De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kroniek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kroniek

12 minuten leestijd

Zomer 1959 — De Generale Synode der Geref. Kerken bijeen — Een nieuwe werkwijze — Van psalmen en gezangen en de geest des tijds — Dr. Lekkerkerker over „mijding van het Heilig Avondmaal" — Over de doopspraktijk — Besluit van Kolderveen's kerkeraad — „Kenterend getij".

Zoals het nu schijnt zal de zomer van 1959 een ouderwetse genoemd kunnen worden. De Bilt heeft van juni al gemeld, dat daarin een paar dagen vielen met een temperatuur-record, dat een unicum was in de laatste 100 jaar. Na de regenval, die een verkwikking is geweest, is de maand juli na enkele dagen koeler weer, opnieuw zomers warm geworden. Het lijkt voor de vele vakantiegangers de komende weken uitgezocht weer te zullen worden. De ouden zeiden van dergelijke zomers, dat het een zegen is, wanneer de Heere het weder geeft, dat in overeenstemming met het jaargetijde is.

Wordt dat in deze tijd algemeen onderschreven? De berichten over de oogst zijn niet in alle opzichten optimistisch. Vooral het gewas in de zandstreken heeft het door de droogte hard te verduren. Ook in vele weilanden was en is het voedsel voor de veestapel schaars, zodat aan inkrimping wordt gedacht.

Zo zijn er licht- en schaduwzijden, ook in deze tijden vol zomerweelde. En het zal goed zijn wanneer wij, meer of minder direct bij de oogst betrokken — indirect gaat hij ons allen aan, want ook de koning wordt van het veld gediend! — als gemeente en als enkeling, nood en zorg, maar ook de zegeningen in de zonnedagen ons geschonken, voor Gods genadetroon neerleggen, naar het woord van de apostel „Weest in geen ding bezorgd, maar laat uwe begeerten in alles door bidden en smeiken met dankzegging bekend worden bij God; en de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uwe harten en zinnen bewaren in Christus Jezus" (Philip. 4 : 6 en 7). Zo zullen we in diepere doorleving de troost van Gods voorzienigheid ervaren, Hem ons en het onze in handen geven en doen wat onze hand Vindt te doen (Heid. Cat., zondag 10).

Ik noemde hiervóór in een samenstelling het woord , , vakantie". Die laat zich ook gelden in het kerkelijk leven. Vergaderingen van kerkeraden, scholen, verenigingen, alles gaat een tijdje stilstaan. Zelfs op het beroepingswerk heeft de vakantietijd gemeenlijk invloed. Er worden in deze maanden gewoonlijk minder beroepen ultgebracht.

Deed het vakantieverlangen zich ook gelden in het feit, dat de Generale Synode der Geref. Kerken, in de dagen van de overgang van juni naar juli samengekomen, na een plenaire zitting uiteenging om in september weer in haar geheel bijeen te komen? Ik meen, dat dit te wijten is aan een andere oorzaak. Men wil het met een andere, —naar men hoopt een betere — werkwijze proberen. Verschillende commissies zijn benoemd om over de vele agendapunten te rapporteren en de zaken voor de plenaire zittingen ter behandeling gereed te maken. De leden zijn dus niet uiteengegaan voor vakantie, doch voor bestudering van de gewichtige aangelegenheden, waaronder , , hereniging" van , , synodalen en vrijgemaakten" wel een zeer voorname plaats inneemt. Zal een ander punt — vermeerdering van het aantal kerkliederen, uitbreiding van de bestaande gezangenbundel tot een getal van honderd, en die dan gemeenschappelijk met de Hervormde Kerk, — hierop geen nadelige invloed hebben? De bezwaren tegen de gezangen worden over heel de linie, ook in ons kerkelijk léven — bedoeld zijn dan mede de Herv. Geref. gemeenten — lang niet meer zo aangevoeld en gedeeld als een vijftig jaar geleden, zo zegt men wel. Vooral niet bij de jongeren, wordt er dan bijgevoegd. Het kan wel. Dat is, naar ik meen, niet tot bevordering van de diepgang van het leven der gemeente. Een offer aan de geest des tijds, gelijk die werkt in zovele verschijnselen in deze tijden ?

