De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DORDTSE LEERREGELS

10 minuten leestijd

Hoofdstuk 3/4 Art. 1. De mens is van den beginne naar Gods Beeld geschapen, versierd in zijn verstand met ware en zalige kennis van zijn Schepper en van andere geestelijke dingen, in zijn wil en zijn hart met gerechtigheid , in al zijn genegenheden met zuiverheid; en is overzulks geheel heilig geweest. Maar door het ingeven des duivels en zijn vrije wil van God afwijkende, heeft hij zichzelf van deze uitnemende gaven beroofd, en heeft daarentegen in de plaats van die over zich gehaald blindheid, schrikkelijke duisternis, ijdelheid en verkeerdheid des oordeels in zijn verstand; boosheid, wederspanningheid en hardheid in zijn wil en hart; mitsgaders ook onzuiverheid in al zijn genegenheden.

God is niet de auteur der zonde. Dat wordt in ons nieuwe hoofdstuk direct ai vastgelegd. De aansluiting bij de Catechismus is duidelijk. Deze vraagt: „Heeft dan God de mens alzo boos en verkeerd geschapen ? " Het antwoord luidt: , , Neen Hij, maar God heeft de mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is, in ware rechtvaardigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen. Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen". In de geest van de Catechismus spreekt artikel 1 van zalige kennis, gerechtigheid en zuiverheid, waardoor de mens geheel heilig is geweest. Dat is een heel andere leer, dan die van Karl Barth, die de gedachte aan een goed geschapen mens verwerpt. 

De mens,zegt Barth, is geschapen als man en vrouw. Dat is voor hem het beeld Gods. Hij stelt dan ook, dat van dit beeld door de zondeval niets verloren is gegaan De bijbelse sage spreekt nu eenmaal niet van een ideale mens. Nergens in de bijbel lezen we dus, dat zulk een ideale toestand opgeheven is. Daar is nergens sprake van enige schending van het Beeld Gods. Wat een mens niet bezit, kan hij niet verliezen. Dat is Barth. Daaruit volgt, dat God de mens zo boos en verkeerd geschapen heeft ais hij is. Voor mijn besef vervalt hiermee het hele evangelie. Want als God de mens boos en verkeerd, niet goed en naar Zijn evenbeeld heeft geschapen, kan zelfs de Almachtige, als Hij rechtvaardig wil blijven, niets van hem eisen. Dan ligt geen enkel mens onder de verplichting om Gods wet te onderhouden. Als er geen historische staat der rechtheid en geen historische val is geweest, vervalt alle grond voor Gods toorn. Dan staat de mens gelijk met de dieren, die ook niet onder het oordeel Gods liggen. Hun is niets gegeven, dus er wordt niets van hen geëist. En als de toorn Gods zonder rechte grond en rede is, dan vervalt de noodzaak dat Christus een vloek zou worden voor ons. Dan is het volmaakt ontoegrijpelijk, wat Paulus in Romeinen 5 schrijft, dat door Adam de zonde in de wereld gekomen is en door de zonde de dood. En dat schrijft hij toch met dezelfde woorden : , .Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood ; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben". Maar als Barth gelijk zou hebben, dan is de zonde door God in de wereld gekomen. Hoe kan de Rechtvaardige dan de zonde straffen, die Hij zelf in de wereld heeft gebracht ? Barth heeft eens gezegd, zo luidt het verhaal : Exegese, mijne heren, exegese. Hij bedoelde blijkbaar : maak van een tekst, wat ge er van maken wilt en laat hij zeggen, wat je wilt. Ik zal daar een duidelijk voorbeeld van geven bij mijn uitleg van Rom. 5 : 12—21. En zo krijgt men een exegese waarvan prof. A. D. R. Polman terecht schrijft: Het is één stuk willekeur, waarvan hier een proeve volgt. Als Paulus over Adam schrijft, bedoelt hij iemand, die nooit bestaan heeft. Het is maar een gelijkenis. Adam is geen historisch persoon. Trouwens Adam of Eva of een paradijs of een zondeval, dat is er nooit geweest. Het binnentreden van de zonde in de wereld is geen historische, physische gebeurtenis. Die Augustinus en Luther en Calvijn en Kohlbrugge hebben de leer van Paulus vervalst. Gelukkig dat Barth zoveel knapper is en zoveel meer licht van Gods Geest heeft ontvangen, dat hij deze vervalsing heeft ontdekt, zodat hij schrijven kon : Heel de Westerse erfzondeleer is een historische en psychologische vervalsing van Paulus leer ! De mens is tot de zonde door God bestemd. De zonde is een transcendentale dispositie, een boven tijd en ervaring uitgaande bestemming van de mens. Zij is geen historisch toevallige daad, maar de steeds reeds vooronderstelde, de onvermijdelijke, de uiteindelijk uit het geheim van de goddelijke verwerping en van het goddelijk mishagen voortvloeiende bestemming van alle menselijk gebeuren. De zonde is niet af te leiden uit een onzondige toestand, maar reeds met de schepping gegeven. Adams val is geen oorzaak, maar eerste werking, een aanschouwelijk worden van de boventijdelijke, voortijdelijke val, een werkzaam worden van de bestemming van de mens. God heeft hem bestemd om te zondigen en tot alle ellende, die in deze weg over hem komt. De mens moet zondigen. In Adams val wordt deze transcendentale dispositie aanschouwelijk. , , Door al die ellende heen voert God de mens naar de verlossing". „Hier is een dialektische werkelijkheid, die met goddelijke noodwendigheid loopt van zonde en schuld naar verzoening en verlossing, van het goddelijk neen naar het goddelijk ja. Daarom is heel de Paradijshistorie onhistorisch".

