DE PREDIKING DER VERZOENING 5
Inleiding gehouden op de Jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op woensdag 15 april jl. te Utrecht
Bestrijding.
Deze leer der verzoening heeft na de Socini aan zware bestrijding blootgestaan. In de overzichten van de dogmenhistorie valt het op, dat telkens de oude argumenten in een nieuw gewaad tevoorschijn komen.
Hoe genuanceerd onderling, bij Bolkestein, Korff, Brouwer en Roscam Abbing vinden wij bezwaren tegen de noties: stillen van de toorn Gods, betalen van de schuld en verdienen van de zaligheid. Van een borgtochtelijk werk van Christus is in de werken van deze theologen geen sprake. Liever gaan sommigen in deze tijd tot aan de rand van het patripassianisme. Onder patripassianisme heeft men steeds verstaan, dat de Vader leed op Golgotha. Deze ketterij is door de Kerk van alle eeuwen steeds afgewezen. Toch is vandaag het zuivere patripassianisme niet zozeer in het geding. Veel meer horen wij nu, dat God zelf in Christus geleden heeft. Dat noemen wij het theopaschitisme. Dan kunnen wij uitdrukkingen lezen als: „Het was God zelf, die in Zijn Zoon ons vlees en bloed aannam en in onze nood afdaalde, het was God zelf, die in Zijn Zoon zichzelf solidair met ons lot maakte. God is het subject van de plaatsbekleding. God heeft het conflict tussen Zich en ons tot een oplossing gebracht door het in Zichzelf te dragen. In Christus draagt God alles voor ons".
Dat wordt wel genoemd de leer van de lijdende God. God leed in Christus. Sommigen, die deze gedachte voorstaan, gevoelen zelf wel, dat zij de grenzen van de openbaring Gods overschrijden en voegen er verklarend aan toe, dat de Vader wel buiten de wereld blijft, maar medelijdt in de Zoon, omdat deze het innigst is van zijn wezen. Deze leer van de lijdende God is uit Engeland ook in ons vaderland geïmporteerd. Men wil zo sterk mogelijk accentueren, dat God niet onbewogen staat tegenover de nood van deze wereld, maar dat Hij daaraan deelneemt. Geen onaandoenlijkheid, maar bewogenheid en deelname aan de nood van deze wereld. Hij is solidair met deze wereld, neemt zelf de schuld op Zich, geeft Zichzelf prijs in goddelijke zelfverloochening. Roscam Abbing wijst er op, dat God het oordeel over de zondaar richt op Zichzelf. God handhaaft Zich zo, dat Hij Zichzelf prijsgeeft. Er is een strijd in Gods hart, waarbij de genade in het oordeel zegeviert, omdat God Zichzelf verloochent en dus het oordeel tegen Zichzelf richt en gelding verleent. Loen zegt het nog krasser: „God heeft de dood en de verdoemenis voor ons willen dragen; wat God op Zich genomen heeft, kan ons niet meer treffen" (Dr. G. C. Berkouwer: Het werk van Christus, pag. 292 V.).
