De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE PREDIKING DER VERZOENING 6

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE PREDIKING DER VERZOENING 6

10 minuten leestijd

Inleiding gehouden op de Jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op woensdag 15 april jl. te Utrecht

God heeft het woord der verzoening in ons gelegd.

Dat betekent:

God heeft het aan ons toevertrouwd. Dat is niet een aanhangsel, maar een wezenlijk deel van de verzoening. God heeft de prediking van de verzoening en de bediening daarvan in het geheel der verzoening een wezenlijke plaats gegeven. Dat betekent natuurlijk niet, dat de prediking de verzoening verwerft of verdient of daarover beschikt, maar deze bedient.

Wij zijn dienaren van deze verzoening. Dat betekent: geen apostolische successie, maar een successie in het Woord, gebonden aan God, aan zijn Woord en aan zijn Heilige Geest. Daarmee is gezegd, dat de prediking aan God hangt. Het woord der verzoening is het woord, dat de verzoening tot inhoud heeft. De taak van de dienaars is dus dat woord te bewaren. Dit bewaren is geen conserveren, maar er een worstelend mee bezig zijn. Dat houdt in naar het woord van Luther: studeren, stof inademen en bloed zweten. Het betekent ook: erin staan. Er helemaal - op betrokken zijn, er zelf uit leven, er door overweldigd worden. Want dit woord — hoezeer gegeven in Mozes en de profeten, Christus en de apostelen — overkomt ons telkens opnieuw. Het neemt ons mee naar een plaats, waar wij het soms uitschreeuwen van pijn. Jesaja wist ervan. Hij verstond, dat alles maar niet vanzelf ging. Dat woord der verzoening kan ons geducht bezeren wanneer wij daarmee in de tegenwoordigheid Gods komen, waar niet alleen de zonde van het volk, dat aan onze zorgen is toevertrouwd, bloot komt, maar ook onze eigen ongerechtigheden. Hier wordt de verzoening, wat het in wezen is: aangeraakt worden met een kool van zijn altaar. Juist in de schroeihitte van de tegenwoordigheid Gods komt de verzoening openbaar als de wegneming van onze ongerechtigheden. Dit is een wegnemen met een en al verbazing over de heiligheid en de grootheid Gods. Wonderlijk, de aanvankelijk aarzelende Jesaja gaat dan gaarne met het Woord Gods tot het volk. De tegenwoordigheid Gods maakt ons dus gewillig om deze verzoening uit te dragen. Wie bij de mensen over de verzoende en verzoenende God wil preken, moet eerst op Gods spreekuur geweest zijn. Dat is een doorgaande les voor alle dienaren der verzoening. En de ervaring is, dat hoe feller de nood is, des te rijker de ontvouwing is van de verzoening. Wie in deze dienst der verzoening God liever heeft dan - zichzelf, zal daarvan zelf de rijkste vruchten wegdragen.

Daarmee is tegelijk gezegd, dat wij het hebben af te leren grote cirkels te maken rondom de verzoening. Dat is dus de erkenning, dat er wel een mysterie der verzoening is, maar wij komen er niet in, draaien er omheen. Zoals verwacht mag worden, doen wij dat op een rechtzinnige wijze, maar wij komen er niet in. Wee ons, wanneer de nood daarvan niet telkens schrijnend gevoeld wordt. Wie in de prediking der verzoening niet in die dienst kan inkomen, voor hem blijft er maar één weg over: naar Hem, die die dienst der verzoening toevertrouwde en wel met de zielsdoorborende aanklacht en de smeking, dat God erbij zij.

