Calvijn-herdenking 1
1959 is een Calvijnjaar, dat heeft wel ieder van ons kunnen merken. Nu de 10e juli nadert (Calvijn's verjaardag) wordt het tijd, dat ook te dezer plaatse aan de gedenkwaardige feiten, die dit jaar verjaren (vereeuwen!) enige aandacht wordt geschonken. We doen dit in drie artikelen. Want hét aantal der jubilea is even groot.
Calvijn werd geboren in 1509, dus 450 jaar geleden. In 1559, vier eeuwen geleden, gaf hij de laatste uitgave van zijn dogmatiek, de Institutie in het licht. En even lang is het geleden, dat in Genève de academie werd geopend, tot welks oprichting Calvijn kennelijk de stoot gegeven heeft.
Calvijn als mens.
Deze drie feiten willen we nu en in de komende artikelen kort belichten. We beginnen dus met het eerste: Calvijn werd 450 jaar geleden geboren.
Dat spreekt ons allereerst van zijn eenvoudige menselijke bestaan. Het is goed, dat we daarop nadruk leggen. Calvijn heeft zich een eenvoudig klein mens geweten; verwatenheid was hem wel zeer vreemd. Als wij achteraf denken aan het grote belang, dat deze man voor Geneve en voor half Europa had, menen we allicht, dat hij in een sfeer van glorie en eer heeft geleefd, die we hem dan wel wat benijden. Maar niets is minder waar dan dat. Calvijn was géén ongekroonde koning van Geneve, had geen paleis, geen hofhouding, geen wachtpost voor de deur en geen koninklijk inkomen. Toen eens een hoge functionaris uit de Roomse Kerk aan zijn deur aanklopte, deed een eenvoudig gekleed man open. De bezoeker hield hem voor een huisknecht en informeerde, of de heer van het huis mogelijk aanwezig was. Tot z'n verwondering werd hem geantwoord, dat die in eigen persoon voor hem stond.
Zo'n anecdote is verheffend. Wat aanstellerige maniertjes plegen kleine zelfbewuste{? ) mannetjes' in wereld en kerk te hebben! Calvijn was groot genoeg, om die niet nodig te hebben; tegelijk ook klein genoeg, om die te verfoeien.
Eenvoud.
Aan Calvijn als mens is dus een zeer eenvoudige, diep-menselijke, aantrekkelijke kant. Geloof hen niet, die u wijs maken, dat hij zo moeilijk is. Hij is niet moeilijk; alleen moet u hem dan niet lezen in oude, moeizame vertaling, maar in een zo verse, levende stijl, die aan zijn levendige eenvoud recht doet. Die eenvoud komt prachtig uit in z'n preken, die iets zeer gemoedelijks hebben. In zijn Schriftuitleg toont hij zich een geleerde, maar van , , geleerderigheid" hebt u bij hem geen last. Zoudt u nóg niet overtuigd zijn: neem dan een bundeltje van zijn brieven ter hand. Wat een fijn, diep meegevoel! Calvijn had de fijne tact, met de eenvoudigste en met de hoogstgeplaatste te kunnen omgaan. Het zou elk onzer deugd doen, hem hierin tot voorbeeld te nemen.
„Majesteit".
Maar had de stadssecretaris van Geneve dan geen gelijk, toen hij na Calvijn's sterven in zijn notulen schreef: God had hem iets majesteitelijks verleend?
We betwijfelen dat niet; deze man heeft Calvijn gezien, gehoord en hoog geacht. Er is ook geen twijfel aan, of Calvijn is zich zeer goed van zijn roeping bewust geweest. Juist dat maakte hem waakzaam en strijdbaar; hij vond het een laffe hond, die niet zou blaffen, ais zijn meester wordt aangerand. Maar deze roeping heeft Calvijn zeer grondig van zijn aanleg en persoon onderscheiden. Zlchzelf en zijn mede-dienaren des Woords mag hij graag aanduiden als; , , Kleine mensen, die uit het stof opkomen". Zo moet zijn verwondering groot zijn geweest, dat het zijn God behaagde, hem, één van die kleine mensen, tot groot werk te bestemmen. Leest u maar eens zijn uitleg van dat woord van de grote schat in het aarden vat!
