Het Fundament 2
Laat ons niet gering denken over het werk des Geestes in de wedergeboorte. Het is het werk van Hem, Wiens werken zeer groot zijn. Door de wedergeboorte ziet de mens het Koninkrijk Gods en hij mag zich in Sion geboren weten.
Ais God wederbaart komen verloren zonen tot zichzelf en nemen met al hun zonden de toevlucht tot hun Vader.
Als God wederbaart, dan worden er kinderen geboren, die in Christus Jezus worden ingelijfd, afgesneden uit de oude stam Adam, en in de nieuwe Stam ingeënt. Kinderen die overweldigd zijn vanwege hetgeen ze door genade in Christus mogen bezitten.
Op de verdere levensweg zullen ze het gaan leren, dat ze nog slechts ten dele kennen. En daarom wordt het hun bede: dat ik Christus moge kennen en vervolgen te kennen. Ten dele kennen ze ook nog maar zichzelf. Ze zullen zichzelf gaan tegen vallen, telkens weer en telkens meer en daarom Gods genade méér nodig krijgen.
Daarom worden Gods kinderen nooit grote christenen, doch mensen die deze les gaan leren: ik minder worden en Christus wassen.
Ook zij maken hun geestelijke winters en zomers mee, weten van duisternis en licht. Maar, en dit is het grote, zij kennen het Fundament dat toch altijd weer, bij alle slingeringen, de vastheid aan hun levenshuis geeft.
Ze mogen dan met Paulus klagen: „ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods", omdat ze ook na ontvangen genade zich verkocht weten onder de zonde, doch onder dit alles is de vraag: , , Wie zal mij verlossen? " voor hen toch geen open vraag. Want het geloof overstemt de klacht en doet belijden in de zekerheid des geloofs: , , Ik danke God door Jezus Christus, onze Heere".
De wedergeboren mens leert dat het léven der wedergeboorte slechts een beginsel is. Nog onvolkomen. Het is een afsterven van de oude mens en een opstaan, van de nieuwe mens. Zijn vastigheid ligt daarom niet in zichzelf, niet in zijn wedergeboorte, niet in zijn bekering, doch alleen in de gerechtigheid van Christus, op Wie hij als een levende steen gefundeerd is.
In Christus gerechtvaardigd. Dat is zijn vastheid. En nu is dit het grote, dat God de mens niet alleen komt te wederbaren, maar hem ook komt te rechtvaardigen. En deze rechtvaardiging is niet een rechtvaardiging in beginsel, als iets dat nog onvolkomen is. Neen, zij is af. En ook deze rechtvaardiging komt de Heere aan het begin des levens te stellen.
Hierover vormt men zich wel eens verkeerde gedachten. Ze zelfs, dat men soms denkt dat de rechtvaardiging meestal veel later plaats vindt, b.v. halverwege of aan het eind van de levensweg. Wat leeft men dan ver verwijderd van de leer der Heilige Schrift en van de Belijdenisgeschriften onzer kerk.
Wedergeboorte, rechtvaardiging, verzoening, het een is met het ander op het allenauwste vertoonden. Hoe zullen we op een andere wijze vrede met God kunnen hebben, dan in de weg die Paulus beschrijft: , , Wij dan gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heere Jezus Christus? "
Het is van het grootste belang, dat we ook het stuk der rechtvaardiging zuiver zien liggen. Terecht heeft Calvijn gezegd, dat de rechtvaardiging de voornaamste pijler is, waarop de godsdienst rust. En hij zegt het wel heel scherp in de volgende woorden: , , Al wat de mens denkt, overlegt en volbrengt, voordat hij met God door het geloof verzoend is, is vervloekt" en , , Van ons allen geldt de waarheid, dat wij verklaarde doodsvijanden van onze God zijn, totdat wij, na gerechtvaardigd te zijn, in vriendschap worden aangenomen".
Kan Calvijn het duidelijker en overtuigender zeggen dan hier ? Zonder gerechtvaardigd te zijn, verklaarde doodsvijanden.
Het is dus niet zo, dat we als een bekeerd mens, misschien tientallen jaren na de wedergeboorte, de rechtvaardiging deelachtig zullen worden. De godsdienstige, vrome mens wil niet als een goddeloze op zijn plaats blijven staan en daar en zó gerechtvaardigd worden. En toch zal het niet anders kunnen. Als doodsvijanden zullen we gerechtvaardigd worden.
