De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

CALVIJN EN HET GEESTELIJK LEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

CALVIJN EN HET GEESTELIJK LEVEN

10 minuten leestijd

Calvijn „de theoloog van de Reformatie". Die waardering wordt niet betwist. Wij zijn er zelfs aan gewoon geworden. Doch, waaraan wij, helaas, niet zijn gewoon geworden, is, dat deze waardering, waarmede wij hartelijk instemmen, alleen juist en van toepassing is, indien men , , theologie" verstaat in de zin, die zij bij Calvijn heeft, en niet in de betekenis, welke blijkens haar geschiedenls de theologen daaraan in het algemeen verbinden.

Die geschiedenis, zowel vóór als na de Reformatie toont duidelijk aan, dat — welke verdiensten de theologen ook voor de bestudering en voor de zuiverhouding van het waarachtig Christelijk geloof mogen hebben — allermeest zij aansprakelijk zijn voor de ondermijning van zijn grondslagen en voor de denaturalisering van het geestelijk leven der kerk.

Daarentegen is het juist Calvijn geweest, die gestreden heeft voor de zuivere expressie in woorden en werken van het Christelijke geloofsleven, zoals zich dat in de kerk van Christus openbaart. Dit streven draagt bij Calvijn geenszins een eenzijdig rationeel en theoretisch karakter, alsof het wijsgerige beschouwingen betrof, maar is door en door praktisch gericht. Zijn theologie komt uit het geloofsleven op, dat zich onder de leiding van de Heilige Geest, door Calvijn gaarne de inwendige Leermeester genoemd, reguleert naar de Heilige Schrift als het levende Woord van God, door hetwelk Hij Zijn waarheid in gedachtenis wil gehouden hebben.

Het is Calvijn te doen om het geloofsleven naar de Schriften als het leven der Kerk; om zijn beleving en zijn vruchten voor tijd en eeuwigheid — en om de zuivere overlevering en traditie daarvan. Daarin zoekt het echt profetische tot zijn recht te komen. Daarin ook ligt de eigenlijke oecumenische stuwkracht n.l. het gemeenschappelijk geloof overeenkomstig de hemelse maatstaf. Daarin openbaart zich ook de ware zendingsdrang.

Uit deze geestelijke situatie volgt, dat de , , theologie" van Calvijn door een zuiver dienend karakter wordt onderscheiden van zovele theologieën, die willen heersen. Alle heerschappij van de theologische rede over de geestelijke werkelijkheid des geloofs wordt door Calvijn radicaal veroordeeld en afgewezen. Alle wijsgerige structuur wordt door hem als ijdele waan en hersenschim uitgedreven.

Daarbij betoont Calvijn zich een buitengewoon belezen en deskundig , , theoloog" in de algemene zin; d.w.z. hij kent de theologen en hun redeneringen, die in de eeuwen vóór hem een rol hebben gespeeld in de gang van het kerkelijke leven als geen ander. Zonder evenwel het ware, nuttige en goede wat daarin ontdekt kan worden te miskennen of voorbij te zien, legt hij de vinger bij de dwalingen en veroordeelt met grote scherpte, wat indruist tegen de regel des geloofs. Onbarmhartig kan hij tekeer gaan tegen praktijken, welke daar uit voortkomen, en tegen degenen, die zulke praktijken verdedigen of bevorderen.

Om al deze redenen past Calvijn niet in het kader der theologen, zoals zich dat aftekent in de geschiedenis der theologie.

Ëén blik in de z.g. dogmenhistorie van vóór en na de Reformatie is voldoende om te bevestigen, dat de theologen zich altijd beijverd hebben om — hetzij bewust of onbewust — onder de invloed van wijsgerige beschouwingen en methoden, zelfs met de bedoeling om de waarheid en het geloof te verdedigen, deze uit te leveren aan de slavernij van het rationalisme en de theologie dienstbaar te maken aan de verwereldlijking van het kerkelijk leven. Ook de gereformeerde theologen kunnen daarvan niet worden vrij gepleit. Zelfs een man als Voetius heeft zich daaraan niet weten te onttrekken. Dank zijn verknochtheid aan de wijsgerige methode van Aristoteles — in zijn tijd een algemeen verschijnsel — is hij er niet in geslaagd de gevaren van het Cartesianisme voor de verwereldlijking van het Christelijk geloof in zijn dagen af te wenden of ook slechts krachtig te bestrijden. In dit opzicht hebben de epigonen der Reformatie de grote hervormer weinig geëerd. Zij hebben klaarblijkelijk niet begrepen, dat de ware theologie haar eigen grondslagen en haar eigen methode heeft, en dat zij haar taak alleen kan vervullen, als zij, daaraan getrouw blijft, en wil dienen.

