DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 50
Zondag 47
ZONDAG 47
De Sacramenten.
Calvijn vervolgt zijn toelichting van aard en betekenis der sacramenten. Ons heugt uit de laatste vraag uit Zondag 46, dat de kern der zaak hier is gelegen, dat God (de Hl. Geest) in het sacrament onze zwakheid te hulp komt.
Daar ligt een gevoelig punt. Want wie is graag zwak en wie erkent dit van harte ? Als een kleuter de eerste wankele schreden in het leven doet en bezorgde handen hem wat willen helpen, pleegt deze kleine majesteit dit vinnig af te weren, onder het motto : zelf doen. Mensen, die de levenstrap al een heel eind beklommen hebben, die niet meer zo vlug lopen kunnen als vroeger en geen koffer meer kunnen dragen, leren het maar héél moeilijk niet meer te willen lijken, dan ze zijn, maar een toegestoken helpende hand dankbaar aan te grijpen. We doen het veel liever zelf: we worden niet zwak, dan door schade en schande heen.
Zoals het staat in deze zaak, gaat het ook in het leven des geloofs. Paulus vertelt ons van de strijd, die het hem gekost heeft om zwak te willen zijn, opdat de kracht van Christus (de kracht van de Hl. Geest) in hem zou wonen. Veel vleselijke heiligingsijver en christelijke activiteit liggen op dit zelfde vlak. Begrijpt u het goed: we zingen hier niet de lof van de zoutzak, van het blok en de stok. In het Christenleven gebeurt iets, wordt zelfs : kracht gezet. Maar dan toch: op een geestelijke wijze, die een kruis zet door de vermogens van ons vlees. Wie hier de naam Kohlbrugge hoort en denkt aan zijn harde strijd tegen , , het vrome vlees", begrijpt, wat we bedoelen.
Onze zwakheid.
De sacramenten zijn door de Heere ingesteld vanwege onze zwakheid en zijn dus zwakken hartelijk welkom. Daaruit moet voigen, dat ze aan {ingebeelde) sterken een ergernis en een dwaasheid zijn. Als we met verdriet zien op de lege Avondmaalstafels in onze gemeenten, stellen we meteen maar de vraag: Komt dat allemaal voort uit de belijdenis van diepe onwaardigheid ? Natuurlijk neen, want echte onwaardigheid is niet te dragen buiten de gemeenschap met Christus en Zijn Heilige Geest. We moeten daarom zeggen : We vrezen heel erg, dat ook en juist in onze gemeenten een geweldige hoop ingebeelde geestelijke kracht leeft, die zich nog best overeind kan houden, maar die niet voor God in Christus gevallen is en daarom ook dat „zwakke" sacrament nodig kreeg. Wie onze gemeenten (z'n eigen hart voorop) kent, weet, dat er dikke lagen heidendom, remonstrantisme, liberalisme enz., liggen rondom ons werkelijke mens-zijn (ons werkelijke zwak zijn) en die lagen, als zoveel pantsers, aan de eis der Wet, aan de belofte van het Evangelie, dus ook aan het bevèl en de nodiging betreffende het Heilig Avondmaal weerstand bieden. We verblijden ons natuurlijk, wanneer onze gemeenten met Pinksteren een grote collecte samenbrengen , , voor de arme, blinde heiden". Maar wat vreemd eigenlijk, dat ze dat zo geduldig doet. Waar is op de Avondmaalsdagen haar eigen armoede en blindheid, die juist hulp en baat vinden in dat sacrament, dat de Heere voor zwakken, blinden, armen gaf?
