — vermoedelijk — van gedacht heeft, heeft voor ons geen waarde. Ieder mag er dus het zijne van denken. Het is een raadsel, waarnaar ieder op zijn eigen manier mag gissen. Zelf doet hij ook een gooi naar de zin van Jezus' vreemde dood. Maar, met alle respect voor 's mans geleerdheid, dat is natuurlijk pure duimzuigerij. Hij meent het misschien indirect uit de bijbel zelf af te kunnen leiden. Maar hij kan geen woord' uit de bijbel aanvoeren om het waar te maken. Feitelijk zou iemand, die zou beweren dat Jezus gek geweest is om vrijwillig deze vreemde dood te kiezen, ook wel gelijk kunnen hebben. Niets verhindert om dit historische raadsel als waanzin en zelfmoord te beschouwen. We weten er immers toch niets van. We zijn aangewezen op ons eigen gissen en raden. Ieder kan het „duiden" zoals men wil.
Alleen vraag je je dan af, waarom we er ons dan nog druk om zullen maken. Als we toch niets kunnen weten aangaande heilsbetekenis van Jezus' dood. Wat hebben we aan gissingen, vermoedens?
Als Paulus' getuigenis als „constructie" verworpen wordt op grond van het feit, dat die toch ook maar op gissingen en vermoedens berust, welke waarde heeft dan wel een constructie van prof. Smits?
In zekere zin heeft prof. Smits gelijk als hij beweert dat we uit de evangeliën niets vernemen omtrent de heilsbetekenis van Jezus' dood. Maar daarom is het gebeuren van de kruisdood nog geen historisch raadsel, waarvan de duiding en de uitleg aan onze eigen willekeur en fantasie overgelaten is „en waaraan men desnoods met evenveel recht ook wel alle heilsbetekenis kan ontzeggen. Maar dan is het juist van des te meer belang dat het Paulinisch getuigenis daarvan onverkort gehandhaafd blijft. Men kan er zich wel aan ergeren, zoals reeds zovelen zich er aan geërgerd hebben en zoals ook prof. Smits zich er blijkbaar aan ergert, maar men kan het eenvoudige feit niet wegdenken dat Paulus nu eenmaal in het N.T. de apostel bij uitnemendheid is, om met Noordmans te spreken: de apostel van de Geest genoemd kan worden, dat het N.T. overwegend , , Paulinisch" is en dat er factisch geen ander evangelie is dan het evangelie van kruis en opstanding zoals Paulus het verkondigt. Daarom is het rondweg een leugen, dat wij niet weten, waarom Jezus Christus gestorven is. We weten het wel. De Kerk heeft het altijd geweten. De Kerk staat en valt met dit weten. Hier wordt niet slechts een modus van de openbaring van het heilsgeheimenis aangetast. Hier wordt het heilsgeheimenis zelf geloochend.
Toen ik het geschrijf van prof. Smits las, vroeg ik me ontsteld af: maar als dat waar is dan is er geen evangelie meer. Wat hij er zelf van maakt is geen evangelie doch je reinste filosofische speculaties over , , vrijwillige offers van de besten der mensheid", die geen draad samenhang hébben met het bijbels getuigenis. En voorzover ik er iets van begrijp ook niet de minste waarde, omdat men van de betekenis van Jezus' dood immers niets kan weten. Men moet er immers maar naar raden en gissen.
Maar als dat waar is, dan heb ik 30 jaar lang op de kansel de levenden maar wat staan wijsmaken en aan de ziekbedden de stervenden met een kluitje de dood laten ingaan! Wat heb ik dan nog te prediken? Waarom vier ik dan nog het H. Avondmaal? Want ik heb nooit anders geweten en ik wil nooit anders weten en de kerk heeft over Jezus Christus nooit anders geweten, dan dat Hij gestorven is voor onze zonden. Als dat niet waar is dan is er geen waarheid meer!
