De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE PREDIKING DER VERZOENING 4

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE PREDIKING DER VERZOENING 4

9 minuten leestijd

Inleiding gehouden op de Jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op woensdag 15 april jl. te Utrecht

Weliswaar wijst Calvijn erop, dat deze aanspraken aan onze bevatting zijn aangepast, maar — zo laat hij in een volgende paragraaf erop volgen — dat wil niet zeggen, dat dit vals is. Want God, die de hoogste rechtvaardigheid is, kan de ongerechtigheid, die Hij in ons allen ziet, niet beminnen. Wij hebben dus allen in ons iets, dat Gods toorn waardig is. Daarom zijn wij allen ten aanzien van onze verdorven natuur en het verder daarbij komende slechte leven, in Gods verbolgenheid inderdaad schuldig voor zijn aangezicht en geboren tot de verdoemenis der hel. Maar omdat de Heere wat het zijne is in ons niet verderven wil, vindt Hij nog iets, dat Hij naar zijn goedertierenheid bemint. Want ook al zijn wij door onze overtreding zondaren, blijven wij toch zijn schepselen; ook al hebben wij onszelf de dood berokkend. Hij had ons niettemin tot het leven geschapen.

Dan volgen woorden, die wij allen wel diep in ons hart mogen inprenten: Zo wordt Hij door loutere en onverdiende liefde tot ons opgewekt om ons in liefde aan te nemen. Maar, daar er een voortdurende en onverzoenlijke strijd is tussen rechtvaardigheid en ongerechtigheid, kan Hij ons, zolang wij zondaars blijven, ons niet geheel opnemen. Opdat Hij dus, met wegneming van alle stof tot vijandschap, ons geheel met Zich zou verzoenen, doet Hij, na het voorstellen van de ver­zoening in de dood van Christus, teniet al het boze, dat in ons is, opdat wij, die tevoren vuil en onrein waren, rechtvaardig en heilig voor Hem zouden verschijnen. Daarom gaat de liefde van God de Vader aan onze verzoening in Christus vooraf. Voorwaar, omdat Hij ons eerst liefhad, verzoent Hij ons daarna met Zichzelf. Maar omdat in ons de ongerechtigheid, totdat Christus ons door zijn dood te hulp komt, blijft, die Gods verbolgenheid verdient en voor Hem vervloekt en veroordeeld is, zo hebben wij niet eerder een volle en vaste gemeenschap met God, dan waar Christus ons verenigt. Indien wij ons dus een verzoend en genegen God beloven, zo moeten wij alleen op Christus onze ogen en harten richten, zoals wij ook metterdaad door Hem alleen verkrijgen, dat ons de zonden niet worden toegerekend, waarvan de toerekening de toorn Gods met zich brengt (Inst. II, 16, 3).

Hierbij mag worden opgemerkt, dat in deze citaten een wonderschone verbinding van het voor-onderwerpelijke ligt en de verbinding met Christus het volle accent krijgt.

Socinus, wiens leer in de laatste reeks schriftplaatsen doorlopend bestreden wordt, komt fel in verzet, wanneer hij Calvijn hoort zeggen, dat Christus de zaligheid heeft verdiend. Christus kwam niet om Gods toorn te stillen, de vloek weg te nemen en de vijandschap op te heffen. Het kruis is er alleen om de bij ons — overigens begrijpelijk vanwege onze boosheid — levende voorstelling, dat God een vertoornd Rechter zou zijn, weg te nemen. God wordt niet verzoend, maar Christus wordt gezonden om ons in zijn kruis de hoogste liefde te prediken. Christus is alleen werktuig der goddelijke liefde, maar geen verdienende oorzaak van onze zaligheid.

Antwoord van Calvijn aan Socinus.

Voor het doorzien van de theorieën over de verzoening, die vandaag in allerlei gewaad tot ons komen, is het van belang het antwoord van Calvijn grondig te bestuderen. Immers hier worden kernen van het nieuw theologisch denken geraakt. Een apart hoofdstuk (Inst. II, 17) is eraan gewijd. Het opschrift luidt: Dat terecht gezegd wordt, dat Christus voor ons de genade Gods en de zaligheid verdiend heeft.