Beter dan te klagen over allerlei kerkelijk leed en zeer, dat zeer werkelijk kan zijn, lijkt het ons, dat we ons op deze diepe, ongeneeslijke (? ), althans ongenezen wond in het kerkelichaam concentreren en met bezorgdheid vaststellen : We hebben veel critiek op anderen in de Kerk en stellen hen gedurig in gebreke. We zijn moedeloos omtrent het voortbestaan der Kerk : hoe kunnen we dageraad hebben, wanneer het Woord verlaten werd? Maar dan steken we toch meteen de hand in eigen boezem en zeggen toch: is het wel wonder? Wat zijn we zéér in gebreke en in verzet! Wat kracht kan van een Kerk uitgaan, wanneer ze geen Gideonsbende is. En hoe is ze zo'n Gideonsbende, wanneer ze vreemd blijkt aan die eerste en laatste zwakheid, die zo luide spreekt bij het Heilig Avondmaal ?
Avondmaalsmijding.
Blijkbaar waren er in Calvijn's tijd heel wat mensen, die niet ten Avondmaal gingen. Dat heeft zeker allerlei drijfveren gehad. Calvijn noemt er één enkele, maar een heel érge: de hoogmoed en de inbeelding, die de sacramenten heel niet nodig vindt en er dus aan voorbijgaat. Uit Calvijn's leven weten we, dat heel verschillend gestemden samengingen als het tegen hem (tegen Gods' Waarheid) ging. Niet weinigen behoren tot de onverschilligen. Hen kan het Hl. Avondmaal niets schelen. Daarnaast Dopers en „Geestdrijvers", die sterk overeenstemmen met de volgelingen van Zwingli. Zij stellen het sacrament, dat , , maar stof" en „maar uitwendig" is, tegenover de Geest, die het alleen doet en waar het alleen op aankomt. Ze maken het geloof, het geestelijke leven tot zó iets innerlijks en geheel geestelijks, dat het geen enkele steun kan ontlenen aan de zichtbare dingen, dus ook niet aan het Heilig Avondmaal.
Als ze het laten staan, omdat het nu eenmaal in de Bijbel staat, gaan ze het ook weer vergeestelijken, tot louter een symbool, ondergeschikt aan wat de mens in z'n innerlijke geestelijke leven alzo ervaart. En mensen, die, gehoorzaam aan Gods eis en belofte, wél Avondmaal vieren, hebben in hun ogen heel licht iets zwaks, iets vleselijks en ondieps. Wat praten ze over dat publiekelijk Heilig Avondmaal vieren? Je kunt toch veel beter, met je zelf alleen, als onder vier ogen met de Heere, dat Avondmaal geestelijk beleven?
Kan iemand de Sacramenten missen ?
We hebben zoëven al laten horen, hoe Calvijn deze mensen beoordeelt. Hij stelt de vraag : Waar God de sacramenten heeft ingesteld, omdat ze noodzakelijk voor ons zijn, zou het toch wel trots en inbeelding zijn, te denken dat wij ze missen konden ?
Calvijn zoekt dus een heel andere wortel achter die Avondmaalsveronachtzaming en - vlucht, dan zij, die daaraan schuldig staan. Hij legt de vinger op de zere plaats en zegt : Daar blijkt immers uw (geestelijke) trots en inbeelding uit, dat gij meent zo hoog en vast te staan, dat gij die steun der zwakken niet meent nodig te hebben ?
Calvijn vleit deze mensen dus niet, door te bevestigen, dat zij met hun rijke geestelijke leven boven die krukken wel uit zijn, maar hij vermaant ze: Gij versmaadt de krukken, want gij loopt als op hoge stelten. Maar denk er om: déze hoogmoed komt voor de val!
Is dat scherp gesproken ? Calvijn zegt het nog veel feller : O zeker. Zelfs zo, dat wie zich eigenwillig van het gebruik ervan onthoudt, denkend, dat hij het helemaal niet nodig heeft, veracht de Heere Christus, verwerpt Zijn genade en blust Zijn Heilige Geest uit. We kunnen uit deze woorden enigszins opmaken, in welke toon de Voorbereiding tot het Heilig Avondmaal van Geneve gestemd was. We zullen daar wel van mogen zeggen, dat zó niet velen daar gemakkelijk zijn weggebleven. Zijn wij even trouw tegenover de kudde, ons toebetrouwd of menen wij, dat wat in Geneve toepasselijk was, voor óns niet meer in aanmerking komt ?
