De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HEDENDAAGSE LITURGIE 21

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HEDENDAAGSE LITURGIE 21

11 minuten leestijd

Na die bedenkelijke vergadering van de Raad voor Kerk en Eredienst op 5 maart 1948, waarin het schrijven van Comité Kerkzang brutaal en revolutionnair was genoemd, en tenslotte ds. Zeydner en prof. Van der Leeuw Muus Jacobse (prof. Heeroma) naar voren wilden schuiven voor een nieuwe opdracht, is het moderamen der Hervormde Synode er nog toe overgegaan een samenspreking te vragen met het moderamen van de Synode der Geref. Kerken, die toen te Eindhoven vergaderde. Op 27 april heeft deze plaats. Doch wat wilde men dan nu? Ds. Zeydner bleek nog vol , , schrik" te zijn, wegens die brief van Comité Kerkzang, maar dr. Gravemeijer (in 1940 ter predikantenvergadering liturgisch tegenvoeter van ds. Zeydner) stelde voor, dat men nu toch onmiddellijk zou beginnen de revisie van Haspers' berijming (die van 1946) ernstig te bestuderen. En dr. Schroten deelde mee, dat 91 ex. waren aangevraagd ten behoeve van alle leden van de Raad voor Kerk en Eredienst. Dr. Emmen wilde een gezamenlijke studiecommissie. Van Geref. zijde werd te kennen gegeven: , , Wij zijn bereid u op de hoogte te houden en een samenvatting te geven van de reacties in onze kerken op de proefbundel en zullen ook gaarne wederkerig uw critiek op deze bundei vernemen".

Van beginnen met een schone lei was dus geen sprake.

Ongerust geworden door een en ander, kwam nu de volgende stap van de Stichting Psalmgezang, in overleg met de commissie van deputaten der Geref. Kerken. Zij nodigde allen uit, die de vergadering van 27 april hadden bijgewoond en vele anderen, tegen 25 juni 1948. Van de 60 genodigden waren 33 aanwezig, ook prof. dr. G. J. Thierry, voorzitter van de Adviescommissie uit het Ned. Bijbelgenootschap (en die in een brief van 19 april 1948, aan Stichting Psalmgezang, de berijming 1948 (revisie van 1936) in hoge mate geschikt verklaarde.1) Bij de bespreking kwam ds. C. B. Burger (vrijz.) op voor Muus Jacobse. Dr. De Bondt (Geref.) echter verklaarde, dat hij Muus Jacobse zijn opvattingen al eens had horen uiteenzetten, en dat de Geref. Kerken een , , vrijheid van inspiratie en een niet-gebonden zijn aan de Bijbel" niet kunnen toelaten." 2) Ds. Munnik, de voorzitter, gaf nog een uitvoerige uiteenzetting van het werk der Stichting, en sprak de wens uit, dat niet alleen de Geref. Kerken in 1949 een nieuw Psalmboek in gebruik zouden nemen, maar dat de Herv. Kerk zich daarbij zou aansluiten.

Dat dit laatste heel niet in de bedoeling lag van het moderamen der Herv. Kerk en van haar Raad voor Kerk en Eredienst, was reeds uit verschillende samensprekingen te gevoelen geweest. Ik verzuimde nog mee te delen, dat ter vergadering van 27 april 1948 door het moderamen van de Herv. Synode was beloofd, dat het Psalmboek 1948 ernstig zou worden bestudeerd. Door dit moderamen (niet door de Synode zelve) was nu een commissle benoemd, bestaande uit: prof. dr. G. van der Leeuw, ds. C. B. Burger, prof. dr. K. H. Miskotte, ds. F. H. Landsman, dr. H. Schroten, prof. dr. W. A. P. Smit, prof. dr. Th. C. Vriezen en Adr. Schuurman. Ook waren toen al stemmen opgegaan, voor een interkerkelijke commissie, al was die van 1946 mislukt. Bedoelde commissie Van der Leeuw echter, kon, naar de uitlating van haar voorzitter, 5 jaar geleden: het , , in de grond boren van het werk van Hasper", weinig goeds voor dit werk doen verwachten. Zij nam dan ook geen enkel contact op, noch met deputaten der Geref. Kerken, noch met Stichting Psalmgezang, noch met Comité Kerkzang, noch met de Adviescommisisie van het Ned. Bijbelgenootschap, die alle bij de berijming Hasper 1948 geinteresseerd waren, en daarom ook niet met de auteur zelve, die men toch minstens vragen had behoren te stellen; vooral, omdat deze, op verzoek der Geref. Kerken, nog een en ander had gewijzigd, zodat straks van de berijming 1949 zou kunnen gesproken worden; die dan ook op 22 september van dat jaar officieel door de Synode der Geref. Kerken is aanvaard. (Hierop kom ik nog nader terug.)