En nu wijst Calvijn in zijn Institutie er op hoe Paulus in Rom. 3 ; 6 de rechtvaardigmaking stelt in. de vergeving der zonden. „Van dit zo onvergelijkelijk goed (nl. de rechtvaardiging) blijven we beroofd" zegt Calvijn, „totdat Christus de onze wordt. Door die verbinding van Hoofd en ledematen, het wonen van Christus in onze harten en eindelijk de geestelijke vereniging worden door ons op de hoogste trap gesteld, opdat Christus, wanneer Hij de onze geworden is, ons deeigenoot maakt van de gaven, waarmede Hij toegerust is. Wij bezien Hem dus niet van verre buiten ons, opdat Zijn gerechtigheid ons toegerekend worde, maar omdat wij Hem aangedaan hebben en wij in Zijn lichaam ingelijfd zijn en Hij eindelijk ons waardig gekeurd heeft om ons met Zich één te maken. Daarom roemen wij, dat wij gemeenschap der rechtvaardigheid met Hem hébben".
Christus en Zijn gerechtigheid dat is en dat kan alleen het Fundament voor ons geestelijk leven zijn.
Daarom is het zo nodig dat we, wanneer we zeggen dat een mens wedergeboren moet worden, weten zullen wat daarmede onlosmakelijk en zeer nauw verbonden is, nl. inwendige roeping, geloof, inlijving in Christus, vereniging met Christus, rechtvaardiging, verzoening, verzegeling des Geestes en heiligmaking.
Leven deze dingen nog wel genoeg in de Geref. Gezindte ? Christus, het enige Fundament, moet daar niet iedere prediking van doortrokken zijn ? Is dit altijd het geVal ? Komen andere dingen niet te veel op de voorgrond? Worden de gemeenten telkens weer afgetrokken van alle mogelijke gronden, die het fundament niet kunnen zijn? Heeft de prediking altijd in de eerste plaats de strekking, de kudde des Heeren op te bouwen in het allerheiligst geloof ?
Het is nodig, dat men telkens weer op deze punten zich bezint. Opdat onder Gods genade de vastigheden Slons den volke worden voorgesteld. Opdat we telkens' weer geconfronteerd worden met de vraag : rust ons geestelijk leven op het Fundament, Jezus Christus ?
Dit Is de vraag die om een antwoord roept. Ook in onze onderlinge gesprekken hebben we ons daarop te bezinnen. Het gaat immers op een eeuwigheid aan ?
Boston b.v. waarschuwt zo ernstig dat men buiten Christus zijnde, kan menen niet maar uitwendig doch inwendig een christen te zijn, terwijl er toch niets in zijn leven is dat de krachten der natuur te boven gaat. Vele belijders, zo zegt hij, vatten Christus aan doch groeien op hun eigen wortel.
Alleen als we het Fundament der genade mogen kennen, dan gaan we ook iets kennen van de zekerheid des geloofs. Dan zullen we een kussen hebben, waarop we straks bij ons sterven, het hoofd rustig kunnen nederleggen. Om te gaan slapen de slaap des rechtvaardigen.
Moge onder ons de levende begeerte opwaken, geboren worden, om op dat enige Fundament te worden gegrond en daarop gegrond zijnde. Hem ter verheerlijking te leven.
Want dit is de grote nood der kerk, de grote nood ook van de Geref Gezindte, dat er zo weinig levend geloof is. En dat waar het wel gevonden wordt, zo vaak het welwezen des geloofs gemist wordt. De oorzaak hiervan kan ook voor een groot deel hierin liggen, dat het oog verduisterd is, zodat niet meer met die Schriftuurlijke en met die reformatorische helderheid de weg des heils gezien wordt. Wanneer we afbuigen van de weg des heils, dan komen we buiten de blijdschap van het Evangelie terecht en wordt de geloofszekerheid gemist.
Waarom gaat er nog zulk een rijke sprake van de tijd der reformatie uit? Waarom vertolken onze belijdenisgeschriften met zulk een klare taal het geloof van Gods gemeente? Omdat men zich gefundeerd wist op het enige Fundament, Jezus Christus. Wanneer er gronden gelegd worden buiten dit Fundament, wanneer men gaat vergeten dat alleen, maar dan ook uitsluitend, het Bloed dat op Golgotha vergoten is, voor God geldt, dan gaat het licht op de kansel en het licht in de gemeente haar glans verliezen.
Terecht wijst Calvijn er dan ook op dat Paulus. overal loochent dat vrede of rustige vreugde de conscientiën gelaten wordt, tenzij voor vast aangenomen is, dat wij door het geloof gerechtvaardigd worden.
De wedergeboorte, omdat ze altijd onvolmaakt is in het vlees, houdt een veelvuldige stof van twijfel in zich. De rechtvaardiging door het geloof echter geeft zekerheid. Daarom moeten de gelovigen, zegt Calvijn, voor vast houden, dat ze omdat ze in Christus ingelijfd zijn, uit genade voor rechtvaardigen gerekend worden.
