De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Calvijn-herdenking 3

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Calvijn-herdenking 3

10 minuten leestijd

De academie.

Het derde gedenkwaardige feit van dit jaar is het 400-jarig bestaan van de Academie, die in 1559 werd begonnen, door veler samenwerking, maar stellig op aansporing van CalVijn. Hoewel dit niet het meest populaire deel van Calvijn lijkt, wilden we pogen te demonstreren, dat ook dit één van de dingen was, die hij ondernam: Gode tot eer en het volk ten baat.

Calviljn zelf academicus.

Dat hij deze stichting doorzette, heeft niets bevreemdends. Zelf was hij een academicus; wat meer zegt: een groot geleerde en wat nog meer betekent: een man, die hij een rijke geleerdheid en wijsheid eenvoudig en klein bleef.

U merkt 't wel: als u hem leest: Calvijn heeft voor alles belangstelling. Hij heeft een honger naar kennis, naar weten en verstaan. Gedurig opent hij in zijn Institutie van die kleine deuren, vanwaar ons een blik in zalen en galerijen wordt gegeven en vraagt ons: „Hebt u het gezien? " Dat heeft verband met dit onderwerp. Maar op die zijpaden pleegt hij niet te verdwalen; hij behoort tot de mensen, die een levenlang een draad, een gezichtspunt in hét oog weten te houden en het tenslotte verwerkelijkt zien. Denk maar aan Kerkorde en tucht, die hem zijn levenlang voor de geest stonden; het verband van rechtvaardiging en heiliging; tenslotte ook, wat we nu bespreken: de christelijke (hoge)school, ten bate van een beoefenen der wetenschap in eerbiedige, christelijke zin, tot baat van kerk en samenleving.

Calvijn en het onderwijs.

Reeds meteen bij zijn komst in Geneve werd Calvijn bij het onderwijs (hoger onderwijs) hetrokken. Hij werd lector bestemd om uitlegkundige colleges te geven. Wanneer er daarom later mensen geklaagd hebben dat Calvijn in een moeilijke, dure en onzekere tijd, n.b. een academie wilde stichten, hebben ze wel moeten bedenken: We konden niet anders verwachten. We hebben hem aanstonds (zo nodig) op de idee gebracht.

Spoedig stelt Calvijn dan ook de oprichting van scholen in Geneve aan de orde. Het onderwijs was er bepaald niet bloeiend; de onkunde op allerlei gebied groot en in het verwarde Geneve waren mensen, die leiding konden geven in kerk en staat, uiterst noodzakelijk, maar bijna onvindbaar. Zo kon Calvijn wel zeker zijn van een goede ontvangst van zijn voorstel, dat allereerst een middelbare opleiding aan de orde stelde, zeg: een gymnasium. Hij dacht daarbij met dankbaarheid terug aan zijn oude leermeester Cordier en polste die, of hij niet lust zou hebben in Geneve als , , regent" (rector) van zo'n school op te treden.

Echter: onderwijs is duur. Het kost gebouwen, leermiddelen en salarissen. En Genéve had het vermogen niet, dat op te brengen. We moeten wél bedenken hoe die kleine republiek daar als een lam tussen de wolven verkeerde, zodat het altijd waakzaam moest zijn en veel geld moest besteden aan leger en bolwerken. Het is een van de wonderen van kerk- en wereldgeschiedenis, dat de vijanden van Geneve onder elkaar nog weer zo verdeeld waren en elkaar niets gunden, dat ze er niet toe kwamen met vereende krachten dit ketternest uit te roeien.

Geld voor meer en beter onderwijs kon er aanvankelijk in Geneve niet op overschieten. Calvijn begreep dat goed, maar hield de zaak intussen warm. Na zijn terugkeer uit de ballingschap van Straatsburg zegt hij meteen weer tot de Raad van Geneve: Denk toch vooral aan de scholen!

Tenslotte is het er in 1559 dan van gekomen. Niet omdat het zo'n tijd van pais en vree was, noch omdat er , , begrotingsoverschotten" waren, maar alleen, omdat Calvijn de Raad had overtuigd, dat verder uitstel werkelijk niet mogelijk was. Hij had de Raad meegedeeld, dat volgens hem de bevolking van Geneve zeker wel geneigd zou zijn, in deze mee te dragen en de uitslag heeft hem daarin niet teleurgesteld. Men gaf giften, legaten, kleine en grote en zo had deze school dan meteen een plaats aan het hart van het volk.