De , , nieuwigheden" in hét kerkelijk leven zijn niet van de lucht. De kerk wordt moe geëxperimenteerd, om het niet krasser uit te drukken. Jeugddiensten waren het begin. Nu die het als zodanig niet meer doen zoekt men naar een andere vormgeving. En de kerken worden er leger door. Voor liefdadigheidsdoeieinden kan er schier ailes mee door: cabaret, dans, jazz en zo maar meer. En dan wordt nog dit van de organiserende jongeren gezegd, dat ze het doen , , in diepe verbondenheid aan Christus".

Ik mag het woord , , wereldgelijkvormigheid" hier niet op toepassen, naar ik las in een stuk van een predikant in een officieel orgaan van een Herv. Gemeente : „want Paulus bedoelde daarmede heel iets anders!" De verklaring van Calvijn over die tekst (Rom. 12 : 2) wees naar 't antwoord, dat daarop volgde, van iemand, die niet tot de , , Bond" behoort, wel anders uit. Hoe dan ook, ik geloof, dat er groot gevaar is, dat wij trachten de Schrift pasklaar te maken aan wensen, opkomend uit invloeden van de geest des tijds, m.a.w., dat de saecularisatie hier onrustbarend werkt.

Ik sprak van , , ons" en , , wij". Naar ik meen terecht. Want als — en nu grijp ik terug op de , , gezangen" — onder onze jongeren' en ook wel ouderen, de bezwaren tegen het zingen van , , de gezangen" in de eredienst niet meer zo gevoeld worden als voorheen wel — ze gelden, ook nu nog zeer zeker, misschien gezien , , de nieuwe bundel", die nog altijd , , aangeboden" en in herziening is, dan ligt dat mede aan ons.

De ouders hebben zich in vele gevallen geen standpunt verworven in biddend onderzoek en konden het daardoor niet overtuigd doorgeven. En zo ging men in een traditie mee, die, wijl niet gefundeerd, niet bestand bleek tegen de kritiek. Op catechisatie is veelal over dit meer en meer als , , precair" en als niet van belang aangevoeld punt gezwegen. Jammer. Want zo kan men geen standpunt innemen en verdedigen, en winnen de gezangen het meer en meer ten koste van de psalmen, de door God in de Schrift gegeven liederen voor Zijn kerk de eeuwen door. Lezing van de brochure van prof. dr. J. Severijn , , De gezangenkwéstie" uitgegeven bij J. Bout, Huïzen (N.H.), zij predikanten, jeugdverenigingen en gemeenteleden zeer aanbevolen. Of meent men, dat wij hier te doen hebben met een overwonnen standpunt?

Doop en Avondmaal blijven in de kerkelijke discussie, in het bijzonder dan de praktijk, de aandacht vragen. Onlangs, ter conferentie op Woudschoten heeft dr. Lekkerkerker voor de Confessionele Vereniging gerefereerd over het Heilig Avondmaal of juister: over , , de mijding van 'het Heilig Avondmaal". Uit het verslag, dat , , Trouw" dd. 4-6-'59 gaf neem. ik het volgende over:

„Aanleiding daartoe was de in menige gemeente levende vraag of iemand, die tot ambtsdrager is gekozen en bevestigd, verplicht is tot deelneming aan het Avondmaal. In tal van ultra-gereformeerde gemeenten gebeurt dit namelijk niet.

Niet alle classicale vergaderingen denken hier gelijk over. Maar de synode heeft in 1958 uitgesproken, dat het op grond van Schrift, belijdenis en kerkorde onmogelijk is om scheiding te maken tussen het ambtsdrager-zijn en de viering van het Heilig Avondmaal. Met deze uitspraak in de hand zou men in genoemde gemeenten maatregelen kunnen nemen. Prof. Lekkerkerker achtte het pastoraal gezien echter ontactisch om dit te doen.

Oude moeilijkheid.

Het is niet waar, dat alleen in ultra gereformeerde gemeenten het Avondmaal gemeden wordt. Evenmin is het waar, dat de hier gesignaleerde moeilijkheid alleen door de geschriften van de theologen der , , nadere reformatie" (Brakel, Schortinghuis- e.d.) in de hand is gewerkt. In feite sluimeren deze moeilijkheden in alle gemeenten en in alle kerken. Zij zijn niet van de laatste tijd. Vóór de reformatie had men er al mee te doen.

