De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

10 minuten leestijd

1959 is het jaar van de Calvijn-herdenking. Om allerlei redenen wordt de laatste maanden in de pers, voor de radio en op vergaderingen en congressen bijzondere aandacht geschonken aan de persoon en het werk van de grote reformator van de katholieke kerk van Christus in de 16de eeuw, Johannes Calvijn. Het blijkt, dat deze grote in het Koninkrijk Gods tot op de dag van vandaag de geesten blijft boeien. Zijn werk betekent een beslissende wending in de geschiedenis van de kerk en het christendom.

Tegelijkertijd stelt de beweging, aangeduid in het woord „reformatie", èn Calvijn èn de kerken der reformatie voor het angstwekkend probleem van de verscheurdheid en verdeeldheid van de kerk van Christus. Is de reformatie een breuk geweest in de eenheid van de kerk en moet zij daarom, hoe begrijpelijk zij in die tijd ook geweest moge zijn, in het licht van de voortgang van de geschiedenis der kerk toch ten diepste veroordeeld worden, omdat zij de eenheid heeft opgeofferd aan de waarheid? Of is zij integendeel, geen vergisslng geweest, maar alleen een grote schoonmaak in de kerk? Kwam zij op uit de mens, i.e. de vrome mens, of was zij uit God? Juist gezien de voortgang van de kerkgeschiedenis moeten wij zeggen: zij was uit God. Op de centrale punten van de bijbelse leer is de controverse tussen Rome en de Reformatie veeleer verscherpt dan verzacht.

Ook Calvijn zelf heeft met de vragen, die hier liggen, geworsteld. Juist omdat de waarheid Gods hem boven alles ging, ging ook de eenheid der kerk hem ter harte. Dat blijkt wel uit zijn houding tegenover de andere reformatorische kerken, en bewegingen in zijn tijd. Tevens blijkt dan ook — en het is van eminent belang dit te onderstrepen —dat de eenheid der kerk voor Calvijn een aspect der waarheid is geweest, niet omgekeerd.

In de veelheid van Calvijn-artikelen in de diverse kerkelijke periodieken is in het weekblad „De Reformatie" van 11 juli j.l. een artikel verschenen onder de titel: Calvijns oecumenische betekenis: . In een kritische bespreking van dr. Nijenhuis' dissertatie „Calvinus Oecumenicus, Calvijn en de eenheid der kerk in het licht van zijn briefwisseling", wordt aan dit probleem: de waarheid Gods en de eenheid der kerk, grote aandacht gewijd.

Na gewezen te hebben op de hernieuwde belangstelling voor Calvijn, vraagt de onbekende schrijver zich af: , , wat is oecumenisch? " Oorspronkelijk betekent dit woord: betrekking hebbend op de bewoonde wereld.

Het zelfstandig naamwoord wordt gebruikt in Matth. 24 : 14: „En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden.

In de jonge christelijke kerk gaat dit woord dan betekenen: de Kerk in haar geheel. Een oecumenisch concilie vertegenwoordigt dan de algemene, de katholieke kerk. En „algemeen" is dan het, wat altijd door allen overal geloofd is. Maar het gevaar dreigt hier, dat zó het woord „oecumenisch" niet meer vraagt naar de norm, doch alleen maar let op het grote getal. Het betekent vandaag in de oecumenische beweging dan ook „toetrekking hebbend op de verhoudingen tussen verschillende kerken of tussen christenen van verschillende belijdenis en: uitdrukking gevend aan het bewustzijn van en het verlangen naar christelijke eenheid".

Daartegenover stelt de schrijver:

Wij blijven van overtuiging, dat bij „oecumenisch" niet de grote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen enz." (Art. 7 N.G.B.) beslissend zijn, maar de gemeenschap met apostelen en profeten. Men is alleen „oecumenisch", wanneer men de verkondiging der apostelen aanvaardt en zó gemeenschap met hèn heeft; dan heeft men óók gemeenschap met de Vader en de Zoon. (1 Joh. 1 : 1-3). Want het evangelie is oecumenisch, het zoekt „de gehele wereld", en wie de „gezonde leer'' van dat evangelie bewaart, ook al staat hij bij tijd en wijle dood-alleen, die is in de waarachtige zin oecumenisch.