Dit is dan Barth, op grond van een exegese, die een totale willekeur is. Ik gaf dit, omdat men nogal eens hoort van enige invloed hier en daar van deze geleerde en het wel goed is, dat wij dan weten in welke, richting zijn denken zich beweegt en in hoeverre zijn leer al of niet verband houdt met de Heilige Schrift. Wij houden ons maar liever aan de opstellers der Leerregels. Zij geven eerst de hoogte aan, waarop de mens stond door de schepping. Hij had kennis. Hij kende zijn Schepper aan de wind des daags. Hij kende ook zijn medeschepselen. Hij gaf de dieren namen. Het Nieuwe Testament spreekt ook van dit beeld Gods. Coll. 3 : 10 zegt van de nieuwe mens, die een herstel is van het verloren Beeld Gods : , , En aangedaan hebt , de nieuwe mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, , die hem geschapen heeft". En in Efeze 4 : 24 lezen we: , , En de nieuwe mens aandoen, die naar God geschapen is, in ware rechtvaardigheid en heiligheid".

Mogen we deze gegevens uit het N. Testament gebruiken ? Calvijn schreef: , , Dit Beeld kan men nergens beter uit leren kennen, dan uit de wederoprichting van de verdorven natuur". De hierboven aangehaalde teksten grijpen inderdaad kennelijk terug op de oorspronkelijke schepping van de mens naar Gods Beeld. In de gereformeerde theologie treft men dan ook telkens de gedachtegang aan, dat tot het beeld Gods behoren de kennis, gerechtigheid en heiligheid. In de teksten zit zeker, dat deze drie deugden behoren bij het oorspronkelijke beeld. Er wordt gesproken van een vernieuwd worden en van het evenbeeld desgenen die hem geschapen heeft. De woorden zien dan ook, zeggen ook de uitleggers van deze tijd, ongetwijfeld op de eerste schepping.

Dat is dus de ene weg om het beeld Gods te kennen : uit het herstelde beeld besluiten we tot het oorspronkelijke beeld.

We gaan nu hier niet in op een andere weg, dat wij n.l. een nadere verklaring van het beeld kunnen vinden in Christus, de Zoon. Gods, die in geheel enige zin het beeld Gods heet. Het zij ons genoeg, het bijbels recht van artikel 1 te hebben aangetoond. De bedoeling is ons ook duidelijk. Het moet eerst beleden worden, dat God niet de auteur van onze gevallen toestand is. Hij schiep ons goed. De woorden van de Catechismus zijn nog persoonlijker : God heeft mij goed geschapen. Wij moeten allen overdenken, welk een heerlijk en voortreffelijk schepsel wij waren, toen we uit de hand Gods voortkwamen. Er was tussen God en de mens geen scheiding. De heerlijkheid van die staat kunnen we nooit genoeg overdenken, maar ook onze ellende niet diep genoeg beklagen, dat we uit de gemeenschap met God zijn uitgevallen. Toen was alles vol gerechtigheid en heiligheid. Nu kunnen we, niets doen dan van God afwijken en ongerechtigheden in onheiligheid vergaderen.

