meditatie
Psalm 143 : 9b: Bij U schuil ik
Wees mij een rots om in te wonen. Dat roept een zwak en wankelmoedlg mens tot de levende God. Hij heeft de Heere nodig. Hij kan het bij zichzelf niet vinden. Hij gevoelt de geweldigheid van het leven zonder God. De geweldigheid van de zonde, de dood en het oordeel. Hij is bevreesd om straks in eeuwigheid vernederd te worden. Maar o wonder, deze mens had er een oog voor gekregen, dat alleen 'n plaatsbekledende gerechtigheid hem kon redden. Red mij door UW gerechtigheden. Ook kende hij zijn gebondenheid, en zijn gevangenschap. Bevrijd mij, neig UW oren, verlos; mij, wil mij horen. Hij had behoefte aan een woning, een welverzekerde staat. En aan een schuilplaats: een rechte gesteldheid der ziel. Om God, naar zijn staat en naar zijn stand van leven, zijn God te mogen noemen. Een grote zaak is het, om dit deelachtig te zijn. Om met de dichter van Psalm 143 : 9b te mogen getuigen: Bij U schuil ik.
***
Bij; U schuil ik.. . tegen vervreemding van God. Van natuur is de mens vervreemd van, zijn Maker en Formeerder, en schuilt hij niet bij God. Hij is vervreemd van God. Hij is zonder God in deze wereld. Hij kende de Heere niet. Hij weet niet dat hij een onsterfelijke ziel met zich omdraagt. Hij heeft geen besef van dood en eeuwigheid. De verborgenheden van Gods Wezen kent hij niet. De grote daden des Heeren kan hij niet vermelden, want hij kent ze niet. Het deugdenbeeld Gods kent hij niet. Noch Zijn heiligheid, noch Zijn rechtvaardigheid, noch Zijn genade. Zijn almacht niet, Zijn liefde niet, Zijn waarheid niet, noch Zijn trouw. Gods wegen overdenken, kan hij niet, want hij kent Gods wegen niet. Hij kan zïch niet in de Heere verblijden, want hij heeft geen grond tot blijdschap.
Hij kent geen rust, noch warmte in God. Geen nabij-God-te-zijn. Want Hij is onder het oordeel. Het oordeel komt en vindt hem vervreemd van God, vervreemd van Christus, zonder de Geest der genade en der gebeden. Hoe anders is dit, als hij door wedergeboorte en bekering mag leren schuilen bij God. Wat betekent dat schuilen bij God voor iemand, die van natuur vervreemd is van God? Dit: dat hij God leert kennen. Hij leert God kennen in Zijn heiligheid en rechtvaardigheid. God, Die de zonden geenszins ongestraft kan laten. Hij leert in beginsel kennen de diepten van de deugden Gods. En wonderlijk, terwijl hij vreest in deze diepten voor eeuwig om te komen, worden zij het juist een bescherming. Want Sion zal door recht verlost worden en zijn wederkerenden door gerechtigheid. De diepten van rechtvaardigheid en heiligheid in de deugden Gods, bewerken buiten Christus onze ondergang. Maar in Christus schuilen wij daarin. Zoals een konijn, dat zwakke en vreesachtige dier in de diepte van het aardrijk schuilt voor zijn belagers, zo schuilt het arme en ellendige volk van God in de diepten van de deugden Gods voor zonde, schuld, dood, verderf, oordeel, toorn van God en vloek der wet. De Heilige Geest leidt Gods kinderen in de verborgenheden van de Heere. Hij voert hen in de diepte. Zij leren allen een hellevaart kennen. Maar Hij voert hen ook als op arendsvleugelen. Zij leren allen een geestelijke hemelvaart kennen. En alle werkzaamheden van de Heilige Geest zijn daarop gericht, om hun Godsvervreemding weg te nemen, hen innig bekend te maken met God, in Christus, En hen alzo te brengen tot een nederzitten in de Heere en Zijn deugden: tot een schuilen in Zijn almacht: dat die hen beware. Tot een schuilen in Zijn liefde: dat die hen verkwikke. Tot