Het Fundament 1
Een belangrijke vraag: heeft uw, heeft mijn geestelijk leven een fundament? Belangrijk, omdat daarmede onze zaligheld staat of valt.
Er is helaas zoveel geestelijk leven, dat een fundament mist.
We behoeven daarvoor niet ver te zoeken. Zulk een geestelijk leven, meer of minder diep, kan zich achter heel wat vrome dingen camoufleren. Men kan de mond vol hebben over ds. die en die, men kan belangstelling tonen voor alles wat er op kerkelijk terrein geschiedt, een trouwe kerkganger zijn, de geschriften der Vaderen lezen, in één woord: men kan een meelevend, orthodox, gereformeerd lidmaat der kerk zijn, terwijl toch het fundament onder het geestelijk leven ontbreekt.
Dit is wel een ernstige zaak, die ons tot verontrusting moge brengen en tot zelfonderzoek.
Want het is ontegenzeggelijk zo, dat echt geestelijk leven wel terdege een fundament heeft. God, Die toch de Bewerker is van dat leven, gaat immers als een wijs bouwmeester te werk en begint met het fundament. De Heere bouwt niet op zandgrond, zeker niet waar het de opbouw Zijner gemeente betreft, waarvan de levende lidmaten als levende stenen worden ingevoegd, gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen; op welke het gehele gebouw bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heere.
Het geestelijke leven van Gods Kerk is ten nauwste met het Fundament verbonden. Daaruit leeft Gods Kerk en kind.
De fundamentlegging van Gods gemeente was geen geringe zaak.
Eeuwigheidswerk is het. Vader, Zoon en Heilige Geest waren er de Bewerkers van. En toen in de volheid des tijds dit Fundament gelegd werd, werden als het ware hemel en aarde, ja hemel en hel er bij betrokken. De zon verduisterde, de aarde beefde en steenrotsen scheurden; graven werden geopend en doden verrezen.
Doch bovenal betaalde de Borg het rantsoen, stierf voor de zonde der Zijnen. En de eeuwige onwankelbaarheid van het fundament bleek hieruit, dat Christus, omdat Hij aan Gods recht volkomen voldaan had, opgewekt werd tot rechtvaardigmaking Zijner Kerk.
Het Fundament is Jezus Christus. Het Fundament voor Zijn ganse gemeente, van alle eeuwen.
Het Fundament, het énige Fundament, ook voor ons persoonlijk geestelijk leven. Zo wij hierop niet gebouwd zijn, het zal zijn dat we geen dageraad zullen hebben.
De vraag kan gesteld worden of we er wel altijd voldoende van doordrongen zijn, dat het op het fundament in de allereerste plaats aankomt. Een fundament geeft vastigheid. Daarom zal ons geestelijk leven, wil het wel zijn, in beginsel de vastigheid van dit Fundament moeten kennen. Niet maar verstandelijk, maar als een kracht Gods welke daar van uitgaat, ervaren. Ons geestelijk léven heeft er niet genoeg aan om b.v. te drijven op allerlei vrome gevoelens, niet genoeg aan een vaag misschien, niet genoeg aan een hoop zonder meer. Neen, ons geestelijk leven zal een rustpunt moeten hébben op het Fundament, zodat er de vastheid des geloofs niet aan ontbreekt. Dan is er een andere hoop dan voorheen. Voorheen was die hoop maar een wensen, een dode hoop. Doch zodra ons geestelijk leven Schriftuurlijk gefundeerd is, is er de levende hoop, die niet beschaamt.
Hoe is het met het geestelijk leven onder ons ?
Terwijl ik deze vraag stel, moet ik denken aan een woord van Calvijn. Calvijn zag terug op de droeve geestelijke toestand, zoals die in de Roomse kerk heerste, waaruit de Heere hem en velen met hem, uitgeleid had. En dan zegt Calvijn het volgende: , , Niemand was er die alleen in Christus' gerechtigheid de rust vond voor zijn gemoed. Dat gelovig zich toeëigenen van het heil, dat in Uw Woord wordt bevolen en dat op Uw Woord gegrond is, was bijna geheel verdwenen."
Als Calvijn heden ten dage leefde, zou hij misschien deze zelfde woorden niet moeten herhalen, ook ten opzichte
— laten we maar dicht bij huis blijven
— van de Gereformeerde Gezindte?
, , Dat gelovig zich toeëigenen van het heil, bijna geheel verdwenen". Ja, is de huidige geestelijke situatie in het algemeen gesproken, niet dermate droevig, dat men vaak zelfs verstandelijk nauwelijks meer de woorden der geestelijke zaken kent, laat staan de zaken der woorden? Dat men zelfs verstandelijk, ook al gaat men zondag aan zondag tweemaal ter kerk, van verre niet meer weet wat tot het a.b.c. van het geloof behoort; van verre niet meer weet welke fundamentele geloofszaken er gekend moeten worden, wil er van een gegronde hoop voor de eeuwigheid sprake kunnen zijn.