Calvijn is de eerste, die aan de theologie duidelijk haar methode heeft aangewezen en die ook zelf zich daaraan nauwgezet houdt. Diep onder de indruk van het rein geestelijk karakter van het geloof en van de kennis des geloofs, heeft hij verstaan, dat „theologie" zich alleen kan bezighouden met het geloof als geestelijke werkelijkheid m.a.w. als gegeven der openbaring, als gegeven van Woord en Geest, beleefd en gekend door Woord en Geest.

Het monumentaal bewijs daarvan wordt ons voorgehouden in zijn: Onderwijzing der Christelijke Religie. Onderwijzing in het Christelijk geloof en geloofsleven: ziedaar Calvijns theologie. Dat kenmerkt ook zijn commentaren en brieven. Sedert het licht des Woords in zijn ziel is opgegaan, wordt hij slechts door èèn begeerte gedreven: dieper indringen in de verborgenheid der Schrift, d.i. in het leven van Gods Kerk, en, terwijl hij zich daarop met al zijn kracht en gaven toelegt, wordt de discipel van de Heere Jezus Christus een leermeester der Kerk en een vraagbaak voor zijn tijdgenoten.

Echte theologie kan nooit wat anders zijn of willen zijn dan onderwijzing in de religie der Schriften. Haar begin en haar voortzetting is onderzoek der Schriften, discipel zijn van de Heere Jezus. Alleen die een leerjongen van Christus wil zijn, kan anderen leren en de gemeente stichten, omdat hij het geheimenis ontdekt, dat de Schrift van Hem getuigt, die het Leven Is en het leven schenkt. Daarom is het een kenmerk van alle echte theologie, dat zij geboren wordt uit een geloof, dat de Heilige Schrift als Gods getuigenis ontvangt en eerbiedigt, „evenals of de levende stem Gods uit de hemel gehoord werd", zoals Calvijn zich ergens uitdrukt. (Inst. I. 7.1.)

Dezer dagen verscheen een kort geschrift van de hand van P.A. de Rover bij J. H. Kok te Kampen over Johannes Calvijn. , , Onder verscheurende wolven" heet het. Een vlot geschreven overzicht van Calvijns' leven in 18 bladzijden, doch zeer lezenswaard.

Men vindt daarin geen uitvoerige bekeringsgeschiedenis van Calvijn, zoals sommige mensen wel zouden wensen. Calvijn zelf schrijft trouwens ook nergens uitvoerig over zijn bekering. AI zijn geschriften, en dat zijn er niet weinig, getuigen er echter van, dat hij uit de Schrift leefde en zijn geloof naar haar reguleerde en ijverig zocht te verdiepen. Spreekt Paulus niet van een , , levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande" (Rom. 12 : 1).

Welnu, die de geschiedenis van Calvijn leest en kennis heeft genomen van zijn Institutie of Onderwijzing, die zal — indien hem althans enige kennis aan de gemeenschap met de Christus der Schriften niet ontbreekt — gevoelen, dat hij met een mens van doen heeft, die met dat woord van de apostel ernst maakt.

Calvijns geloof gaat niet op in een vroomheid, welke hij benevens andere kwaliteiten en bezigheden in zijn leven meedraagt, of, wanneer het gelegen komt, ten toon stelt. Neen, het neemt de centrale, zijn ganse leven beheersende en overheersende plaats in zijn hart in. Hij weet zich onderwezen door diezelfde Geest, die door de profeten gesproken heeft. , , Dezelfde Geest, die door de mond der profeten gesproken heeft, moet in onze harten doordringen, om ons te overtuigen, dat zij getrouw hebben uitgesproken, wat hun van Godswege opgedragen was". (Inst. 1.7.4.)

Een weinig verder (Inst. I. 7.5.) zegt hij: , , Dit moet dus onveranderlijk vastgesteld blijven, dat zij die door de Heilige Geest innerlijk onderwezen zijn, volkomen rust vinden bij de Schrift, en dat deze haar geloofwaardigheid in zichzelf heeft, en niet onderworpen mag worden aan bewijsvoering en redenering, en dat zij niettemin de zekerheid, die ze bij ons verdient te hebben, door het getuigenis des Geestes verkrijgt".