Daarbij valt het op, dat de Heere Jezus en de apostelen nimmer cirkels maken in de prediking, maar recht op de man af spreken. Deze cirkels kunnen gemaakt worden in de wensende zin of in de beschrijvende zin. Wanneer wij in de wensende zin blijven steken, komen wij niet toe aan het appèl op de harten en de conscienties van de hoorders. Wanneer wij in het beschrijvende blijven steken zonder de mensen in de tegenwoordigheid Gods te trekken, stompen wij de conscienties van de mensen af. Zo vaak blijven wij steken in wat ik het voorwerk zou willen noemen, het bereiden van de bodem, de toeleidende weg en de kenmerken daarvan. Dat is een zeer ernstige bedreiging van de prediking van de verzoening. Immers dan wordt vaak, zonder dat men dit bedoelt, positie gekozen in de mens en de enige plaats: n.l. vanuit God in Christus de verzoening te preken, verlaten. Maken wij deze grondfout, dan komen wij niet aan de prediking van de volle verzoening toe, ook al doen wij aan het eind nog zulke krampachtige pogingen daartoe. Zie, hoe Paulus dit doet. Hij begint bij God in Christus en komt zo bij zijn lezers en stoot dan door tot het hart. Hij doet het echter niet omgekeerd. Een objectieve prediking, waarin breed gesproken wordt van de liefde Gods in Christus, maar gelicht uit het spanningsveld van de toorn en de liefde en waarin de hoogspanning rondom het kruis wordt gemist, geeft evenmin een oplossing en is ook te rangschikken onder het preken met wijde bogen rondom de verzoening. Want het gaat er juist om, dat Christus voor ogen geschilderd wordt in die levende beweeglijkheid, dat zijn bloed gaat druppen op de schare. Het gaat er juist om, dat de vruchten van zijn dood worden toegeëigend zo in het algemeen als in het bizonder. Het zal in elke prediking de vraag moeten zijn in het hart van de predikant: Hoe breng ik dit woord tot de harten van de hoorders? Hier geeft geen enkele methode de oplossing, maar alleen de levende tegenwoordigheid Gods in Christus, die door de adem van Zijn Geest het bloed van Christus doet druppen op de verslagen harten tot vergeving der zonden.

Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade: wij bidden van Christus wege laat u met God verzoenen.

Wij zijn dus gezanten of ambassadeurs met een lastbrief. Wij vertegenwoordigen de Koning der Kerk en hebben ons strikt aan onze lastbrief te houden. Wij hebben er niets aan toe te doen, maar er ook niets van af te doen.

Van Christuswege betekent: in de plaats van en in opdracht van. Het betekent dus niet: op de plaats van. Wij hebben Hem niet in de weg te staan. Wij hebben als een gezant en als een ambassadeur alleen van Hem, die ons gezonden heeft, te spreken. Hij heeft gezegd: Wie U hoort, die hoort Mij en die Mij hoort, die hoort Mijn Vader, die Mij gezonden heeft. Deze schriftplaats is altijd weer aangrijpend, vooral ook naar zijn keerzijde: Wie U verwerpt, die verwerpt Mij en die Mij verwerpt, die verwerpt Mijn Vader, die Mij gezonden heeft. Deze hoogspanning is nodig om aan de gemeente goddelijke zekerheid te geven over de dienst der verzoening. De gemeente heeft niets aan onze al of niet welgemeende woorden, maar heeft alles aan Gods woorden. De mensen moeten onbedrieglijke zekerheid hebben over de eerste en de laatste vragen van het leven. Zij moeten er op kunnen sterven. Zij kunnen de volgende week voor de rechterstoel van Christus staan en moeten daar het amen Gods horen op onze prediking, hetzij tot hun vrijspraak, hetzij tot hun veroordeling. Daarom behoren wij het woord der verzoening met gezag uit te dragen. Een gezant spreekt daarom met gezag, omdat hij met de volmacht van zijn Zender is bekleed. Deze hoogheid is allerminst een reden voor de dienaar om hovaardig te worden — o verschrikkeljke mogelijkheid — maar om zich erover te verwonderen, dat hij een mens is en blijft, maar een mens van God gezonden.

Hier liggen ook alle mogelijkheden van de pseudo-gezant.