Tot aan de 4e eeuw zijn de berichten gunstig. De gemeente gebruikt algemeen het Avondmaal. Maar dan begint de toeloop te verminderen. In de reformatietijd is er weer een opleving. Doch de , , nadere reformatie" damt de toeloop af.

Er worden vele argumenten aangevoerd voor Avondmaalsverzuim. Zij komen overeen met de bezwaren, die men duizend jaar geleden al had: vrees om zich te bezondigen uit huivering voor het heilige, valse traditie, angst om on­ waardig te eten en te drinken, zichzelf een oordeel eten enz.

De mannen van de nadere reformatie hebben sterk de nadruk gelegd op het zelfonderzoek en ook het oude Avondmaalsformulier doet dit. Zelfonderzoek hoort er bij, maar staat niet los van de nodiging. Daarom drong prof. Lekkerkerker aan op een goede uitleg van Paulus Avondmaalsvoorschriften in 1 Cor. 11; op een echt pastorale voorbereiding, niet enkel in de week voor het Avondmaal."

Voor de historische oriëntatie, door dr. Lekkerkerker gegeven, kunnen we dankbaar zijn. Eveneens voor zijn uitspraak dat hij , , maatregelen pastoraal ontactisch oordeelt". Op deze wijze wordt het euvel niet weggenomen. Want hoe wij het ook wenden of keren, een euvel is het, als ambtsdragers schier stelselmatig wegblijven van het Heilig Avondmaal.

Het is niet in orde wanneer we, in 's Konings dienst getreden, ons niet laten spijzen en laven aan 's Konings tafel. Hier wringt iets. Ik denk alleen maar aan het ja-woord bij de bevestiging- in het ambt. Het gaat ook niet aan het formulier te adapteren, verwringend pasklaar te maken aan de praktijk, gelijk die soms jaren lang gecontinueerd is. Hier zal pastoraal bewogen geworsteld en gebeden dienen te worden, om de klaarheid en de vrijmoedigmakende genade des Heiligen Geestes naar Ps. 51 : 12—14. Dat meen ik ook te mogen verstaan onder de , , nodiging" waarover dr. Lekkerkerker terecht sprak, en „de voorbereiding niet alleen in de week voor de bediening van het Heilig Avondmaal". Wie wel eens in á Brakel las, wat hij schrijft over de genietingen aan des Heeren tafel, moet wel onder indruk komen, van dat jaloers makend getuigenis. Ik beveel de lezing aan allen, die in echte zin avondmaalsmoeilijkheden hebben, zowel ambtsdragers als gemeenteleden, ten zeerste aan. En hun getal worde groter. Dit schijnt mij uitnemender weg dan de , , maatregelen".

Ik noemde in het vorenstaande ook de Heilige Doop. Betreffende dit sacrament liggen de dingen anders dan ten opzichte van het Avondmaal. Van , , mijding" kan men hier niet spreken of het moest zijn bij de helaas steeds groter wordende groep, die de kerk niet meer bezoekt en evenmin de Doop voor haar kroost vraagt. Maar dan is er ook de brede zelfkant van het kerkellijk leven, die heel sporadisch de kerk bezoekt, maar toch wel de Doop begeert voor zijn kinderen. Deze , , doopouders" geven de doopcommissies steeds weer grote moeilijkheden, zo zelfs, dat de avonden van de doopzitting voor de ouderlingen en de predikanten — indien deze de doopzitting. leiden, wat gewenst is — wel eens de schrik van de maand zijn. Hoe met deze zelfkant te handelen? Of anders, moet de ruime doopspraktijk toegepast worden en dan, gelijk men het wel uitdrukt : , , dopen al wat in 't doophuis ingedragen wordt, niet ondervragende om des gewetens wil"? Velen hellen daartoe over. Om allerlei redenen. De meest theologische vindt haar grond in de praktijk der besnijdenis onder Israël; de Doop is immers , , in de plaats der besnijdenis gekomen". Dat is zeer zeker waar. Maar de praxis onder Israël slaat niet in alle optzichten vast. Het is de vraag of ten allen tijde in Israël aan de besnijdenis de hand werd gehouden. En bovendien, de parallel tussen Israël en ons volk, of het kerkvolk gaat niet in alle delen op. Zo rechtlijnig ligt de zaak niet.