Vandaar ook de eerbied voor het goddelijk gezag der Heilige Schrift, welke Calvijn ook bewaarde voor elke schijn van geestdrijverij. Men neme kennis van wat hij schrijft in het negende hoofdstuk van de , , Onderwijzing", waarin hij de achterstelling van de Schrift ter wille van de Geest, zoals zij menen, niet slechts een dwaling, maar zelfs razernij noemt. , , Want", zegt hij, (Inst. 1.9.3) , , met een wederkerige band heeft de Heere de zekenheid van Zijn Woord en Geest onderling verbonden, opdat 'n welgegronde eerbied voor het Woord post vatte in onze harten, wanneer de Geest ons tegenschittert, die ons daar Gods aanschijn doet aanschouwen, opdat wij aan de andere zijde zonder enige vrees voor dwaling de Geest omhelzen, wanneer wij Hem in Zijn beeld, dat is in het Woord, herkennen. Ja, zo is het. God heeft het Woord niet onder de mensen gebracht om het korte tijd te vertonen en dan plotseling bij de komst Zijns Geestes te doen verdwijnen, maar Hij heeft dezelfde Geest, door wiens, kracht Hij het Woord had verschaft, gezonden, om Zijn werk door de krachtdadige bevestiging des Woords te voltooien".

Uit die verbonden werking van Woord en Geest bloeit het geloof op en wordt het waarachtig geestelijk leven geboren, dat zich aan het Woord onderwerpt en bij de Heilige Schrift leeft. Dit geloof drijft uit tot onderzoek der Schriften en wordt daardoor wonderlijk verrijkt in kennis, vruchten en zekerheid. Zulk een geloof beheerst de theologie van Calvijn, of eigenlijk de bezinning op dat geloof naar de in de Schrift gegeven maatstaf maakt zijn theologie uit.

Daarom wil zijn theologie ook niet anders zijn dan bezinning op de leer der Schriften omtrent de dingen, die des Geestes Gods zijn. Deze bezinning, zoals reeds werd opgemerkt, draagt niet een theoretisch karakter, — en dit zeker niet eenzijdig —, doch is gericht op de geestelijke kennis van het leven in Christus gelijk zij opkomt uit de mystieke gemeenschap met Christus. Die geloofskennis wordt dan ook duidelijk van de redelijke kennis onderscheiden door Calvijn en terecht.

Als hij dat duidelijk, maakt gebruikt hij uitdrukkingen als voelen en ervaren.

Hëi is niet voldoende, dat we uit de Bijbel weten, dat God onze Vader is; we moeten .„voelen" dat God onze Vader is; we moeten tot die kennis, die we hebben, komen langs de weg der ervaring. (Comm. Joel III 16, vgl. Doumergue Calvijn als mens en hervormer. Ten Have, Amsterdam, blz. 67).

Misverstand alleen trekt uit dergelijke uitdrukkingen de ongerechtvaardigde conclusie, dat Calvijn een mysticus zou zijn geweest! Hoe onjuist dit is, kan reeds daaruit blijken, dat Calvijn niet zelden voor een rationalist wordt uitgekraamd.

Dat zijn eenzijdige beoordelingen, die ieder op zichzelf een mistekening van Calvijn geven en zo menigvuldig voorkomen, dat het aanbeveling verdient Calvijn uit zijn eigen werken te leren kennen. Het is zelfs aanleiding geworden om een boek te schrijven met de titel: Calvijn volgens Calvijn zelf. (Viguet et Tissot, Calvin dapres Calvin).

De lovende relatie, welke daar is tussen Calvijns theologie en de leer der Schriften, verklaart daarentegen haar veelzijdigheid, welke schittert in de erkenning en de eerbiediging van de gaven Gods in Zijn werken van schepping en verlossing, ook wat betreft de gaven van verstand en hart aan de mens geschonken.

Zijn theologie is een weerspiegeling van het leven des geloofs, zoals zich dat openbaart onder de tucht des Woords. Zij is theologie des Woords en des Geestes, omdat zij is getuigenis uit de levende gemeenschap met de Christus der Schriften.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

CALVIJN EN HET GEESTELIJK LEVEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's