De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HEDENDAAGSE LITURGIE 22

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HEDENDAAGSE LITURGIE 22

10 minuten leestijd

Zo kunnen we dus wel van een psalmberijming-tragedie spreken, die zich afspeelde tussen de twee grootste protestantse kerken. Ds. Coolsma zegt en bewijst: de Herv. Synode draagt hiervan de schuld 1). Alsof het hiermede uit was. Neen, het ergste komt nog. Het spreekt vanzelf, dat in deze tragedie ook meermalen de auteur, ds. Hasper, werd betrokken, die daarbij tal van pijnlijke en krenkende ervaringen opdeed. Uit de voortijd kwam reeds het een en ander aan den dag, uiteraard van de zijde der tegenstanders. Het was wel niet denkbaar, dat zich daarbij nu ook nog , , voorstanders" zouden voegen. Toch is 't helaas daartoe gekomen, en wel van de zijde der Geref. Kerken, in weerwil van het feit, dat zij na een voorbereiding van zes jaar (toetsing van de verzen aan de grondtekst en beproeving van de zingbaarheid op de oorspronkelijke melodieën) het Psalmboek 1949 definitief hadden aanvaard. Men zou de eerstvolgende drie jaren nog de mogelijkheid open houden voor kleine correcties, maar overigens verzocht de Geref. Synode van 's-Gravenhage 1949 de Stichting Psalmgezang te willen zorgen, dat het nieuwe Psalmboek gedurende die tijd voor de kerken verkrijgbaar zou worden gesteld. Voor deze uitgave moesten nu auteursrechten en exploitatie nader geregeld worden. Het concept-contact, door de deputaten voorgesteld, werd echter in een besloten zitting der Synode verworpen, die nu een commissie van , , deskundigen" benoemde. Deputaten weigerden daarin zitting te nemen. Richtlijnen werden vastgesteld voor een nieuwe conceptovereenkomst. Tenslotte heeft de Stichting Geestelijke Liederen (in casu ds. Hasper) deze richtlijnen aanvaard. Voor het vaststellen van een definitieve overeenkomst kon men echter niet tot overeenstemming geraken. Toen hebben commissie en moderameri der Synode aan de thans overleden prof. mr. N. Okma, lid der commissie, opdracht gegeven, om de afsluiting van een wederzijdse overeenkomst met de Stichting Hasper te regelen. Een concept-Okma van 15 februari 1950 werd door Hasper in strijd geacht met de gegeven richtlijnen. Nadere bespreking moest dus volgen, en wel op 27 februari 1950, van de twee partijen (prof. Okma, ds. Hasper) en vier getuigen. De toen opgemaakte akte van overeenkomst is 2 maart 1950 ondertekend. Men zou zeggen: nu is het dan voor elkaar en misverstand is onmogelijk. Dat was ook zo, tot op 22 october 1952, toen de Geref. Synode van Rotterdam een nieuw deputaatschap benoemde, maar met wat uitgebreider volmacht dan in 1949. Dit kreeg thans de bevoegdheid, om in een eventueel interkerkelijke commissle zitting te nemen, maar om daarin: a. de in 1949 aanvaarde psalmherijming (Hasper) in te dienen; b. in verband daarmee voorstellen te doen, om bepaalde psalmen uit de berijming 1949 geheel of gedeeltelijk door betere te vervangen; c. alles te doen, - wat in het belang zou kunnen zijn van de totstandkoming van een interkerkelijk aanvaardbare (curs. van 'mij, Br.) berijming. En zover verklaarde de inmiddels ontboden ds. Hasper ook zelf mee te kunnen gaan. 2)

Het geeft m.i. echter te denken, dat deze Synode zich zó en anders uitsprak dan haar voorgangster van 1949. Op de voorgrond sta, dat men aldus nog een uiterste poging wilde doen, om toch één psalmberijming voor alle kerken te verkrijgen, en geen twee. Maar er was in die twee jaren nóg wat gebeurd. Op 25 maart 1950 had de Herv. Synode een psalmberijmingscommissie ingesteld.

Reeds vanaf die tijd (vroeger nooit géhoord) ging er op eens een slagwoord door de kerkelijke wereld: psalmen kunnen alleen berijmd worden door , , dichters", geen berijmingen dus, maar gedichten, belletrie, kunstwerk. (Wij willen daar straks nog het onze van zeggen). De Herv. psalmberijmingscommissie ging eveneens van die stelling uit. In het , , Weekblad van de Nederlandse Hervormde Kerk" van 30 juni 1951 publiceerde de secretaris dier commissie, dr. H. Schroten, twee psalmen, nl. de psalmen 16 en 19. Meegedeeld werd nog, dat 14 dichters in dienst der commissie stonden. De critiek was echter vernietigend. Dr. de Bondt (Geref.) schreef: , , is dit beter dan onze berijming? Ze is uitgesproken slechter". Haags Dagblad: , , het is alsof men Vondel door Clinge Doorenbos liet moderniseren". Ds. Kelling (Herv.): , , het is misdaad critiek te sparen, als die tijdig geleverd kan worden, vóórdat de gemeente definitief getracteerd wordt op een liederenbundel, waarin de gebrekkigheden en onjuistheden gestold zijn, zoals in de tegenwoordige bundel"]3) Deze twee psalmen werden dan ook ingetrokken.