Een ander motief voor de ruime doopspractijk is er een van pastorale bewogenheid. Men wil niet afstoten, wel lokken tot kerkelijk meeleven. Dat is alles goed en zelfs eis, maar, naar ik meen, niet ten koste van de heiligheid van het sacrament. We lopen in die weg ook weer gevaar, de Schrift in dezen te verwringen, en pasklaar te maken aan het verwordende kerkelijke leven. En daarom lijkt mij een strenge doopspraktijk nog immer eis. Als een kerkeraad alzo in bewogenheid des Geestes het nauw neemt met de Doop, kan dat niet anders dan respect afdwingen bij de gemeente en het kerkelijk leven ten goede komen. En als de bewogenheid des Geestes er is, zal die door de doopouders aangevoeld worden. In dit verband geef ik gaarne door, wat ik in „Weekbulletin" no. 25, d.d. 20-6 — Persbureau der Ned. Herv. Kerk, aantrof als besluit van de Hervormde kerkeraad van Ko'lderveen ca.:

Kerkeraad van Kolderveen en Dinxterveen verlangt van doopouders de belofte, dat zij de kerkdiensten regelmatig zullen bezoeken.

De Kerkeraad van de Hervormde Gemeente te Kolder- en Dinxterveen {classis, Meppel) heeft unaniem tot het volgende besloten: Voortaan zal van alle doopouders bij de doopaangifte verlangd worden, dat zij beloven regelmatig de kerkdiensten te zullen bezoeken. Bovendien moeten de ouders, die geen lidmaat zijn, beloven, dat zij in het eerstvolgende winterseizoen de belijdeniscatechisatie zullen volgen, zonder echter de verplichting op zich te nemen, dat zij ook belijdenis zullen doen. Dit voorstel werd niet aangenomen — zo lezen we in het gemeenteblad , , Onze Kerk" — om de toegang tot de doop te verengen, maar wel om de ouders de rijkdom en de vreugde van de doop beter te leren verstaan. , , Wie aandachtig de doopvragen leest, en zich indenkt, wat het ja-woord op deze vragen inhoudt, zal moeten toestemmen, dat de kerkeraad juist doet, wanneer hij deze maatregelen neemt", aldus de predikant, ds. L. Lingen. , , De bedoeling is dan ook niet, dat er voortaan zo weinig mogelijk kinderen gedoopt worden, maar zoveel mogelijk en dat alle ouders de rijke vreugde, maar ook de diepe ernst van de doop zullen verstaan".

Ik geloof niet, dat deze Drentse kerkeraad op de verkeerde weg is. Zijn voorbeeld vinde navolging en zegen.

Een enigszins optimistisch geluid trof mij in een artikel van ds. W. L. Tukker in G.W., d.d. 4-7-'59. De titel was : , , Kerend Getij'? " Hij constateert, dat overgangen uit onze gelederen naar andere gescheiden groepen sporadisch «worden, en dat er bij de gescheiden leden der Gereformeerde gezindte meer belangste1ling te speuren is voor de gereformeerde prediking in de , , oude kek", dus een zekere mentale, geestelijke toenadering. Hij geeft daarvan enkele voorbeelden, o.a. , , de moderne aanpak van het jeugdwerk" etc. Het besef is gewekt: , , deze kerk is toch kerk", en zulks ondanks het feit, dat , , de Gereformeerden in de Hervormde Kerk niet hebben uitgemunt in kerkelijk besef en er nog niet in uitmunten".

Deze verschijnselen zijn hem (ds. T.) geen tekenen van „éénwording" van alle delen der Gereformeerde Gezindte , , onder het dak der moederkerk". Hij besluit dan als volgt: , , Niet om de kleine winst van wat overkomers gaat het ons, maar ais het God mocht behagen om de volledige winst van al de broederen. iDe kerk en de gemeenschap der heiligen zijn voor ons geloofsartikelen". We hopen, dat ds. T. van dit „Kenterend getij'" nog meer mag zien, ook in Katwijk aan Zee, waarheen zijn weg geleld werd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Kroniek

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's