Dat is iets moois. De Rijksuniversiteiten kunnen in deze wel iets haar zusters benijden, die wel niet uit de Staatsruif eten, maar daarvoor dan ook te meer band hebben met het volk. Als wij in ons land aan de V.U. en aan Kampen denken, weten we, dat het meeleven in brede lagen met deze scholen door hen zeer gewaardeerd wordt.

De inrichting der Academie.

Waar dacht Calvijn aan? Meteen aan een complete Universiteit, met alle faculteiten en wat maar te deniken valt? We laten nu onbesproken, dat de Mid­deleeuwse universiteiten en de onze nogal sterk verschillen. Calvijn had op die voorgangers nogal kritiek. Ze waren ontaard; ze gaven hun leerlingen veel te weinig leiding en vorming; een groot deel der studenten zat wel met , , geleerde" gezichten op de collegebanken onder de stralen van de grote lichten der wetenschap, maar begrepen er weinig of niets van. 

Het tekent Calvijn's zin voor realiteit en voor de praktijk, dat hij het stuur omwierp en zei: Een Universiteit zonder vooropleiding is een onding. Daarom: we stichten een Universiteit, die meteen een , , gymnasium" insluit; de , , regenten" daarvan letten goed op ieders vorderingen en zo worden alleen de goed voorbereiden toegelaten tot de eigenlijke academische lessen. Door deze wijze van doen kreeg men in Geneve meteen een goed gehalte; deze inrichting vond elders navolging.

De theologie voorop.

Bij de stichting van de Universiteit had — natuurlijk — de theologie de voorrang. Calvijn dacht sterk aan de Kerk en aan de dienaars, die ze nodig had. We kunnen dat vergelijken met de stichting van de Leldse Universiteit in 1575: ook daar werd eens de opleiding van predikanten bedoeld. Dit behoorde echter te geschieden in een sfeer van meerdere wetenschappen; immers de theoloog heeft geschiedkundige, taalkundige, oudheidkundige, zielkundige enz. enz. opklaring nodig. Die werden in Geneve zo goed bedoeld als bij ons te Leiden.

Tenslotte werd gedacht aan de zaak der vrijheid. Men hoopte en rekende, dat de opleiding van leidslieden in Kerk en Staat er toe strekken zou, dat de zaak der vrijheid te meer zou vaststaan. Deze hoop is o.i. niet ijdel gebleken.

In Geneve stond de theologie voorop. Vlak ernaast stonden de letteren. Men dacht ook al aan rechtsgeleerdheid en medicijnen, maar het heeft nogal wat geduurd eer ook die faculteiten gevormd en behoorlijk bezet waren. De bedoeling was er echter; daarom spreken we van een Academie en niet van een Seminarie.

Tegenstanders.

Of iedereen met die stichting zo hoog wegliep'? Dat valt niet te verwachten. Er waren zeker duitendieven of duitenliefhebbers, die zich vroegen, waartoe dit verlies aan duiten (ducaten!) dienen moest? Maar vast waren er tegenstanders van beter gehalte. Wij weten, dat in de z.g. doperse kringen de papieren der wetenschap niet hoog staan. In Geneve ontbraken de Dopers niet; ze hebben in 1559 niet geapplaudiseerd. Daarnaast weten we, dat de z.g. Geestdrijvers, tegen wie Calvijn een verbitterde strijd gevoerd heeft, van wetenschap en dgl. geheel niets moesten hebben. Calvijn vertelt in één geschrift, dat tegen hen gericht is, dat een van hun voorgangers zijn willige volgelingen had gezegd, dat de beoefening van kunsten en wetenschappen enkel ijdel en werelds kon heten; dat de echte, diepe christenen zich tot de eeuwigheidsvragen beperkten en de tijd met haar problemen aan de liefhebbers overlieten. Als we vragen wat deze mensen ertoe dreef, de beoefening van b.v. ook de geneeskunde in de ban te doen, komen we tot de conclusie, dat daarachter een zeer bepaalde opvatting van geloof en genade ligt. Ze kennen aan de gelovige mens, die de genade en de Geest kent, zoveel wijsheid en kundigheid toe, dat die door vleselijke mensen vergeeis wordt nagebootst.

In die sfeer komen we de gelijkstelling (verwarring) van genade en toerusting tegen, die b.v. heftig gekant is tegen de opleiding van predikanten en die fabrieksproducten noemt. De genade zorgt óók voor de hele verdere toerusting, menen ze; de Geest moet alles doen en het vlees niets. Wetenschap is daarbij bepaald schadelijk.

Als we deze misvatting afwijzen, ontgaat het ons niet, dat verscheidene , , geleerden" er schuld aan hébben, dat de geleendheid bij sommigen in zo'n kwade reuk is komen te staan. Geleerdheid, vooral vermeende, kan een mens verbazend verwaand maken, zodat hij ongenietelijk en onbruikbaar wordt.

