DE PREDIKING DER VERZOENING 3
Inleiding gehouden op de Jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op woensdag 15 april jl. te Utrecht
Wanneer dit waarachtig geloofd wordt, geeft dat aan de prediking wel de laatste ernst, maar geen kramp. Het geeft de zekerheid, dat God in Christus ook vandaag de verzoening kan en wil uitwerken tot in de uithoeken van het bestaan en de krachten van deze tegenwoordige wereld. Want deze daad der verzoening is en blijft verbonden met de kracht Gods.
Deze verzoening — die van God uitgaat — omvat het gehele leven van de Borg. Van de Kribbe tot het Kruis is zijn leven een en al verzoening. Zowel in het volbrengen van de wil Gods in de gehoorzaamheid als in het dragen van de straf bracht Hij verzoening aan. Daarom is het verzoening door voldoening. Hier zitten wij in een van de brandpunten van de leer der verzoening, vooral in deze tijd. Immers, zo wordt de vraag gesteld, wanneer Gods liefde Christus gaf, waarom moest Hij dan nog voldoen? Is er behalve en buiten de liefde Gods nog een ander motief voor de verzoening? Is het niet een hatelijke voorstelling, dat Christus met Zijn bloed voor onze zonden moest betalen?
De Schrift spreekt niet alleen over de katallage (verzoening van God uit door een nieuwe verhouding te scheppen), maar ook van de hilasmos, het middel, dat de verzoening tot stand brengt, dus het zoenmiddel. Immers dezelfde Schrift, die ons met de grootste nadruk zegt, dat de verzoening van God uitgaat, wijst met alle nadruk op het zoenmiddel door God voorgesteld door het geloof in Zijn bloed. Het blijkt maar al te duidelijk in de Heilige Schrift, dat deze hilasmos, dit zoenmiddel, de zonde wegdoet. Is er nu betrekkelijk grote overeenstemming over het initiatief der verzoening, een eeuwenlange strijd is er ontbrand en gaande over de vraag, hoe deze verzoening tot stand is gekomen. Deze strijd woedt tot op vandaag voort ook binnen de wanden van onze eigen Kerk. Door de achtergronden van deze vragen wordt de prediking bepaald. En in deze centrale vraag over het zoenmiddel, over de vraag naar het voorwerp van de verzoening worden de geesten openbaar. De grote vraag is: Wordt God verzoend of de mens, respectievelijk de wereld? Parallel aan deze vraag is de vraag naar de verhouding van de liefde Gods en de toorn Gods. Deze vragen hebben Calvijn diep beziggehouden in zijn strijd tegen Socinus. En het is tot op de dag van vandaag brandend actueel Calvijn bezig te zien in de Heilige Schrift om — zoals hij zegt deze knoop te ontwarren. Op een zeldzaam evenwichtige wijze is hij diep geestelijk bezig deze vragen op te lossen. Hij maakt opmerkzaam op twee reeksen uitpraken der Heilige Schrift, die elkander op het eerste gezicht schijnen uit te sluiten. Immers naast de uitspraken over de eeuwige liefde Gods komen er in de Schrift ook uitspraken voor over de toorn Gods tegen de zonde; dat God een vijand der mensen was, totdat zij door Christus' dood in genade zijn hersteld; dat zij vervloekt waren, totdat hun goddeloosheid door Christus' offer is verzoend; dat zij van God gescheiden waren, totdat zij door Zijn Lichaam in zijn gemeenschap zijn opgenomen. Hoe kunnen — zo roepen de tegenstanders van Calvijn uit — wij in Gods oog vijanden zijn, terwijl Hij ons van eeuwigheid beminde? Hoe scherp Calvijn ook in zijn denken was, hij weigert hier het denken over één lijn. Immers de Schrift leert ons geen kaarsrecht denken, maar een gebroken denken. Een grote les ook voor onze tijd. Vanuit dit gebroken denken — of misschien beter vanuit dit gekruisigd denken — beziet Calvijn de verzoening vanuit tweeërlei gezichtspunt. Wie van God uit Christus' verzoeningswerk beziet, moet altijd Gods liefde als de oorzaak van zijn genade zien, die steeds naar de orde vooraf gaat. God heeft, voorzover het Hem aangaat, ons bemind door de wereldschepping en heeft ons om geen andere reden verlost dan omdat Hij liefhad. De oorzaak — Gods liefde — gaat aan haar gevolg vooraf. Deze liefde is daarom de eerste, omdat zij stamt uit het welbehagen Gods en uit Zijn voornemen, waarmee Hij ons liefhad. Met grote instemming citeert Calvijn hier