Men geeft het blijkbaar niet op. Twintig z.g. Herv. psalmen worden op 16 juni 1952 aangeboden aan de Herv. Synode, en hiervan werd in de dagbladen den volke kond gedaan. Ook, dat er , , interkerkelijke" plannen waren. Kort daarop benoemde de Synode van Rotterdam der Geref. Kerken haar deputaten, met de reeds aangegeven opdracht. Het wil mij voorkomen, dat men daar al niet meer zo afwijzend stond tegenover een dichters-psalter als in 1949. Er moet m.i. onder deze Geref. broeders ook al kentering der geesten gekomen zijn, anders zou de omzwaai van de meerderheid hunner deputaten in de interkerkelijke commissie niet zo voetstoots zijn geschied, en volgehouden tot op vandaag, terwijl helaas de Synode van Leeuwarden (1955-'56) daaraan zelfs haar zegel heeft gehecht.

Bijkomstige omstandigheid, dat de in 1949 in deze kring aanvaarde berijming Hasper op de achtergrond geraakte, is het feit, dat het op 2 maart 1950 ondertekende contract-Okma, na diens overlijden twijfelachtig werd verklaard, en tenslotte door de Geref. Kerken niet eens meer werd erkend. Daar de , , omgezwaaide" deputaten (die nu voor een andere psalmberijming ijverden) wél werden erkend, begon Hasper te spreken van contract-breuk. De zaak liep zo hoog, dat zelfs drie arbiters moesten benoemd worden, wier rapport maar door twee van hen werd ondertekend. De derde, prof. dr. Bergema, weigerde. Daardoor is dit geschil nog altijd hangende. Hierover verder te handelen, zou niet geschikt zijn voor onze lezers. Ds. Hasper voelt zich diep gegriefd en heeft het hele geval publiek gemaakt, als bestemd voor alle kerkeraden der Geref. Kerken, in zijn brochure , , Doe recht", 1958, waarheen dus verwezen wordt.

Zo waren dan nu drie jaren verlopen, sinds berijming 1949 door de Geref. Kerken definitief aanvaard werd. De toen gevolgde (en reeds gemelde) strubbelingen zijn volgens Hasper aanstonds uitgebuit door de Herv. psalmberijmingscommissie, wier secretaris in de bladen de indruk wekte, dat de Geref. Kerken de nieuwe berijming niet definitief hadden aangenomen, en dat er binnenkort een veel beter Hervormd Psalmboek zou verschijnen. 4)

In „Het Vrije Volk" van 3 juni 1949 (Partij van de Arbeid) verkondigde ds. L. H. Ruitenberg (vrijz.), dat de berijming van Hasper , , godsdienstig niet naar de geest van de Psalmen is"; in , , De Hervormde Kerk" van 11 juni 1949 ds. F. H. Landsman, dat de Herv. Synode de , , onbijbelse" en , , onprofetische" toon betreurde; in , , Weekblad van de Ned. Herv. Kerk" van 25 juni 1949 dr. H. Schroten, dat de commissie-Van der Leeuw tot het volgende oordeel was gekomen: het profetische geluid weerklinkt zeer zelden, het geloofsperspectief is bijna steeds afwezig". 5) Hasper geeft aan, dat deze tegenactie van Herv. zijde veel kwaad heeft gedaan, ook voor de scholen. De daar al ingevoerde berijming 1949 kwam tot stilstand. Vooral , , Volksonderwijs" meende nu een afwachtende houding te moeten aannemen, wegens de van Herv. zijde aangekondigde , , betere" berijming. Het Hoofdbestuur van , , Christelijk Nationaal" zond een adres aan de Geref. Synode van Rotterdam, 1952. Geref. kerkeraden bleken ook al onder de invloed te komen. 6.) Er kwam dus onzekerheid en verwarring.

In dit licht staat nu de interkerkelijke vergadering, die op 6 mei 1953 te Baarn werd bijeengeroepen, een 20-tal personen, 8 uit de Herv. Kerk; 5 (de deputaten) , en verder afgevaardigden van de Christ. Geref. Kerk, de Baptisten, de Evang. Lutherse Kerk, de Remonstrantse Kerk, de Vrij Evangelische Gemeenten, de Waalse Gemeenten en de Doopsgezinden. Baptisten en Vrij Evangelisch en wilden al dadelijk niet weten van een berijming door dichters. Bij Remonstranten, Luthersen en Doopsgezinden bestonden weer andere bezwaren. (Ik mis een volledig verslag van die vergadering.) Men kon nl. niet tot overeenstemming komen omtrent de vraag, of naast de oude berijming van 1773, de nieuwe berijming der Geref. Kerken van 1949, en de in wording zijnde speciaal Herv. berijming, nu ook een vierde berijming van , , erkende dichters" moest komen. Als samenvatting werd gezegd, dat men het gesprokene in gedachten zou houden. 7') Een vrij vaag resultaat. Maar er werd toch een interkerkelijke commissie geconstitueerd. Van Herv, . zijde werd gevraagd, om , , meer dichters" in de commissie. De , , grote" commissie heeft toen een (kleinere) werkcommissie benoemd. Hierin namen ook twee Geref. deputaten zitting. Men zou nu eerst vóór de eerstvolgende vergadering der z.g. plenaire (volle) commissie een voorstudie maken van de Hervormde psalmen, 3, 8, 16 en 21, en deze dan vergelijken met de overeenkomstige in het Psalter 1949; ook daarover rapport uitbrengen. Die , , eerstvolgende" vergadering bleek, ongevraagd, öngeweigerd, eerst twee jaar later gehouden te worden, nl. op 23 mei 1955. 