Ook bij Barth treffen wij analoge gedachtengangen aan. Hij zegt: Gods eigen hart lijdt aan het kruis. God zelf in Jezus Christus lijdt de vloek, waaraan onze existentie vervallen is. Dat houdt in, dat Hij, deze Andere, zijn existentie voor ons geofferd heeft. God heeft, zonder op te houden God te zijn, Zich in Jezus Christus begeven in de uiterste aanvechting. Het valt op, dat men in de nieuwere theologie, zich soms distantieert van Ritschl, die de toorn Gods een misverstand van onze zijde noemde. Men wil van de toorn Gods spreken, maar deze toorn wordt binnen God overwonnen, wordt op God zelf geprojecteerd. Zo wordt de verzoening tot een intertrinitarisch liefdesdrama, dat wil zeggen tot een drama, dat zich afspeelt tussen de drie personen van het goddelijk wezen. Veelal geeft men eerst een karikatuur van de leer der Kerk en heeft dan gemakkelijk spel — naar men meent — om tegenover deze karikatuur de gedachten over de lijdende God gunstig te laten afsteken. Maar men bedenke, dat op deze wijze de eigenschappen Gods niet meer bijbels doorklinken. De soevereiniteit en de majesteit Gods geraken hier in het duister. Hier worden de drie personen niet ontzien. Immers de Vader is een Andere dan de Zoon, zoals de Zoon een Andere is dan de Vader en de Heilige Geest een Andere is dan de Vader en de Zoon. De eigenheid van de drie personen is hier in het geding. Wij moeten hier recht onderscheiden zonder te scheiden. Hier is de plaats van de Middelaar in het geding. Immers God heeft deze Middelaar gesteld en Hem tot zonde gemaakt. Daarmede maakt God niet Zichzelf tot zonde! Nergens in de Schrift wordt gezegd, dat God in Christus de schuld op Zich nam. Het is Christus de Middelaar, die de schuld op Zich nam en niemand anders. Deze Middelaar is de gave Gods bij uitnemendheid en is tegelijk de verzoening van onze zonden. Hij stilt de toorn Gods. De toorn Gods blijft niet binnen de wanden van het goddelijk wezen, maar ontlaadt zich in de historie tegen de Middelaar, de Plaatsvervanger, de Borg. Hier gaat het maar niet om de abstracte vraag van tijd en eeuwigheid, maar om de daden Gods in de geschiedenis van Kruis en Opstanding. Daarmee is niet gezegd, dat de liefde Gods door iets buiten God wordt opgewekt, maar dat de liefde Gods Christus stelde, opdat Hij door zijn lijden, sterven en opstanding ons met God zou verzoenen. Daar spreekt God met ons en anders nergens. God geeft het bloed op het altaar. Dat was reeds de tegenwoordigheid Gods in het Oude Testament. Vanaf het verzoendeksel sprak en handelde God met zijn volk. Op dit verzoendeksel was het bloed gesprengd.
Daarom is het ook niet juist te zeggen, dat het bloed van Christus alleen een teken van de liefde Gods is. Dan wordt het kruis alleen een kenprincipe van de liefde Gods en is het element van de toorn Gods volledig uitgeschakeld. Dan dient het kruis alleen als een onthulling van de liefde Gods. Onge twijfeld is hier een element van waarheid. Wij hebben zorgvuldig te waken, dat wij in de bestrijding van de dwalingen niet schriftuurlijke momenten kwijtraken. Zo is het een element van waarheid, dat de liefde Gods nergens dieper wordt geopenbaard dan aan het kruis. Maar wanneer van bepaalde zijden gezegd wordt, dat het Kruis niet de toorn Gods openbaart, maar alleen kenprincipe van de liefde Gods is, dan is dit een mistekening van de verzoening in de prediking. Immers dan wordt het in de prediking zo voorgesteld, dat deze liefde Gods erop gericht is wederliefde te wekken en dat door deze wederliefde de verzoening gerealiseerd wordt. Waarom God de weg van het kruis gesteld heeft, bljft dan wel een groot raadsel.
Zelfs wanneer men toegeeft, dat in het kruis de volle ernst van God met de zonde openbaar komt, trekt men de verzoening scheef, wanneer niet tegelijk wordt opgemerkt de ernst, die God met de zonde maakt in het geheel der Schrift. Dan is men het Oude Testament kwijt en de goddehjke ernst tegen de zonde, die openbaar kwam in de vloek der wet en de wegneming daarvan in de weg der verzoening. Het is merkwaardig, dat juist in deze beschouwingen de dodelijke ernst met de heiligheid en de gerechtigheid God is verdwenen. De toorn Gods wordt niet meer gevoeld, het gevoel van volstrekte doemwaardigheid niet meer doorleefd. Het zwaartepunt van het bestaan van de mens wordt niet meer gezien aan de , andere zijde van het graf, maar aan deze zijde. Juist in beschouwingen, waarin het kruis als het kenprincipe van de liefde Gods en als de uiting van de ernst met de