Beperkt de verstandelijke kennis zich meestal niet tot dit ene: de mens zal wedergeboren moeten worden? Maar hoe weinig verdiept men zich in de dingen die rondom de wedergeboorte liggen, die daarvan wel te onderscheiden zijn, doch niet gescheiden kunnen worden.
Hoe weinig verdiept men zich nog met een heilbegerig hart in de werken des Geestes, zoals daar zijn: inwendige roeping, geloof, inlijving in Ohristus, vereniging met Christus, verzoening der zonden, rechtvaardigmaklng, verzegeling des Geestes en als vrucht van dit alles: de heiligmaking.
Dit zijn toch werkingen des Geestes die niet buiten de mens omgaan, waarvan men toch geen vreemdeling zal mogen zijn, wil het met ons geestelijk leven wel zijn. Wie hiervan in beginsel niets kent en nochtans met bepaalde geestelijke stemmingen of gevoelens zich op de been wil trachten te houden, die moge het Woord des Heeren ter harte nemen: , , Wee de gerusten te Sion".
Er is maar één Fundament, één Rustpunt, n.l. Jezus Christus. En Jezus Christus werkt nog, ook in 1959, door Zijn Woord en Geest op dezelfde wijze het geestelijke leven in een dode zondaar, als Hij dit deed in de eeuwen die achter liggen. Dan wordt er iets gekend van ai die zaken, zoals we die hierboven noemden.
De een zal dit in meerdere mate, de ander in mindere mate bewust ervaren, de een zal dit beter onder woorden kunnen brengen dan de ander, maar de vrucht van dit alles zal zeker niet achterblijven. Deze vrucht, zoals de Dordtse Leerregels leren; : , , dat de gelovigen door deze genade Gods (n.l. die der wedergeboorte) met het hart geloven en hun Zaligmaker liefhebben." Met het hart geloven en liefde tot hun Zaligmaker als wefderliefde, omdat Hij eerst heeft liefgehad.
Eén ding is nodig: ons geestelijk leven moet het Fundament hebben.
Eén ding is nodig: we moeten wedergeboren worden.
Maar, en hier wringt, wanneer ik het wèl zie, in veler geestelijk leven in onze dagen, de schoen, die wedergeboorte wordt in haar kracht en geestelijke vrucht onzegbaar onderschat.
Men beschouwt haar vaak als iets , , sluimerends", waarvan men zich jarenlang misschien, niet bewust kan zijn en haar toch bezitten. Hoe geheel anders beschrijven dan de Dordtse Leerregels de wedergeboorte, n.l dat zij in haar kracht niet minder noch geringer is dan de schepping of de opwekking der doden; alzo dat al degenen, in wier harten God op deze - wonderbaarlijke wijze werkt, zekerlijk, onfeilbaar en krachtiglijk wedergeboren worden en metterdaad geloven.
En zegt de Heidelbergse Catechismus in zondag 26 niet, dat men door de wedergéboorte met het Bloed en de Geest van Christus gewassen wordt, dat betekent vergeving van zonden te hebben, een nieuw schepsel te zijn en tot lidmaten van Christus geheiligd te zijn?
Mag men dan, indien men deze kracht der wedergeboorte noch de vruchten daarvan in eigen hart niet kent, de stille hoop koesteren toch wel misschien het leven der wedergeboorte deelachtig te zijn? Ik meen dat de Heilige Schrift en onze Belijdenisgeschriften ons daartoe niet het recht geven.
Zolang wij niet persoonlijk weten geestelijk uit modderig slijk opgehaald te zijn en dat onze voeten gesteld zijn op de Rotssteen Jezus Christus, zolang we nog niet op die Rotssteen de lofzang des geloofs, de lofzang Gode leerden zingen, zolang bevinden we ons nog in het modderig slijk. En al is het mogelijk dat God in dat modderig slijk met Zijn Geest werkzaam is, toch blijft het waar: alleen op het Fundament, alleen op de Rotssteen, daar is de veiligheid.
Buiten Christus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.
We moeten deel, bewust deel hebben aan het grote offer dat Christus op Golgotha gebracht heeft. We moeten, zal het wel zijn, Christus door het geloof bezitten.
Misschien dat zulk een taal deze, of gene wat hoog in de oren klinkt. Enerzijds te afsnijdend, anderzijds de ware christen op een te hoog voetstuk plaatsend.
Gevoelen we dit misschien zo aan, Omdat we de taal der Heilige Schrift, de taal der reformatie, de taal onzer Belijdenisgeschriften verleerd hebben? Omdat het leven uit het geloof te weinig meer gekend wordt?
Geloof en wedergeboorte gaan samen. Calvijn leert ons dat de mens door het geloof wedergeboren wordt. En wat is nu een waar geloof? Laat zondag 7 het ons zeggen: „Niet alleen een stellig weten of kennen, waardoor ik alles voor waarachtig houd, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest, door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij, vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is uit loutere genade, alleen om de verdienste van Christus wil".