Daarvan is echter de Schepper de schuld niet. De mens heeft zichzelf van deze uitnemende gaven beroofd. Hij heeft niet verstaan, noch erkend, hoe uitnemend hij was.

Wat heeft hij dan gedaan ? Hij is niet gebleven bij het Woord des Heeren. De mens begon van God te wijken, toen hij inging op de woorden des duivels. De val wordt nlet beschreven als een ongeluk of dwang, maar als een vrijwilligheid en moedwilligheid. Het was een moedwillige ongehoorzaamheid. De mens is door het ingeven des duivels en de vrije wil van God afgeweken. Dit moet vaststaan. Al zou ons verstand het nóg zo moeilijk kunnen begrijpen, nochtans belijden we met de mond en geloven met het hart: , , Verre zij God van goddeloosheid". Wij zijn niet geschapen om te zondigen. Dat hebben wij zelf gekozen. En dat is niet alleen een historische kwestie. De eerste zonde is hierin een voorbeeld voor de volgende zonden. Ook die zijn vrijwillig en moedwillig. Een mens verlangt er naar. Want laat niemand denken, dat wij geen vrije wil meer hebben. Onze wil is volkomen vrij, doch alleen ten kwade. Het is niet mogelijk een onwedergeboren mens te bewegen tot het goede. In de mens leeft alleen maar een onuitsprekelijk diepe neiging tot het kwaad. Hij is geneigd tot alle kiwaad. In deze gesteldheid heeft hij zich moedwillig gestort.

De mens heeft het beeld Gods verloren.

Hoe is hij dan na de val ? Nu is zijn natuur verdorven. Hij is het tegendeel geworden van wat hij was. Deze twee dingen moeten voor ons vaststaan. Eerst met welke uitnemende gaven wij versierd werden. Dan hoe wij daar volkomen van beroofd zijn. Tussen remonstranten en contra-remonstranten is over het beeld Gods nogal gestreden. Die strijd is nog niet opgehouden. Dat komt, een motief van deze strijd is klaarblijkelijk, dat de ene partij de mens in zijn oorspronkelijke staat zoveel mogelijk naar beneden wil drukken, zodat de val des mensen van weinig betekenis wordt of heel niet bestaat, terwijl de andere partij de mens met uitnemende gaven versierd acht en zijn val verschrikkelijk. Onze Catechismus zegt : de mens heeft zijn natuur verdorven. Artikel 1 zegt : zijn kennis is blindheid, zijn wil is wederspannigheid en dus lust in ongerechtigheid geworden, en zijn genegenheden zijn onzuiver. Prof. I. J. Doedes wilde een verschil zien tussen het bederf der natuur en der personen. De Schrift zou geen bederf der natuur leren. Doch er is terecht op gewezen, dat er staat: , , Wij waren van nature kinderen des toorns". (Efeze 2:3). We zien het in artikel 1, er wordt niet alleen geleerd, dat wij onmachtig zijn. Dat zijn we ook. We zijn blind en verkeren in duisternis. Waar kan een blinde in de nacht heen, als hij van nature altijd de verkeerde weg kiest ? Doch het is nog veel erger. De mens is een vijand van God geworden. Hij is in al zijn wegen goddeloos en verkeerd. Wanneer men Christus aan zijn voeten legt, laat de natuurlijke mens Hem liggen. Het bedenken des vleses is vijandschap tegen God. Zo stortte de mens van de top van eer, in eeuwige verwoesting neer. Hiermee is door de Leerregels het uitgangspunt gekozen voor de belijdenis van de bekering tot God in de schepping en de val des mensen. De wereld spreekt ook wel van boze driften en veel ellende. Maar de wereld wil niet weten van God en Zijn straf, van echte verantwoordelijkheid en echte schuld. Zij wil ook niet weten van de echte lotsverbondenheid en schuldverbondenheid van het ganse menselijk geslacht.

Doch daarover bij artikel 2.

L. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's