Sacrament en heilszekerheid.
Calvijn heeft zeker op zijn bezoeken in de gemeente op deze zaak nadruk gelegd. Hij heeft er dan ook wel eens antwoord op gekregen. Eén daarvan horen we echoën in de tweede vraag van onze Zondag: Maar welke heilszekerheid kunnen de sacramenten ons geven, waar we immers zien. dat zowel goeden als bozen ze ontvangen ? Dat is een typisch , , doperse" opmerking, juist op gereformeerde erve zéér veel gehoord, denk aan De Labadie en de zo diep door hem beïnvloede Van Lodenstein. Als deze laatste zegt, dat het hem is, alsof bakken koud water over zijn ziel worden uitgegoten, als hij ziet, hoe ongelovige mensen daar maar Avondmaal vieren, zegt hij weinig anders, dan wat P. Yvon, bekwaamste leerling van De Labadie, met vuur en scherpzinnigheid hééft uiteengezet in zijn boekje Het Heilige voor de heiligen.
Een falende, verslappende tucht heeft het gehalte der gemeente zeer verdund ; de genoemden hebben er geen vrede mee, deze mensen op hun verantwoordelijkheid (die de Kerk hen gaf) aan te spreken, maar zetten ze eigenlijk weer onder voogdij. Onder de Labadisten maakte tenslotte de „herder" uit of iemand in de staat der genade verkeert en dus ten Avondmaal mag gaan. Dat is iets anders dan de bijbelsgereformeerde tucht en een terugval in typisch Roomse toestanden.
In onze kring heeft Van, Lodenstein deze gedachte voorgedragen. Hij vroeg zelfs ontheffing van de verplichting, het Heilig Avondmaal te moeten bedienen. Intussen heeft men dat in zijn kring allerminst goedgekeurd. Het is niet de vraag, wat ons gevoelige geweten in deze beslist, maar of God, die alles weet, dat zo stelde.
Zo heeft b.v. Saldenus., over wie we eerder eens schreven, Van Lodenstein zeer ter zake geantwoord, zeggende : Ieder kent het Avondmaal op eigen beproeving en verantwoordelijkheid. Wat anderen daarin doen, is voor ons geen laatste woord. Als Van Lodenstein een zekere besmetting vreest, die van de ongelovigen op de gevoeligen zou kunnen overslaan, ontkent Saldenus dat: , , Een levend been heeft met een dood been niets te maken". Deze gedachte is in onze kring wel aan het woord gebleven, maar bij velen heerst toch onzekerheid.
Het mede aanzitten van bozen stelt „goeden" niet vrij.
Wat antwoordt nu Calvijn op dit bezwaar van dat aanzitten aan Tafel , , met Jan Rap en zijn maat" ? Ondanks de tucht, die in Geneve leefde, in preek en leiding, heeft Calvijn wel degelijk geweten, dat ook aan de Dis des Verbonds niet alles Israël is, wat Israël héét. Hij trekt daaruit echter geen labadistische of dgl. conclusie, maar antwoordt : Ofschoon de ongelovigen en de bozen de genade, die hen door de sacramenten wordt aangeboden, teniet maken, volgt daar toch geenszins uit, dat dit aan die sacramenten zèlf ligt. We begrijpen al, waar hij heen wil: het kwaad ligt niet in de dingen, maar in óns. Dat blijkt ons uit het vervolg: Hoe en wanneer beantwoorden de sacramenten aan hun doel ? Het antwoord maakt dat duidelijk : Wanneer men ze in geloof ontvangt, alleen Jezus Christus en Zijn genade op het oog hebbend. Daar bedoelt Calvijn hetzelfde mee, dat hij in het eerste antwoord aanduidde: wanneer men het sacrament , , als kracht in zwakheid" ontvangt, niet in ingebeelde kracht, maar in echte ootmoed. Let u er meteen op, hoe Calvijn het vermijdt, wettische eisen op te stapelen : hij let alleen op de kern van de zaak.
Sacrament en Christus.