Socinus heeft bezwaar gemaakt tegen het woord verdienen. Welnu, Calvijn geeft hem toe, dat, wanneer er sprake is van Christus verdienste, het begin daarvan niet in Christus wordt gesteld, maar in het welbehagen en de voorverordinering Gods. Uit enkel welbehagen heeft God de Middelaar gesteld, om voor ons de zaligheid te verwerven. Wij moeten er dus — ook in onze spreekwijzen — voor wachten de verdiensten van Christus tegenover de barmhartigheid Gods te plaatsen. Het is toch een algemeen erkende regel, dat dingen, waarvan de ene onder de andere staat, niet met elkaar in strijd zijn. Daarom belet niets, dat de rechtvaardiging van de mens uit Gods loutere barmhartigheid ontstaat en toch tegelijk Christus' verdienste daartussen treedt, die gesteld wordt onder de barmhartigheid Gods. Tegenover onze werken echter wordt volkomen juist gesteld zowel de genadige gunst Gods als de gehoorzaamheid van Christus: ieder van beide in zijn orde. Vooral deze zin: ieder van beide in zijn orde, is in de vraagstukken, die ons bezighouden, onbetaalbaar.

Christus — zo gaat Calvijn voort — kon alleen krachtens Gods welbehagen iets verdienen, maar Hij doet dit, omdat Hij daartoe verordineerd is, dat Hij door zijn offer Gods toorn zou stillen en door zijn gehoorzaamheid onze overtredingen zou uitdelgen. Gods genade gaf dit middel der zaligheid. Daarom wordt de verdienste van Christus terecht, evenals de genade, die dit middel gaf, gesteld tegenover de menselijke gerechtigheden.

God stelde de wijze van de verzoening. Hij had ons onuit­ sprekelijk lief en was tegelijk vertoornd op ons, totdat Hij in Christus verzoend was. In Joh. 3:16 wordt de liefde Gods de hoogste oorzaak genoemd, maar het geloof in Christus volgt als tweede en nadere oorzaak. De gerechtigheid verkrijgen wij door het geloof, dat op Hem rust, zodat de materie der zaligheid in Hem gezocht moet worden. Niet wij hebben God eerst liefgehad, maar Hij ons en Hij heeft Christus gezonden tot een verzoening voor onze zonden. Immers opdat niets zijn liefde tot ons in de weg zou staan, heeft God het middel der verzoening gesteld in Christus. Deze goddelijke liefde, die het middel stelde, is het begin van de rechtvaardigheid. Want daar God de bron van alle gerechtigheid is, is het noodzakelijk, dat de mens, zolang hij zondaar is. Hem heeft tot vijand en rechter. Het begin van de liefde is rechtvaardigheid. Dat is weer een zin om over na te denken en te bewonderen. Immers hier worden liefde en recht niet tegenover elkaar gesteld, maar als in God één voorgesteld. Wij ervaren dat als twee zijden van het goddelijk wezen, maar in God is het een. Zelfs is het begin van deze liefde rechtvaardigheid. Hoe heeft Hij die rechtvaardigheid betoond? Luister naar Paulus: Dien, die geen zonde gedaan had, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden zijn rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Cor. 5 : 21).

Wij, die van nature kinderen des toorns zijn, krijgen dus een onverdiende gerechtigheid door het offer van Christus, om God te behagen (Ef. 2:3). 

Er is dus geen sprake van een tegenstrijdigheid tussen Gods barmhartigheid en Gods gerechtigheid, tussen het offer van Christus, dat Gods toorn stilt en de verzoening teweegbrengt en tussen zijn liefde.