zonde wordt gezien, is de erfzonde geheel uit het gezichtsveld verdwenen. Het in Adam aan de verdoemenis onderworpen, speelt geen rol meer. Harnack heeft eenmaal gezegd, dat het afgrijselijk voorrecht van God volgens de oude satisfactieleer zou zijn: niet zomaar te kunnen vergeven. Hier past ook de uitdrukking van Voltaire: God zal vergeven — het is zijn beroep! Daarom moeten wij bij deze solidaristische verzoeningstheorieën wel zeer op onze hoede zijn. Men ontdoet God van de meest eigenlijke trekken en houdt een God over, die geen gerichtsacte voltrekt, maar een God van louter liefde zou zijn. Het is dan ook te begrijpen, dat in deze omgeving niet meer gesproken wordt van schuld, van eeuwige verdoemenis, vlammende toorn Gods en van de rook der pijniging, die tot in eeuwigheid opgaat. Deze door en door bijbelse gegevens passen niet in een leer, waarin verklaard wordt, dat God Zich lotsgemeen heeft verklaard met ons en de schuld op zich neemt, zodat Hij deze schuld nooit meer aan ons bezoekt. Het kruis is niet alleen openbaring van de liefde Gods (dat ook: God gaf het zoenmiddel) maar tegelijk van de toorn Gods. Immers de toorn Gods is gekrenkte liefde! Het is niet alleen en niet in de eerste plaats een onthulling of illustratie, maar een gebeuren, een daad Gods in de historie, waardoor de schuld wordt weggenomen. De kern, waarom het gaat, is: Zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving. Wanneer men dit kernwoord uit het Oude Testament — door de apostel in de Hebreeënbrief uitdrukkelijk herhaald en op het offer van Christus toegepast — verklaart als een insluipsel uit heidense offertheorieën, houdt elk gesprek over de verzoening op, omdat men dan het Woord Gods aantast op een verschrikkelijke wijze.
Het kruis is dus niet in de eerste plaats een illustratie van wat er in het hart Gods is uitgestreden, maar een gebeuren een daad van God, een terechtstellen van de Middelaar. Wie onder het kruis de goddelijke rechtsorde weghaalt, houdt een god over, die wel vergeeft, maar onkwetsbaar is en dus een afgod is. De God en Vader van onze Heere Jezus Christus kan toornen en heeft dit gedaan op een goddelijke wijze óp Christus aan het kruis van Golgotha. Het kruis is dus een totstandkomen van de verzoening, waartoe God Zelf het initiatief heeft genomen. Aan het kruis wordt Christus gehecht en door de Vader opgericht als het zoenmiddel.
De scherpste critiek geeft Dr. G. C. Berkouwer in zijn: Het werk van Christus, pag. 301, wanneer hij dit korte zinnetje neerschrijft: „In de subjectieve verzoeningsleer gebeurt niets." Daarmee is deze leer gekarakteriseerd. Daarom gaat met de aanhang van deze subjectieve verzoeningsleer vaak gepaard een vervluchtigen van de heilsdaden Gods in de historie. Ligt hier ook niet een verklaring van de vraag hoe het mogelijk is, dat velen uit de kring van de Midden-Orthodoxie met de vrijzinnigheid arm in arm gaan? Meer dan ooit moet vandaag de volle nadruk gelegd worden op de waarde en de betekenis van het historisch werk van Christus. Want daardoor alleen worden mensen, die eertijds verre waren, nu nabijgebracht door het bloed van Christus, worden gewetens gereinigd van dode werken om de ware en levende God te dienen, worden klederen wit gewassen door het bloed van Christus. Dit is niet een onthulling, maar een gebeuren, een werkelijkheid, die tot op de dag van vandaag voortgaat. Hier is de werkelijkheid van de toorn en de liefde Gods, die voor ons verstand niet doorzichtig is te maken, maar die er in zijn eenheid is. De liefde Gods is niet een slappe menselijke liefde, maar een liefde, die het recht vervult en respecteert. Sion zal door récht verlost worden. Hier is een moeten waarop de Schrift één- en andermaal wijst. Moest de Christus niet al deze dingen lijden en in Zijn heerlijkheid ingaan? Dit moeten wordt van zijn kracht beroofd, wanneer de liefde Gods wordt voorgesteld als een niet te beledigen liefde, één die niet toornen kan.
Het kruis is dus niet alleen en niet in de eerste plaats bekendmaking van de liefde Gods, maar de openbaring van de liefde Gods door de gerichtsacte aan de Zaligmaker. Vandaar dat Calvijn en Augustinus in hun prediking altijd dat heen en weer kenden van de toorn naar de liefde en van de liefde naar de toorn. Zij hebben geweigerd de toorn in de liefde te laten ondergaan of om de toorn door de liefde te laten omspoelen. Verzoening is nooit miskenning, maar erkenning van de rechtsorde.
{Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's