Hij geeft er zich wel voor uit, maar hij is het niet. Het is de doorlopende aanklacht van God tegen de valse profeten, dat zij wel spreken in zijn Naam, maar dat Hij ze niet gezonden heeft. Zou dat vandaag niet meer zo zijn? Waaraan is dat te onderkennen? In de eerste plaats heeft Christus immer gezegd: Aan hun vruchten zult gij ze kennen. Deze vruchten zijn in het Woord des Heeren klaar geopenbaard. Immers de valse profeten spraken uit hun eigen hart. Zij stelden hun eigen woord in de plaats van Gods woord. Zij deden niemand zeer en sneden immer het oordeel uit de prediking. Daardoor waren zij in trek bij het volk, omdat zij ook naar de natuurlijke begeerten van het hart van dit volk spraken. Een pseudogezant houdt zich niet aan zijn lastbrief, maar doet er aan af of toe. Zij zijn zelf verblind en worden op het volk losgelaten als een oordeel Gods over de ondankbaarheid voor de goede woorden Gods. Het onderkennen van de pseudo-gezant begint dus bij het onderzoeken van het Woord Gods, dat hij zegt te bedienen, maar waarvan hij in leer en leven afwijkt. De inwoners van Berea worden geprezen, omdat zij dagelijks in de Schriften onderzochten of hetgeen van Paulus en Silas gesproken werd, ook inderdaad in de Schriften stond.

Daarom hebben wij allen, die het Woord des Heeren recht verkondigen, gedurig te dragen in de voorbode en dagelijks met de dienaren te waken bij dit woord te blijven.

Christus zet dus zijn priesterlijke dienst der verzoening voort in de uitoefening van zijn profetische dienst in de prediking. Hij predikt aldoor. Hij is ermee begonnen aan de Jordaan, is ermee voortgegaan aan het kruis en zet die prediking voort na Pasen en Pinksteren door de dienst van zijn knechten. Met alle aandrang en oprechtheid hebben wij de gemeente duidelijk te maken, dat God Zelf tot hen spreekt, wanneer wij in die bediening der verzoening staan. Velen menen, dat de prediking Gods eigen stem nog niet is en wachten op een stem buiten het Woord en de bediening daarvan om. Zij vergissen zich echter zeer, want — naar het bevèstigingsformulier — spreekt God door de prediking met eigen stem hen aan. Dat bedoelt de apostel, wanneer hij zegt: Zo zijn wij dan gezanten van Christus' wege, alsof God door ons bade. Dit alsof is er niet om te zeggen: het is maar schijn, maar bedoelt te zeggen: Wij dienaren roepen, echter in werkelijkheid roepen niet wij, maar God Zelf. Dit is een aangrijpende werkelijkheid, die Paulus hier blootlegt. Want hier wordt gesproken over een roepende, vermanende en biddende God. Hier is de neerbuigende liefde Gods wel het diepst: God zelf roept, vermaant en bidt. In dit roepen klinkt de vermaning en het gebed. De prediking, die Paulus bedoelt is dus totaal iets anders dan een mededeling van een stand van zaken. Hier is alles in beweging, hier is God zelf in beweging. Dan kan een dienaar van de verzoening niet zwijgen. Een rechte dienaar zou eer stikken dan zwijgen. Wanneer vanuit de zwaarte van het werk en de schijnbare onvruchtbaarheid van dit roepen bij Jeremia zich stakingsneigingen voordoen en hij het eerlijk zegt: „Ik doe het niet meer, de mensen luisteren toch niet"; wordt ditzelfde woord als een vuur in zijn binnenste en wordt hij tot nieuwe dienst geroepen. Wanneer Elia in zijn moedeloosheid onder de jeneverboom neerligt en liever sterft dan leeft, is er hetzelfde woord van de roepende God, dat hem weer in dienst stelt. En al mogen wij ons niet vergelijken met deze groten in het Koninkrijk Gods, dezelfde neigingen komen ook vandaag voor. Daarom heeft God ook vandaag hetzelfde woord, dat hij gebruiken kan als een vuur of als een zeer liefrijke vertroosting. De apostel zegt: De nood is mij opgelegd, wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig. Deze nood kan een dienaar voortdrijven totdat hij het weer gewillig doet en daarvoor ook loon ontvangt.

< Slot volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE PREDIKING DER VERZOENING 6

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's