Commissie Van der Leeuw ging dus haar eigen weg. Het waren nagenoeg allen tegenstanders van Hasper. In 9 maanden liet men niets van zich horen. Maar in januari 1949 kwam een rapport gereed van 28 gedrukte bladzijden. Toen speelde zich het volgende af. Omdat de commissie slechts door het moderamen was benoemd en niet door de Generale Synode, moest deze nog haastig tot benoeming komen. Dit geschiedde op 13 januari 1949. De toen pas wettig fungerende commissie diende al de volgende dag haar rapport bij de Gen. Synode in en de Synode verenigde zich even spoedig met de conclusie van het rapport, strekkende tot verwerping van de berijming 1948, (men vond het niet eens nodig, om de revisie 1949 af te wachten of daarnaar te informeren), terwijl ook geen der Synodeleden tijd heeft gehad, om het rapport te bestuderen. Doch de Synode nam de conclusie aanstonds in beginsel aan. Het is toch bevreemdend, dat al de leden der Synode zich eigenlijk figuranten deden maken. Maar de zaak had haast. Ergo: de berijming Hasper was onaanvaardbaar verklaard. Doch zomin de deputaten der Geref. Kerken, als het moderamen hunner Synode waren hiervan op de hoogte gebracht. Zij moesten het uit de courant vernemen. Waartoe toch zulk een onwellevendheid?

Toch kon men het zo niet laten, naar de afspraak van 27 april 1948. De Raad voor Kerk en Eredienst nam de zaak in handen. Bestelde een vergadering tegen 21 februari 1949, van 9 Herv. heren en 6 van de Geref. Kerken (deputaten en het moderamen der Synode). Dit was, om deze laatsten voor een feit te zetten, zodat ds. Zeydner dit dan ook maar deed, door mee te delen, dat de commissie-Van der Leeuw 60 psalmen had , , bestudeerd", en in haar rapport tot de conclusie was gekomen, die door de Synode was aanvaard, „dat het werk van ds. Hasper zelfs als uitgangspunt voor de Herv. Kerk (bedoeld is de Synode, want dat is niet hetzelfde, Br.) onaanvaardbaar was". Teleurstellend bericht, liever: bittere pil voor de heren der Geref. Kerken. Doch deze werd aanstonds door ds. Zeydner verguld in de man of meer komische toevoeging: , , Deze hindernis op uw weg is eigenlijk een voorrecht". Uit de tegenslag voor u wordt misschien wel een werk geboren, dat wij gemeenschappelijk ondernemen".