Wanneer wij dan ook spreken over de oecumenische betekenis van Calvijn denken wij niet daaraan, dat hij gecorrespondeerd heeft met allerlei delen van de Europese cultuurwereld, óók niet dat hij een eenheid zou hebben gezocht „met andere kerken en confessies"' — daarvoor is deze uitdrukking vandaag te vals-oecumenisch gekleurd — maar eenvoudig hieraan, dat hij de samenbindende kracht van het oecumenisch evangelie heeft erkend en daardoor heeft geappelleerd op de gewetens van al de gelovigen. Tegenover de beschuldiging, dat hij de mensen afbrengt van het katholieke geloof voert hij dan ook aan, dat ten onrechte onder katholiek (we mogen ook zeggen „oecumenisch") wordt verstaan „wat in de ganse historie evenals thans over de ganse aarde, in Christus alleen en eendrachtig, overal en altijd door de enige Geest van Christus geleid is". Want, zegt Calvijn: „Waar blijft dan het Woord Gods"? Daarin zoekt hij de waarachtige „oecumeniciteit". De échte oecumenische Kerk is dan ook volgens hem „de gemeenschap aller heiligen, die. over de ganse aardbodem en over alle eeuwen verspreid, doch door de leer van Christus en door de ene Geest vertoonden, geloofseenheid en broederlijke eendracht koesteren en nastreven".

Nader toont de schrijver dit aan uit Calvijns houding tegenover Zwingli, Luther en hun geestverwanten. Het twistpunt tussen deze drie groepen onderling was het verschil van mening over de aard van de tegenwoordigheid van Christus in het H. Avondmaal.

Met de Zwinglianen was de eenheid spoedig bewerkstelligd. Met de Luthersen is hét op dit punt niet tot overeenstemming gekomen, ondanks Calvijns ijvere pogen daartoe. Zij' bleven halsstarrig vasthouden aan hun onjuiste avondmaalsleer.

Aanvankelijk koesterde Calvijn wel hoop op overeenstemming. Met Melanchthon — de dogmaticus van de Lutherse Reformatie — kon Calvijn zich wel verstaan. Maar andere Lutherse theologen wilden zich niet conformeren.

Hieronder volgen nu enkele citaten uit genoemd artikel met de conclusies.

Daarbij had hij vooral grote verwachtingen van Melanchthon, die van zijn kant had verklaard met Calvijn in de avondmaalsleer overeen te stemmen. Daarom verklaarde Calvijn dan ook meer dan eenmaal, dat hij de Confessio Augustana kon aanvaarden, maar dan in de zin van haar opsteller Melanchthon zelf. Deze in 1530 opgestelde belijdenis der Luthersen, waarin zij hun geloof beleden tegenover de roomse misvattingen, werd na aanvankelijk verbod door de keizer tenslotte in het publiek voorgelezen op de Rijksdag van Worms, waarna de tekst aan de keizer werd overhandigd. Calvijn heeft er zelf op gewezen, dat het ten gerieve Melanchthon het woord „realiter", waarin werd uitgesproken, dat Christus' lichaam en bloed reëel in de tekenen van brood en wijn aanwezig zijn, in deze belijdenis heeft geschrapt. Ja in 1540 heeft Melanchthon zelfs een belangrijke wijziging aangebracht in de latijnse uitgave van de Conifessio Augustana, door de uitdrukking, dat het lichaam en bloed van Christus waarlijk aanwezig zijn te veranderen aldus: dat mét brood en wijn het lichaam en bloed van Christus waarlijk aangeboden worden.

Geen wonder, dat Calvijn met deze confessie wilde instemmen, geen wonder dat hij verklaarde het geheel met Melanchthons leer eens te zijn, mede om Melanchthon kleur te doen bekennen. Maar het is hem nooit gelukt Melanchthon er toe te bewegen de Consensus Tigurinus te aanvaarden.

Nijenhuis wijst op Calvijns aanvaarding van de lutherse belijdenis als een duidelijk bewijs van zijn oecumenische gezindheid. Maar we zullen daarbij wel bedenken, dat Calvijn héél goed wist in welke zin hij deze belijdenis aanvaardde. Persé niet in de zin van de drijvers van Luthers leer, maar heel nadrukkelijk in de zin van Melanchthon, die zeer dicht bij hem stond. Calvijns oecumenische houding bestond hierin, dat hij geen énkele dwaling aanvaardde en daarom de Conf. August, afwees, wanneer ze werd gelezen anders dan in de geest van Melanchthon. Daarom schrijft hij b.v. aan de Bohemers, dat zij zich niet van de wijs moeten laten brengen door de Luthersen, die wel erg met de Augsburgse Confessie schermen, maar deze uitleggen in een geest, die vreemd was aan haar schrijver, Melanchthon. Daarom is hij er beslist op tegen, dat bijv. in Frankrijk deze Lutherse belijdenis zou worden aanvaard. Hij schrijft dan, dat deze belijdenis onbeslist en vaag is over belangrijke punten en in Frankrijk slechts verwarring kan veroorzaken.

En er was geen ding, waarvoor Calvijn meer beducht was dan voor een duister, dubbelzinnig spreken. , De vrede mag niet gekocht worden met opoffering van de waarheid", zegt hij. In het zoeken naar kerkelijke eenheid is bij hem dan ook de waarheids-vraag primair. De waarheid schept eenheid, terwijl de ketterij verdeelt.