Daar komt bij, dat Christus ons door zijn offer genade heeft verworven bij de Vader. Want wij zijn naar het getuigenis van Paulus verzoend en hebben de verzoening verkregen door zijn dood (Rom. 5 : 10). Het gevolg van dit gestorte bloed is de niet-toerekening van onze zonden, waaruit volgt dat door deze prijs aan het oordeel Gods is genoeggedaan. Vandaar de oproep: Zie, het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegdraagt. Daarmee stelt Johannes de Doper Christus tegenover alle offeranden der Wet, om te leren, dat in Hem alleen vervuld werd, wat deze voorbeelden hebben aangewezen. Juist van Christus' offerande — als de vervulling van alle oudtestamentische offeranden — geldt: Zonder bloedstorting is er geen vergeving (Hebr. 9 : 22). De apostel trekt daaruit de conclusie, dat Christus eenmaal verschenen is tot vernietiging van de zonde door zijn offer. De genade Gods, die Christus stelde, wordt teveel verzwakt, tenzij wij aan zijn offer de kracht toeschrijven om te verzoenen, te bevredigen en genoeg te doen. De straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem en door zijn striemen is ons genezing geworden (Jes. 53 : 5). Christus is met onze vloek beladen, heeft betaald wat anderen schuldig waren en heeft gerechtigheid voor hen verkregen. Immers, indien Christus voor onze zonden niet had genoeggedaan, kon niet gezegd worden, dat Hij God verzoend had door de straf op Zich te nemen, waaraan wij onderworpen waren. Hij heeft onze zonden op het hout gedragen (1 Petr. 2 : 24). Hij is gestorven om onze zonden. Hij is opgewekt tot onze rechtvaardigmaking (Rom. 4 : 25). Hieruit volgt, dat ons niet slechts de zaligheid door Christus geschonken is, maar ook dat de Vader ons nu om Zijnentwil genegen is.

Wanneer wij dit alles pogen te overzien, mogen wij tot op de dag van vandaag Calvijn dankbaar zijn voor deze diepe en klare uiteenzetting tegenover Socinus. Calvijn weigert het mysterie der verzoening alleen te verklaren uit de liefde Gods, maar stelt daaronder de plaatsvervanging van Christus als de weg, waarin de liefde Gods ons wordt verklaard. Hij laat de verborgenheid der verzoening naar de Schrift onaangetast. Hij handhaaft zowel de liefde Gods als het offer van Christus aan het kruis gebracht om de toorn Gods te stillen. Hij gaat niet door de knieën voor rechtlijnige redeneringen, die óf het heil Gods aeterniseren (dat wil zeggen: het alleen in de eeuwigheid stellen zonder het ontzaglijk gebeuren in de tijd), óf het heil historiseren (dat wil zeggen het kruis losmaken van de raad en de wil Gods). Calvijn laat nimmer de gerechtigheid en de heiligheid Gods in de liefde Gods ondergaan, hij laat de toorn Gods niet door de liefde Gods omspoelen en wegspoelen, maar handhaaft deze beiden op een geestelijk en zeldzaam evenwichtige wijze.

Deze afscherming van het mysterie is niet zijn doel. Hij slaat schennende handen weg om ruimte te verkrijgen vóór de aanbidding van de lengte en de breedte en de diepte en de hoogte van de liefde Gods, samen met al de heiligen. Deze aanbidding vindt plaats daar, waar God gezegd heeft: Aldaar zal Ik tot U spreken. Dat is de plaats, waar het alles druipt van het bloed van Christus, enerzijds om de toorn Gods te stillen, anderzijds om het geweten te reinigen van de dode en de boze werken om de levende God te dienen. Dat is een gebeuren op Golgotha en een gebeuren in het hart, waar dit offer door de Heilige Geest in zijn levende tegenwoordigheid wordt gesteld.

Er is in God geen moment strijd tussen Gods barmhartigheid en gerechtigheid. Hij kan Zichzelf niet verloochenen. Hij is en blijft rechtvaardig, wanneer Hij de zonden vergeeft. Hij is alles tegelijk en. alles volkomen. Daar is in God geen hiërarchie — niet een boven elkaar stellen van zijn eigenschappen. Hier moet dan ook de strijd inzetten tegen alle bestrijders van deze schriftuurlijke verzoeningsleer en verzoeningswerkelijkheid.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE PREDIKING DER VERZOENING 4

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's