Augustinus, die zegt: „Onbegrijpelijk en onveranderlijk is Gods liefde. Hij begon ons immers niet te beminnen sinds wij door het bloed van Zijn Zoon met Hem verzoend zijn, maar vóór de grondlegging der wereld beminde Hij ons, opdat wij met Zijn Eniggeborene ook Zijn zonen zouden zijn, voordat wij ook maar iets waren. Dat wij dus door de dood van Zijn Zoon verzoend zijn, moet niet zo genomen, alsof derhalve de Zoon ons met Hem zou hebben verzoend, opdat Hij nog zou beginnen lief te hebben, die Hij haatte; maar wij zijn verzoend met Hem, die ons reeds beminde, met Wie wij om onze zonden in vijandschap stonden. Of ik dit naar waarheid zeg, moge de apostel getuigen. Hij bewijst, zegt hij, Zijn liefde jegens ons, daar Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren (Rom. 5: 8). Hij had dus liefde jegens ons, ook toen wij vijandschap tegen Hem oefenden en ongerechtigheid werkten. Zo beminde Hij ons op een wondere en goddelijke wijze, ook toen Hij ons haatte. Hij haatte ons, daar wij geworden waren zodanig, als Hij ons niet had gemaakt en omdat onze ongerechtigheid Zijn werk niet totaal had vernietigd, wist Hij tegelijk in een ieder van ons te haten, wat wij gedaan hadden en lief te hebben, wat Hij gemaakt had."
Naast bovengenoemde uitspraken vinden wij in de Heilige Schrift een reeks andere uitspraken, die de zaak van ons uit bezien. Dan wordt dit - zo zegt Calvijn - aan ons bevattingsvermogen aangepast, opdat wij des te beter zouden begrijpen, hoe ellendig en rampzalig onze toestand buiten Christus is. De Geest zegt in de Schrift, dat God de mensen vijandig geweest is, totdat zij door Christus' dood in genade hersteld zijn; dat zij vervloekt waren, totdat hun ongerechtigheid door zijn offerande is verzoend. Ook deze schriftplaatsen krijgen een volle plaats. Zij moeten in de prediking doorklinken. Want indien niet met duidelijke woorden gezegd werd, dat de toorn en de wraak Gods en de eeuwige dood op ons gedrukt heeft, zouden wij te minder begrijpen, hoe ellendig wij zouden zijn zonder Gods barmhartigheid, en zouden wij de weldaad van de verlossing te minder waard achten. Omdat ons hart het leven in Gods barmhartigheid niet begerig genoeg kan aangrijpen of met de passende dankbaarheid kan ontvangen, tenzij het door de vrees voor Gods toom en de schrik voor de eeuwige dood tevoren getroffen en terneergeworpen is, worden wij door de heilige leer zo onderricht, opdat wij zouden zien, dat zonder Christus God in zekere zin vijandig tegenover ons staat, en dat zijn hand tot ons verderf gewapend is, en opdat wij zijn goedertierenheid en vaderHjke liefde slechts in Christus zouden omhelzen.
Bij dit alles zijn wij ons van het boze bewust, onze consciëntie veroordeelt ons. Waar zonde is, daar is toorn en eeuwig oordeel. Wij worden door de aanblik van de dood verschrikt, totdat Christus ons met de prijs van zijn bloed bevrijdt. Naar ons bevattingsvermogen begint ons God in Christus te beminnen, wanneer wij Christus aanschouwen. Daarbuiten zijn wij van God vervreemd, een erfgenaam van de toorn, onderworpen aan de eeuwige vloek, uitgesloten van alle hoop op de zaligheid, vreemd aan de zegening Gods, een slaaf van de satan, gevangen onder het juk der zonde, ingewikkeld in een vreselijk verderf. Zo is de situatie bij ons, buiten Christus. Hoeveel zijn wij dan aan Gods barmhartigheid verschuldigd, dat Christus tussentreedt bij de Vader, de straf op Zich genomen en betaald heeft, welke naar Gods rechtvaardig oordeel alle zondaren boven het hoofd hing, dat Hij voor de kwade dingen, die hen bij God gehaat maakten, met zijn bloed voldaan heeft, dat door dit zoenoffer aan God de Vader genoegdoening geschonken is en Hij verzoend is; dat door Christus' tussenkomst Gods toom gestild is, op dit fundament de vrede Gods met de mensen steunt, door deze band zijn goedertierenheid jegens hen vastgehouden wordt? Dit alles zal ons tot groter dankbaarheid nopen, naarmate dit alles ons levendig voor ogen gesteld wordt.
Uit dit alles blijkt, dat de toorn Gods geen misverstand van de mensen is (Ritschl) maar een levende werkelijkheid.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's