Al die tijd, zo verklaart Hasper, vertelden die twee deputaten der werkcommissie aan de drie anderen niets. Hij verklaart te bezitten de notulen van alle vergaderingen dier werkcommissie tot op de Synode van Leeuwarden (di. 1955- '56). Daaruit zou blijken, dat deze beide deputaten (waarvan één voorzitter was) in het geheel niet aan het vergelijken der bedoelde psalmen zijn toegekomen, maar dat zij „van het begin af meegedaan hebben met de Hervormden, Om een ander boek te maken dan hetwelk zij krachtens hun opdracht hadden te verdedigen". , , Zij hebben zich overgegeven aan het oordeel der Hervormde dichters: dat een Psalmboek voor de zang in de eredienst vóór alles een literair kunstproduct moet wezen. En toen hebben zij hun mandaat tot het plegen van , , overleg" veranderd in een mandaat tot het mede-oprichten van een , , dichtgenootschap". Dit was dus een niet-voldoen aan 'hun duidelijke opdracht. 8)

De bewering, dat de twee Geref. deputaten in de werkcommissie begonnen zijn met , , vergelijken", doch, dat zij van lieverlede tot iets anders zouden zijn gekomen, noemt Hasper onwaar, op grond van de notulen.

Er is door de Geref. deputaten een gezamenlijk rapport gezonden over hun handelingen en over die van de gehele werkcommissie aan de Synode van Leeuwarden, Staande de vergadering nam één van hen, ds. H. A. Munnik, zijn handtekening terug, omdat gemeend werd, dat die instemming betekende. Er was echter ook een minderheidsrapport ingezonden, dat al wat nu geschied was, veroordeelde. Wat deed deze Synode? In het verslag, dat in alle ( dagbladen heeft gestaan), heeft Nederland kunnen lezen, dat de Synode de Stichting Psalmgezang naar huis heeft gestuurd en haar deputaten zelfs op­dracht heeft gegeven met hun verbre­king der overeenkomst voort te gaan!  De kerken , , vergeten" te Leeuwarden de overeenkomst. Zij bepalen, dat zij  het Psalter 1949 voorlopig laten rusten. Eerst gaan zij , wat anders beginnen. Lukt dit andere niet, zo zeide volgens de pers een deputaat uit de werkcommissie, dan hébben de kerken nog altijd het Psalter 1949, om daarop terug te vallen. Ver­achtelijker en schandelijker kan men zich over een door de kerken aanvaard boek niet uitlaten. Het wordt eerst door de deputaten in de goot geworpen, en als men met de , , Hervormde" dichters toch uiteindelijk niet klaar komt, dan kunnen de Geref. Kerken zien, of het weggegooide boek er soms nog ligt.9)

Ziehier de in verontwaardigde bewoording geuite smartelijke ervaring van een man als ds. Hasper, wiens levenswerk door vroegere medestanders werd tér zijde geschoven. De , , om­zwaai" blijkt 'dan niet alleen 'bij deputaten, maar bij de Geref. Kerken als  zodanig. Voor wie voorgespiegelde cultuur, letter- en dichtkunst inzake een geloofsobject, als toch de 'berijming van het Boek der Psalmen is, zwaarder woog' dan , , Calvijns beginsel voor de zang in  de eredienst". Zonder in te zien, welk een concesisie aldus aan het humanisme werd gedaan.


1) A.'W., blz. 10, 11, 142, 161.

2) Zie hiervoor en verder: „Doe recht", van ds. H. Hasper, 1958, IV. Het in gebreke zijn. der kerken, blz. 33 volgende.

3) Hasper, , , 'Calvijns beginsel" enz., 1955, blz. 550, 551.

4) Hasper, „, Doe recht", 1958 blz. 19, 29—32.

5) Coolsma, a.w., blz. 18.

6) Ds. Hasper, „Doe recht", 1958, blz. 31, 32.

7) Ds. Hasper, „Doe recht", 1958, blz. 42, 43.

8) Ds. Hasper, „Doe recht", 1958, blz. 38.

9) Ds. Hasper, „Doe recht", 1958, blz. 40.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HEDENDAAGSE LITURGIE 22

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's