Afgaand op dat, , majesteitelijke" heeft men wel van Calvijn beweerd, dat hij meer gevreesd dan geliefd is geweest. Als we echter de algemene rouwklacht bij zijn sterven horen; zien, dat alles in Geneve na zijn dood doorgaat, zoals het door hem gedaan was; letten op de hechte vriendschapsbanden, die hem met zeer uiteenlopenden (Melanchton, Bucer, Bullinger) verbonden, dan is onze conclusie: Calvijn was in geen geval een trots, moeilijk toegankelijk man. Maar hij was een belangrijk man, daarbij een overbezet, altijd druk man, met daarbij een wankele gezondheid. Dat alles zal hem iets kortafs, iets gereserveerds hébben kunnen geven, dat niet te kort deed aan zijn eenvoudige, hartelijke menselijkheid.
Jammer, dat we hem zo weinig van dichtbij kennen! De fotografische camera en de bandopnamen, die ons zoveel genoegen bereiden, zijn te laat uitgevonden. De levende stem heeft niemand van ons gehoord. En de meesten onzer moeten, als ze zijn werken lezen, het ook nog met vertalingen doen, die vaak vrij pover zijn en van de spreker een zéér gebroken en vertekend beeld geven. Hoe Calvijn er eigenlijk uit heeft gezien, weten we ook niet nauwkeurig. De portretten, die van hem nogal bekend zijn, vooral datgene, dat men aan de schilder Holbein pleegt toe te schrijven, geven een zeer verschillend beeld; gedurig duiken er nieuwe afbeeldingen op, welker authenticiteit alweer moeilijk kan worden vastgesteld.
Calvijn wikt, God beschikt.
We komen daaruit tot de conclusie: Calvijn is een ander mens, dan velen zich hem voorstellen. Wat ons een van de rijkste kanten van zijn leven lijkt uit te maken, is dit: dat zijn leven ook zo heel anders is verlopen, dan hij zelf, z'n vader en zijn vrienden hebben gedacht. We noemen zijn vader met name. Dat was een eerzuchtig, berekend man, die zich had voorgesteld, dat een studie in de theologie het meeste voordeel voor z'n zoon. zou opleveren. Later, toen hij met ettelijke theologen overhoop kwam te liggen en ze hem processen aandeden, vond hij een studie in de rechten verreweg meer actueel en Calvijn had te gehoorzamen. Van harte ging het niet, want na de dood van zijn vader ging Calvijn in de letteren studeren. Al die veranderingen hebben adhteraf wel een verrijking betekend:
Calvijn was van, vele markten thuis. Maar ze doen blijken, langs hoe weinig vaste lijn, Calvijns- levensontwikkeling liep. Zo is het z'n levenlang gebleven. Het werd keer op keer bewaarheid: De mens wikt, God beschikt. Geen wonder dus, dat deze Calvijn de man van de praedestinatie werd en we worden hier gewaar, hoe weinig dat hem theorie en in hoe rijke mate het hem practijk was.
De Calvijn, die dus niet naar de theologie terugkeert, maar tot de schone letteren overgaat, heeft zich vervolgens kennelijk voorgesteld, een academische leerstoel te bemachtigen. Hij schreef daartoe een uitstekend geschrift. Sloofde zich uit, om er naam mee te maken, maar kwam er geen centimeter verder mee in die begeerde richting. Het was toch zo'n uitblinkend geleerd boekje. Er ligt een kostelijk stukje ironie van Gods' welbehagen in, dat uitgerekend dat simpele catechisatieboekje, dat z'n eerste Institutie in eerste aanleg was, hem nu juist wèl een wereldnaam bezorgde. Maar op een wijze, die hem allerminst heeft bekoord. Als hij door Geneve komt en Farel daar hoort, dat n.b. de schrijver van de Institutie in de stad is, en hem stormenderhand verovert voor de dienst in Geneve, heeft Calvijn mogelijk gedacht: Wat een hard lot is het een , , beroemd" man te zijn! In Geneve zou Calvijn enkel wat helpen, allereerst predikanten opleiden. Maar de helper werd een drijvende kracht en hij heeft geslachten in Genève opgeleid.