Niemand is dus goed in Christus gefundeerd dan hij, die een volkomen rechtvaardiging in Hem heeft. Hij Zelf is onze rechtvaardigheid.
Het is wel opmerkelijk dat de Heilige Schrift over de rechtvaardiging door het geloof op veel meer plaatsen spreekt dan over de wedergeboorte. Laten we dit goed in acht nemen. Opdat we niet wijzer willen zijn dan Gods Woord en de verhouding der leerstukken, zoals deze in de Bijbel voorkomt, niet gaan wijzigen, tot schade van het leven des geloofs.
Wanneer de gemeente des Heeren mag leven uit het rechtvaardigmakend geloof, dan kan het niet anders of de vrucht daarvan zal zijn dat Gode meer eer, liefde, dienst en dankbaarheid gegeven wordt dan bij een twijfelmoedig en onvast geestelijk leven.
Hoort, hoe Calvijn, levend uit dat rechtvaardigmakend geloof, zijn God-verheerlijkende belijdenis doet horen, ziende op Christus, onze Gerechtigheid. Hij belijldt: .„daarin is Christus onze rechtvaardigtheid, dat wij in Hem uitverkoren zijn van eeuwigheid voor de grondleigging der wereld, zonder enige verdienste onzerzijds, maar naar het voornemen van Gods welbehagen; dat wij door Zijn dood zelf verlost zijn van de vloek des doods en van het verderf bevrijd; dat wij in Hem door de hemelse Vadör aangenomen zijn tot kinderen en erfgenamen; dat wij door Zijn Bloed met de Vader verzoend zijn; dat wij, aan Hem ter bewaring gegeven, onttrokken worden aan het gevaar van ondergang en vernietiging; dat wij, zo in Hem ingelijfd, reeds enigermate het eeuwige leven deelachtig zijn en door hoop het Koninkrijk Gods binnengetreden zijn. En nog zijn we niet aan het eind: dat Hij Zelf, nadat wij zo deel aan Hem gekregen hebben, ook al zijn we nog dwaas in onszelf, ons voor God tot wijsheid is. Ook al zijn wij zondaars, dat Hij ons tot rechtvaardigheid is, ook al zijn wij onrein, dat Hij ons is tot reinheid; ook al zijn wij zwak, ongewapend en blootgesteld aan satan, dat toch van ons is de macht, die Hem gegeven is in hemel en op aafde, waarmee Hij voor ons satan vertreedt en de poorten der hel verbreekt; ook al dragen wij het lichaam des doods nog met ons om, dat Hij toch ons het leven is. Kortom, dat alles, wat van Hem is, van ons is en dat wij in Hem alles hebben, maar in onszelf niets. Op dit fundament moeten wij gebouwd hebben, indien wij willen opwassen tot een tempel de Heere geheiligd".
In dit getuigenis van Calvijn horen we de taal des geloofs, horen we de taal van Gods gemeente, staande op het Fundament. Dit Fundament wordt ons deel in de weg der wedergeboorte en door het reahtvaardigmakend geloof.
Tenslotte: de wedergeboorte en de rechtvaardiging hebben geen doel in zichzelf. Daarom moeten we niet bij de wedergeboorte en de redhtvaardiging blijven staan. Zoals na de geboorte het kortere of langere leven volgt, zoals na de rechtvaardiging, na de vrijspraak door een aards rechter het leven in de vrijheid volgt, zo zal op de wedergeboorte en op de rechtvaardiging door het geloof, moeten volgen een leven des geloofs en een wandel in de vrijheid waarmede Christus Zijn gemeente vrij gemaakt heeft. Een leven van heiligmaking. Dat is, de dure roeping. En al zal de werkelijkheid telkens weer ver beneden de roeping blijven — dat hét ons tot smart moge zijn —het jagen daarnaar alsof we het grijpen mochten,
Het zal blijven: in ons niets, in Hem alles. Wij minder worden, doch Hij wassen.
We besluiten met de vraag waarmede we begonnen: Heeft uw, heeft mijn geestelijk leven een fundament?
Hij, Die hét fundament is en van Wie Gods gemeente belijdt: , , gestorven voor onze zonden, opgewekt tot onze rechtvaardigmaking". Hij staat nog als de Vorst des Levens in dit heden der genade en roept het allen toe: , , Die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven".
Bidden wij dan om de Geest des geloofs, opdat deze Geest het geloof in ons werke en waar Hij het werkte ons meer en meer fundere.
Op het Fundament komt het aan!
F. Troost.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's