.Grote verbazing bij de afgevaardigden der Geref. Kerken, die zich overrompeld gevoelden. Zij herinnerden er aan, dat de Herv. critiek over berijming 1948 ter hunner kennis gebracht zou worden, hetgeen niet was geschied, en ook, dat men slechts in last had aan de Geref. Synode een revisie van de berijming 1948 aan te bieden, waaraan gewerkt werd, en dat, als de Herv. Synode hier geen gehoor geeft, men op zijn eigen weg zou moeten doorgaan. Volgens ds. Zeydner was het rapport Van der Leeuw strikt vertrouwelijk en voor , , intern gebruik". Dit had men echter te voren aan de Geref. heren behoren te overleggen. Het kwam echter niet voor de dag, er werd geheimzinnig mee gedaan. Tenslotte werd de aandrang te groot, en las ds. Zeydner dan het algemeen gedeelte er uit voor, waarin stond, dat de commissie de Herv. Synode , , -moest ontraden deze proeve (n.l. van Hasper) als psalmboek in te voeren, of als grondslag van een herziening te aanvaarden". Blijkbaar had men gedacht, dat de Geref. deputaten voor deze algemene argumentatie wel zouden gezwicht zijn, en zich op de weg van een totaal andere berijming zouden laten drijven. Doch, alles in aanmerking genomen, gevoelt ieder, dat op deze wijze alleen maar het onderling vertrouwen was geschokt. Vandaar, dat het , .interne rapport" toch maar, op hun verlangen, , aan de Geref. deputaten ter bestudering werd gegeven. Op 4 april 1949 zou men dan in dezelfde samenstelling opnieuw vergaderen, en vóór dien, zou dan het oordeel der deputaten over dit rapport worden ingediend. Zij zonden dit in, d.d. 26 maart 1949, bevattende 12 punten 3), waarvan als voornaamste: dat niet voorbijgezien mag worden, dat, al is de berijming 1948 nog niet in haar tegenwoordige vorm geschikt, die van 1949 de bezwaren ondervangt; dat de Geref. Synoden van '43, '46, '47 en '48 immer de berijming Hasper als uitgangspunt namen; dat deputaten ter Synode van augustus 1949 het in bewerking zijnde Psalmboek in eindredactie hebben aan te bieden; dat zij derhalve niet vrij zijn, om met de Ned. Herv. Kerk te onderhandelen over een geheel nieuwe opzet 4); dat het rapport Van der Leeuw meer afwijzend is uitgevallen dan de gedane opmerkingen zouden doen verwachten, en het een open vraag blijft, waarom men niet de Psalter 1948 tot uitgangspunt heeft willen aanvaarden; dat deputaten en Stichting Psalmgezang gaarne aan hun Synode een tiental psalmen zouden willen aanbieden vanwege de Herv. Psalmencommissie, om, als de proefbundel 1949 mocht worden verworpen, deze Synode in de gelegenheid zou zijn het advies der Kerken in Nederland en Indonesië daarover in te winnen; maar dat het dan nog volstrekt onzeker is, of wel een betere berijming van 150 psalmen ter tafel gelegd zal kunnen worden; dat een nieuwe psalmberijming ook niet op bestelling kan worden geleverd; dat de berijmingen van Datheen, Utenhove en Marnix evenzeer als die van Hasper uit persoonlijk initiatief zijn geboren; dat zelfs de nieuwe Bijbelvertaling, niet van het initiatief der Kerken is uitgegaan; dat alsnog in overweging wordt gegeven aan de Gen. Synode der Ned. Herv. Kerk, „om deel te nemen aan het interconfessionele werk, dat in verschillende Kerken hier en in Indonesië zijn voltooiing nadert, ten einde nog alle opmerklngen ter verbetering overwogen zouden kunnen worden".

Toen kwam de conferentie van 4 april 1949. De tegencritiek van deputaten en Stichting — zo wordt gemeld — werd daar in goede harmonie besproken. Ds. Zeydner erkende echter „volmondig", dat de Herv. commissie nog niets ter tafel had gelegd. Dus ook geen 10 berijmde Psalmen. Dit werd blijkbaar een man als dr. Wesseldijk (Herv.) te benauwend. Hij stelde voor, dat de Herv. Synode straks in mei een ander besluit zou nemen dan in januari. Hij stelt verder voor, , , dat men zal komen tot een gelijkluidend advies aan de Herv. Synode in mei en aan de Geref. Synode in augustus". De vergadering geeft zelfs tekenen van instemming, en eenparig wordt besloten, dat een voorstel-Wesseldijk in concept zal worden geformuleerd en aan de deputaten der Geref. Kerken toegezonden, opdat daaruit een redactie moge ontstaan, waar belde groepen achter kunnen staan. De gereformeerden verlaten de vergadering. Maar er komt géén concept. 5)