Karakter.
We kunnen niet voortgaan, dat thema, dat we aanwezen: Calvijn wikt. God beschikt, z'n hele leven door te laten klinken. Het is veel beter, dat elk, die deze regels leest, dat zelf maar eens ter hand neemt. Genoeg, om te doen blijken, hoe Calvijn helemaal geen strever en succesbejager was, , die een makkelijk paadje afbakende en er daarna alles op zette, om deze zijn plannen, mogelijk , , met Gods hulp" door te drukken. Van hem worden twee zinspreuken overgeleverd, die men nogal eens onder z'n portret ziet staan. Het eerste is: Prompte et sincere. Wat zeggen wil: Vaardig en oprecht. Daarnaast wordt een hart, dat bloedt, afgebeeld, dat op een opgeheven hand rust, met een omschrift: Ik breng mijn hart, bloedend. God ten offer. Wat voor kwaad men van Calvijn zal kunnen spreken, in alle geval niet, dat hij zelfzuchtig en baatzuchtig was. Wat nog een fraai gebaar, als hij, op z'n sterfbed, z'n laatste salaris aan de Raad van Geneve terugstuurt, met de mededeling, dat hij het niet kan aanvaarden, daar hij er niets voor gedaan had. De Raad heeft hem nu en dan iets extra's vereerd, maar heeft het hem eigenlijk moeten opdringen! En dat niet, omdat Calvijn er warmpjes bijzat, zodat hij het niet nodig had! Hij liet, voor een man van zijn betekenis en werkkracht, een zeer kleine erfenis na, waaruit we aflezen, dat hij het naar vermogen had toegepast: Gij hebt het om niet ontvangen, geef het om niet.
Vroeg verteerd.
We schreven iets over de mens Calvijn, die in 1509 geboren werd en zo'n bezig, moeilijk, gezegend leven had. Hij is niet oud geworden maar 55. Als wij zo ongeveer zo oud zijn en onze arbeid met de zijne, onze paar boekjes en artikelen met die imposante rij van zijn werken vergelijken, worden we niet groot. Maar temeer dan voelen, we: deze man wil niet verafgood of slaafs nagepraat zijn. Zelf verbood hij ten stelligste, een ..calvijnse" of „calvinistische" kerk te stichten. Hij wist zich een dienaar van God, een getuige van de Heere Jezus Christus, een man, aangewezen op de onderstand van de Heilige Geest. Van zulke mensen valt wat te leren. Al de holle vaten, die luid klinken, verraden hun leegheid; deze man, die Gods genade tegenover mensenwerk en mensenwaardigheid stelde, is een man van gehalte, een zielzorger, een vriend. Dat dus ondanks dat „majesteitelijke" in hem; we zouden van hem willen zeggen, wat van Mozes gold: Zijn aangezicht glansde, maar hij wist het zelf niet.
Het is die moeite waard, deze man te ontmioeten.
Deze enkele krabbels streven geen , , systematisch" doel na. Dat deed Calvijn ook niet, hoezeer het beweerd wordt. We zouden u willen aanraden, wanneer uw kennis van Calvijn's leven niet groot is, die te vermeerderen en op te frissen. Er is lectuur genoeg. Natuurlijk deed u het beste, met Calvijn zélf te lezen, bv. zijn Institutie, en dat bekende tractaat over de Reliquien en de Brief aan Kardinaal Sadolet, die uw dominee vast wel heeft en u anders maar eens kopen moest. Wat betreft de levensbeschrijvingen: dat oudere werk van Henry (niet de man van die bekende bijbelverklaringen!) is niet te versmaden. Maar er zijn latere, die licht dichter bij u staan. , , 'Oubaas" Penning, wiens boeken over de Zuidafrikaanse oorlog we vroeger verslonden, schreef ook een aardig boek over Calvijn. Uit de laatste tijd zijn daar de boeken van dr. Praamsma en prof. Dankbaar, waaruit u veel kunt, opsteken. Wanneer u daarom even weinig of weinig meer van Calvijn kent, dan de doorsnee-mens, hebt u toch wel begrepen, waar de schuld ligt?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's