Daarom nog een vraag aan de vrijzinnigen: heeft men er wel enig idee van, waar het hier voor ons, rechtzinnigen, om gaat? Beseft men wel, hoe hier in de rechtzinnige ziel gesneden is? Hier staan en vallen we. Als Jezus Christus niet gestorven is voor onze zonden naar luid van Paulus' getuigenis uit Romeinen, dan zijn we nog in onze zonden, dan is onze prediking ijdel, dan is ijdel ons geloof, dan zijn we valse getuigen van God geweest. Dan zijn we verloren!
Van de Generale Synode verlangen we dan ook, neen eisen we, dat ze op zo kort mogelijke termijn, in een zo duidelijk mogelijk judicium prof. Smits zal weerspreken en dat zou dan minstens moeten uitlopen in ongeveer deze formulering. Daarom, ieder die beweert dat wij niet weten waarvoor Jezus Christus gestorven is .... anathema sit!
Neen, dit artikel is niet met vriendelijkheid geschreven. Ik erken dat het ook niet geschreven is „sine Ira et studio". Die mogen in filosoficis hun goed recht hebben. H I E R N I E T!
Dan maar weer terwille van de waarheid en terwille van het heil der zielen de hele richtingsstrijd opnieuw begonnen, als het hier niet tot klaarheid en waarachtigheid komt!
Dit is klare taal, voor geen tweeërlei uitleg vatbaar. In onze moderne twintigste eeuw moeten velen niets meer hebben van de zg. „rabies theologorum" (de razernij der theologen). „Verdraagzaamheid", d.i. het modewoord. Maar in „heilige rabies" schreef de apostel Paulus, toen het ten diepste om dezelfde dingen ging: „Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit de hemel u een evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben .... die zij vervloekt" (Gal. 1 : 8). Ditzelfde woord van de apostel geldt heden nog, al klinkt het dan ontzaglijk scherp. En wee de kerk, die hiermee geen diepe ernst maakt. Zij zou haar bestaansrecht verliezen.
Het geschrijf van prof. Smits heeft vanzelfsprekend ook reacties gewekt in kerkelijk geref. kring. En het is niet zo verwonderlijk, dat prof. Bakker in het , , Gereformeerd Weekblad" (uitgave Kok in Kampen) zijn commentaar op deze discussie aldus besluit:
Het is niet zo vreemd, dat ds. Nieuwpoort, die men zeker niet van overdreven voorliefde voor de Geref. Kerken en haar theologie en tucht kan beschuldigen, in het begin van zijn artikel uitroept, dat als hier geen veroordeling voluit, onomwonden en zonder franje, slechts de weg van de doleantie overblijft. Ook al wordt deze uitroep begeleid door een , , horribile dictu", waaruit de afschuw over deze laatste mogelijkheid zichtbaar wordt, toch staat het er zo. We willen niemand annexeren, maar zeggen we te veel, wanneer we in deze roep om het indiscutabele in de kerk ook als zodanig te handhaven de diepste motieven én van Afscheiding én van Doleantie herkennen. Begrijpt men als Hervormden niet, dat dit geschrijf van prof. Smits een herhaling is, tot in de hautaine toon toe, van wat in de negentiende eeuw ons tenslotte eruit gedreven heeft? Omdat géén kerkelijke instantie te vinden was, die méér deed dan zeggen: jongens, moet dat nu zo? Wij als Gereformeerden zullen toen wel te snel , , indiscutabel'" geroepen hebben, maar is het vreemd na alles wat jarenlang weersproken, ontkend, uiteengescheurd en belachelijk gemaakt was? Mij dunkt, dat het stuk van ds. Nieuwpoort aantoont, dat Afscheiding en Doleantie niet voortkwamen uit de een of andere heilige-gemeente- of wedergeboorte-theologie, maar uit het diep christelijke verlangen, dat het kerkelijk ja ook ja zou zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's