een schuilen in Zijn Waarheid: dat die hen omringe. Tot een schuilen in Zijn trouw: dat die hen behoede. Wonderbaar wordt het de vervreemde van God te moede, als hij mag schuilen bij God. Als hij met de Heere intiem bekend wordt gemaakt. Als hij mag verkeren in die sterke toren van de Naam des Heeren, van het Wezen, van het deugdenbeeld Gods. De Naam des Heeren is een sterke toren, de rechtvaardige zal daarheen vlieden en in een hoog vertrek gesteld worden. Hoe wonderbaar is het de vervreemde van God (maar nu geen vreemdeling meer) te moede, als hij mag vertoeven in de Rots Jezus- Christus, de Rots der Eeuwige Liefde. Als hij Jezus' vlees mag eten en Jezus' bloed mag drinken, met bittere saus, van verbrokenheid des harten. In de schaduw van het kruis, zit hij neer, vol verwondering. De vreemdelinig is nabij gebracht en omringd door onveranderlijke genade. En terwijl hij immer angstig omhoog blikte naar een onbekende God, ziet hij nu vrijmoedig tot God in Christus omhoog. Hij weet, dat het schild van Gods gerechtigheid hem beveiligt. Hij weet, dat eeuwige armen hem dragen. Oneindige kracht draagt hem.
Hij schuilt immers bij God. In de staat zijner vervreemding van God, was hem alles even hard en wrang en verschroeiend. Zijin hart was een steenklomp, zijn peluw een steen. Maar nu schuilt hij door wedergeboorte en bekering, uit vrije genade, bij God. Dat is een zacht kussen voor zijn vermoeide hoofd. Dat betekent tedere zorg voor zijn verschroeide ziel, waar de bliksem van Gods toorn zovele malen op neersloeg. Nu gaat het oordeel ook uit, maar, daar hij bij de Heere schuilt, wordt niet hij getroffen, maar HEM, bij Wie hij schuilt. En de vervreemde van God leert de Heere kennen, gekruisigd om zijn zonden, opgewekt tot zijn rechtvaardigheid.
Zo leert de vervreemde van God het: bij U schuil ik... De dichter van deze Psalm heeft vaak moeten schuilen. Zeer vaak voor Saul. Ook wel voor zijn eigen volk. Ze waren van plan om hem te stenigen, toen Ziklag in puin lag, en de vrouwen en kinderen waren weggevoerd. Hij kende heel goed de verschillende kloven, onderaardse gangen, de natuurlijke schuilplaatsen in het gebergte van Juda. Hij kende heel goed de spelonk van Adullam. Daar kon hij wel gids in zijn. Maar ook kende hij bij ondervinding de schuilplaatsen in de Heere. 'Gods almacht, liefde, trouw.
U die dit leest, zijt u nog vervreemd van God? Moge koning David in deze Psalm uw gids worden om bij God te schuilen! En niet eenmaal, maar telkens opnieuw. Voor wie eens geschuild heeft bij de Heere, voor die is er altijd toegang bij God. Op de vroege morgen, of op de late avond. Te middernacht, of op de middag. Treffen hem, persoonlijke noden: hij heeft toegang bij God. Benauwen hem de zorgen van zijn arbeid, of de noden van Gods Kerk, of de noden der wereld? Hij heeft toegang bij God. De gouden schepter der genade wordt hem, toegereikt, zo vaak hij nadert tot God. In het ogenblik der wedergeboorte is de genadetroon voor hem geopend, en niemand kan die deur sluiten. Niemand kan hem nu scheiden van Christus. De genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk. Hij is getrouw, de Bron van alle goed. De liefde Gods is in zijn hart uitgestort. De Heere heeft een welbehagen in hem, en welkom is hij bij God, altijd! Hij rust aan het Vaderhart Gods en hoort dat eeuwig onvergetelijke: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde. Nu schuilt hij bij God, eeuwig en altoos!
J. R. Cuperus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's