Paulus sprak harde woorden tegen wijzen, gegrepen in hun arglistigiheid, tegen de ijdele raadsiagen van de wijzen der wereld. Die woorden zijn en worden niet teruggenomen. Ze mogen ons een (baken in zee zijn. Om dan intussen toch wel goed te onderscheiden tussen gebruik en misbruik. Geen gave Gods is verwerpelijk, mits met dankzegging genoten. Paulus zélf was een geleerde bij de gratie Gods, Mozes ook, en Augustinus, Luther en Calvijn niet minder. Wanneer we daarom het bedenkelijke van voze geleerdheid opmerken, moeten we ook niet vergeten, dat domme en bekrompen mensen vaak nog veel verwaander zijn dan geleerden en dat ze op hoogmoedige wijze kunnen afkeuren en veroordelen, hoewel ze in het minst niet tot oordelen bevoegd zijn. Daarop ziende wagen we de opmerking, dat we dan tóch nog liever , , geleerde" hoogmoed zouden nemen, die tenminste enig besef van grenzen, heeft, dan bekrompen botte blindheid, die zich voor getrouw wil laten doorgaan.

Gebruik en misbruik.

Calvijn heeft ijdele geleerdheid bij gelegenheid krachtig getuchtigd. Hij was er dan ook zelf het volkomen tegendeel van. Het is hem niet onbekend, dat de Heilige Geest de bron van waarheid en wijsheid is en dat deze nodige zaken uit het vlees niet opkomen. Maar dat doet hem niet doorslaan; alles heeft volgens hem in Gods bestel zijn tijd en zijn plaats; Zo kunnen we dan bij Calvijn de verrassende opmerking tegenkomen, dat de Heilige Geest de Bron en Gever is, ook der kunsten en wetenschappen, zodat, wie die gaven vertrapt, de Gever niet eert.

Zelfs kan hij zeggen, dat alle waarheid uit de Heilige Geest voortkomt, zodat wij zelfs niet aarzelen moeten, als waarheid te aanvaarden, wat de Heilige Geest ons bekend maakt, zelfs door de dienst van ongelovigen.

We begrijpen, dat deze man een , , wetenschappelijk man" kan heten, een universiteitsstichter. Onderwijs, beoefening van kunsten en wetenschappen leek hem geoorloofd, ja, geboden, mits, zo voegde hij er aan toe, ze niet onze reis naar het hemels Vaderhuis in de weg staan.

Daar heeft hij een gevoelig punt aangeraakt. Grote geleerden zijn al te vaak, zelfs doorgaans geen , , grote" gelovigen. Geleerdheid en wijsheid zijn twee; ge­leerdheid en genade nog meer. Men kan met enige moeite wel een aardige lijst opstellen van geleerden, die belijdende christenen bleven, maar de eerlijkheid gebiedt te erkennen, dat de lijst van de andere vermoedelijk 40 en 100 maal langer is. Toenemende wetenschap kan de neiging hebben, de mens zeer gerust en zelfverzekerd te maken, zonder dat daartoe enige grond bestaat. We aarzelen niet, te erkennen dat Dopers en Geestdrijvers niet zo wereldvreemd zijn, of ze weten, wat op de markt dezer wereld te koop is.

Het risico genomen.

En toch heeft Calvijn dit risico genomen en de christenmens niet van te voren van de dienst der wetenschap (en politiek) vrijgesteld. Het is dan ook te gemakkelijk, van alles de handen maar af te houden; de geesten willen beproefd zijn, of ze uit God zijn. Vandaar Calvijn's pleidooi voor de gelovige beoefening der wetenschap; vandaar zijn stichten van de Academie van Geneve, waar hij- de aanstaande predikanten wil zien studeren in een sfeer van goede wetenschap.

Calvijn en wij.

Misschien kan het herdenken van de Stichting van zijn Academie er toe bijdragen, dat wij wat meer over deze zaak gaan nadenken. Er leeft onder ons veel onrijpe wetenschapshonger en er leeft onder ons veel onrijpe wetenschapsvrees. Beide zijn gevaarlijk en armoedig; beide verraden geen kracht (al lijkt het tegendeel waar); beide hebben nodig, aan het Woord van God getoetst te worden, opdat ze , , in de Geest" beoefend en genoten, tot de ere Gods strekken en zo tot levensverrijking.

Zo deed Calvijn het in Geneve; zo komt het op deze dag voor ons te staan als opdracht en belofte.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Calvijn-herdenking 3

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's