Zondag 12 zegt: „Ik ben door het geloof een lidmaat van Christus".
Zondag 23 getuigt: „Door het geloof ben ik in Christus voor God rechtvaardig en een erfgenaam des eeuwigen levens" en dat niettegenstaande de aanklagende conciëntie.
In zondag 32 belijdt de Christen, dat „Wij uit onze ellendigheden door Christus verlost zijn".
Door het geloof wedergeboren, brengt dus de door de Heilige Geeét gewerkte vrijmoedigheid des geioofs met zich.
Art. 22 van onze Nederl. Geloofsbelijdenis zegt dan ook: , , Wij geloven, dat, om ware kennis dezer grote verborgenheid te bekomen (n.l. betreffende de verzoenende kracht van Christus' offerande aan het kruis) de Heilige Geest in onze harten ontsteekt een oprecht geloof, hetwelk Jezus Christus met al Zijn verdiensten omhelst. Hem eigen maakt en niets anders meerbuiten Hem zoekt".
De verleiding is groot om nog meer uit onze Belijdenisgeschriften. aan te halen. Hieruit zou overduidelijk blijken, dat onze Vaderen op grond van het Woord des Heeren het geestelijke leven dat Gods Geest door de wedergeboorte werkt, zien als een leven dat tot de vrijheid der kinderen Gods leidt.
Boston zegt hiervan b.v.: , , In de wedergeboorte wordt Christus lijdelijk ontvangen in het hart. Hij is gekomen in de ziel, door Zijn levendmakende geest, waardoor geestelijk leven aan de mens is gegeven, die in zichzelf dood was in zonden. En zijn eerste levendige daad mogen wij bevatten te zijn een dadelijk aannemen van Jezus Christus, ontdekt in Zijn heerlijke uitnemendheden; dat is een geloven in Hem, van hetwelk de onmiddellijke uitwerking is vereniging met Hem".
We mogen hierbij natuurlijk niet over het hoofd zien dat er zijn, die als een Timotheüs van kindsaf de Heere vrezen en zich daardoor niet zo zeer een duidelijke overgang van de duisternis tot het licht bewust zijn. Ook zijn er zielen, die wel wedergeboren zijn, maar misschien toch niet voldoende licht hébben om van de wederbarende werkingen des Geestes in hen een duidelijke verklaring te kunnen geven. Maar, en hier komt het dan toch op aan, de vrucht van de wedergeboorte zal dan toch aanwezig moeten zijn, n.l. , , 'met hun hart geloven en de Zaligmaker liefhebben."
Als algemene regel mag toch wel aangenomen worden, dat een zondaar die wedergeboren wordt, zich van zijn overgang van de duisternis tot Gods wonderbaar licht zeer zeker bewust is. Vandaar dat Calvijn en onze Vaderen, zowel in de Institutie als in onze Belijdenisgeschriften, op grond van Gods Woord, deze dingen uiteengezet hebben.
Een wedergeboren mens weet wat verlossing is. Weet uit welke grote nood en dood hij verlost werd, door Zijn Verlosser, die sterk is. Al zou hij alleen maar kunnen getuigen: , , Eén ding weet ik, dat ik blind was en nu zie." Zulk een kan dus getuigen dat hij op wonderbare wijze van zijn geestelijke blindlheid genezen is en mag wandelen in het licht.
Wil dit alles nu zeggen, dat zulke wedergeboren mensen die door louter genade mogen weten het eigendom van Christus te zijn en deel te mogen hebben aan al Zijn schatten en gaven, grote christenen zijn, die alle twijfelingen en aanvechtingen verre te boven zijn? Die als het ware bij het begin van de ïevensweg tot het x, y, z van het alfabet des geioofs zijn gekomen? Wie dit zou menen, kent het echte leven des geioofs niet.
Als er ooit iemand, in plaats van een groot christen te zijn, een ootmoedige, kinderlijke gestalte zal hebben, dan wel een wedergeboren mens, die in Christus zich mag geborgen weten.
Ja, zulk een zingt lofzangen, maar lofzangen waarbij de knieën zich buigen. Nog dieper — en die het bij eigen ervaring weet zal het beamen — nog dieper dan toen hij het uitriep: , , Och Heere, och wierd mijn ziel door U gered". Want het is de lofzang der aanbidding. En nooit worden er knieën dieper gebogen, dan door hem die in geloof aanbidt.
Zulk een is verlegen met Gods weldaden en vraagt zich af:
Wat zal ik met Gods gunsten overlaan,
Die trouwe Heer voor Zijn gena vergelden?
Maar dan blijft ook het antwoord niet uit:
'k Zal bij de kelk des heils Zijn Naam vermelden
En roepen Hem met blijd' erkent'nis aan.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's