En even verder:

Waar vandaag in het oecumenisch verkeer veelal de gesteldheid heerst: „Wat is waarheid? leder heeft een stukje van de waarheid en ik mag de ander niet veroordelen", daar ziet men bij Calvijn het radicaal tegengestelde. Calvijn heeft heus niet de verschillen teruggevoerd „tot onze verschillende wijze van verstaan van het geheel", zoals de wereldraad van kerken in een officiële boodschap in 1948 sprak. Integendeel. Hij klaagt er bijv. over dat Bucer bij zijn eenheidspogingen al gauw tevreden is, indien er t.a.v. de hoofdlijnen eenheid gevonden is, terwijl hij bij de behandeling van de gewichtige détails nonchalant te werk gaat en tot gemakkelijke concessies bereid is. Calvijn zoekt zijn kracht óók niet in het verzwijgen van strijdpunten en het huidige modeverschijnsel, dat meer wil letten op wat verbindt dan op wat scheidt, heeft hij in zijn dagen - al scherp  bestreden. „Door het verzwijgen van de strijdpunten zal men echter nooit tot een werkelijke eenheid komen", zegt hij ergens. Voor een compromis is hij dan ook doodsbenauwd. Hij schrijft ergens: „Al geef ik toe, dat een duistere dubbelzinnige verzoeningsformule, die voor verschillende uitlegging vatbaar is, het ergste zou zijn, toch geef ik de hoop niet op, dat er een eerlijke openhartige regeling gevonden kan worden, waarmede alle goeden van harte zouden kunnen instemmen...." Als dan ook Farel en Beza door het opstellen van een dubbelzinnige avondmaalsbelijdenis denken eenheid met de Luthersen te kunnen bereiken, wijst Calvijn dit radicaal van de hand.

Kort en goed kunnen wij van Calvijns streven naar eenheid met de Luthersen dan ook zeggen, dat hij met zijn ganse hart die eenheid begeert, maar dat hij deze niet wil bereiken door formules, die het wezenlijke in het midden laten. Wanneer dan ook in 1958 tussen de Nederl. Herv. Kerk en de Lutherse Kerk in Nederland een „consensus" tot stand gekomen is, moet helaas worden geconstateerd, dat, het eigenlijke strljdpunt uit het verleden de wézenlijke tegenwoordigheid van Christus: lichaam en bloed, wel wordt gememoreerd, maar geen nadere bespreking ontvangt. Er wordt simpelweg aan voorbijgegaan. En al wordt luide gesproken over een „oecumenische stap", wij geloven niet aan een dergelijke oecuminiciteit die men wil bereiken door formules, die het wezenlijke in het midden laten. Beide vormen van avondmaalsviering worden zonder meer erkend als beantwoordend aan de verkondiging van Christus. Maar het punt in geding wordt ontweken.

Op grond van deze gegevens trekt de schrijver een aantal richtlijnen, die ook in het huidige oecumenische streven nog tenvolle hun waarde hebben:

1. Geen vriendjespolitiek, maar een buigen voor de Waarheid van Gods Woord.

2. Een afkeer van onheldere, duistere taal en een pleiten voor helderheid van stijl, waardoor onverbloemd eigen mening wordt weergegeven.

3. Het zoeken naar eenheid mag niet ten koste gaan van de waarheid. Vandaar Calvijns pogingen éérst de Zwinglianen van ongelijk te overtuigen (bekroond met de Congensuis Tigurinus) en daarna de Lutheranen (niet gelukt vanwege het koppig vasthouden der Luthersen aan de dwaling der consubstantiatieleer). Daarom betuigde Calvijn zijn instemming met de Lutherse belijdenis, inzoverre deze niet gelezen werd in het licht van de Lutherse dwaling.

4. Een grote afkeer van compromis-formiules bijl het zoeken van eenheid. Alle vage, dubbelzinnige formuleringen wees hij af.

Op grond van Calvijns houding tegenover de Anglicaanse Kerk komt schrijver tot soortgelijke conclusies, 't Is goed, dat in het geheel van de Calvijnherdenking ook eens een kritische stem weerklinkt tegenover hen, die menen in de lijn van Calvijn te zijn, als zij met een niet-Calvijnse accentverlegging de waarheid van.het Woord Gods opofferen aan de eenheid der kerk. De eenheid een aspect van de waarheid! Dit te bedenken zal ons hoeden voor een christendom boven geloofsverdeeldheid. Om de scylla van het sectarisme te vermijden moet men zich niet wagen in de charyibdis van het toelaten van de ketterij. Beide zijn in Christus' kerk ontoelaatbaar!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's