Wat dan wél? 't Was toch afgesproken. Geen concept, maar een voorstel, reeds de andere dag, 5 april, door het moderamen der Herv. als definitief (beslissend) geformuleerd, en dat men 5 weken verborgen heeft gehouden. Eerst de 11e mei (vlak voor de vergadering der Herv. Gen. Synode) kregen de de­putaten en de Stichting Psalmgezang het voorstel thuis, waarvan inhoud in strijd was mét de afspraak en zelfs met de waarheid. Er wordt nl. in gezegd, dat de deputaten der Geref. Kerken zich er op 4 april mee verenigen konden, dat men wederzijds deputaten benoemde, om dan na augustus 1949 6) zitting te nemen in een interkerkelijke psalmencommissie; eveneens, dat daarom van Geref. zijde aan de Synode der Geref. Kerken zal worden voorgesteld, het Psalter 1949 alleen vrij te geven voor gebruiik in geizin en school, maar nog niet voor gebruik in de eredienst.

Genoemde deputaten stonden voor de derde maal voor een fait accompli. Ze zijn geheel onsteld, telefoneren elkander en komen even haastig samen in Amsterdam. Twee dagen later moest er bericht zijn op 't Synodegebouw en in de Ernst Sillemhoeve. Het antwoord kon niet anders luiden, dan dat beide delen van het Herv. voorstel eenzijdig door het moderamen zijn vastgesteld, nadat de deputaten reeds de vergadering hadden verlaten. Zij wijzen dus af, dat zij zich daarmede zouden verenigd kunnen hebben. Men heeft van het moderamen geen antwoord ontvangen en ook geen verontschuldiging. Eerst later is mondeling aan twee leden van het moderamen der Generale Synode van de Geref. Kerken meegedeeld, dat de Herv. Synode in mei 1949 het in bewerking zijnde Psalmboek had verworpen, dus voor de tweede maal. Dit was wel een smadelijke behandeling door een kleine groep Hervormden, die hun eigen kerk daarover nimmer hadden gehoord. Dit is voorts zeker ook onchristelijk te noemen. Maar, een doolhof van besprekingen liet niets anders vermoeden. Beginsel tegenover beginsel.

Toen heeft uiteraard de Gen. Synode der Geref. Kerken te 's-Gravenhage de Psalter 1949, op 22 september 1949 definitief goedgekeurd en aangenomen. De Herv. Synode berichtte toen, dat het die aanvaarding betreurde, van haar kant begrijpelijk; zij had dit immers willen keren. En ook is te begrijpen, dat op donderdag 13 april 1950 in de Oostelkerk te 's-Gravenhage vanwege de Geref. Kerken een dankstond is gehouden, onder leiding van dr. J. Hoek, praeses der Synode. 7) Maar die danktoon is helaas verstomd. Daarover een volgend maal.


1) Coolsma, a.w., blz. 149, 150.

2) Coolsma, a.w., blz. 114—116.

3)Het gehele rapport, zie Coolsma, a.w., blz. 120—124.

4) Helaas, dat twee deputaten, in 1952 - hiermee in strijd gingen handelen en de Synode van Leeuwarden dit dekte.

5) Coolsma, a.w., blz. 30-33.

6) Dus de Geref. Synode van augustus 1949 werd aldus belet de psalter 1949 van ds. Hasper aan te nemen; toch is dit geschied.

7) Zie „Doe Recht", van ds. H. Hasper, I958, blz. 13.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HEDENDAAGSE LITURGIE 21

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's