Dat antwoord geeft te denken en werd dan ook daarom zo gegeven. Eerst wordt onderzocht: Waarom zeg je, dat we er Jezus Christus moeten zoeken ? Antwoord: Om aan te duiden, dat we ons niet moeten druk maken om het aardse teken, om daar ons heil te zoeken, en dat we ons niet moeten inbeelden, dat daarin zekere kracht zou besloten zijn, maar integendeel: dat we het teken als een hulpmiddel gebruiken, dat ons regelrecht naar de Heere Jezus leidt, om in Hem ons heil en ons alles te zoeken.
Geen afgoderij met de tekenen.
We merken, dat Calvijn hier afweert de Roomse èn de Lutherse Avondmaalsleer, die, hoe verschillend, toch te veei aandacht aan het gestelde teken geven. Daarmee wordt de gedachte gewekt of gevoed, dat in het sacrament zelf een zekee wonderbaar-werkende kracht zou zijn opgesloten.
We schudden, dit lezend, licht ons hoofd. Ook over ons zelf ? Want iets en veel van onze Avondmaalsmijding komt wel degelijk daar vandaan. Calvijn wil daar niets van weten. Het teken is op zichzelf niets, zoals de handwijzer op een kruispunt op zichzelf niets betekent dan een stuk ijzer of een stuk hout. Maar de waarde ervan ligt daarin, dat het ons de weg naar huis (naar Huis !) wijst. Dat ene Huis; waar we alleen thuis kunnen komen, waar we als in genade aangenomen; kinderen, zonder eigen adeldiploma's en dgl. welkom waren en zijn, noemt Calvijn de Heere Jezus Christus. Want in Hem alleen ligt ons heil en ons alles.
Merkt u in deze uitleg het even op, hoe fijn Calvijn het woord , , zoeken" gebruikt ? Wij zijn geneigd, de Avondmaalsganger hoe langer hoe zwaarder te belasten, tot hij eigenlijk al zó sterk is, dat er nauwelijks iets bij kan. Wee ons, als we zo , , sterk" zijn geworden, dat de dwaasheid en de zwakheid van het Evangelie er niet meer bij kunnen ! Calvijn vermijdt dat op een kostelijke wijze. Hij wil inderdaad, dat we in geloof ten Avondmaal komen. Dat betekent bij hem altijd een geloof dat zekerheid kent. Maar dat nochtans ook nog onzekerheid, zwakheid overhield, die eigenwaan èn inbeelding terugdringen en ons, zo rijp we zijn mogen, naar dat eerste, hulpbehoevende, , , zoeken" terug drukt. We vrezen, dat ook dat onder ons bijna helemaal weg is: we zeggen althans Zalig, de gezochte en gevondene, die aan het , , zoeken" niet geërgerd wordt!
Geloof en belofte.
De leraar vraagt nog weer : Wanneer er dan geloof toe nodig is, hoe zeg je dan, dat ze zijn gegeven, om ons in het geloof te versterken, door ons te verzekeren van de beloften van God ?
Deze vraag is weer goud waard. Hij wijst n.l. twee dingen af, waartegen Calvijn in zijn uiteenzetting zo scherp protesteert. Eerst dit, dat geloof een zaak van een ogenblik zou zijn, van zoiets als men noemt: „het absolute moment" ; zo, dat we, eenmaal geloof hebbend, ons om het vervolg ervan niet moeten bekommeren,
Hoewel Calvijn de leer van de , , volharding der heiligen" kent, wordt die hier zomin als elders gebruikt om ons zorgeloos te maken. Deze „volharding der heiligen" is geen verstandelijke, overtuiging, waarop het makkelijk rusten en slapen is, maar een stuk practijk des geloofs, op een gedurig slagveld, stuk voor stuk verkregen en pas achteraf recht verstaan.
De mensen, die in Geneve om (over !) het Avondmaal heenliepen, zeiden, dat ze dit niet nodig hadden. Ze hadden immers geloof, waarom dan dat Avondmaal? Ze waren zo immers de Heere goed? Maar dat laatste vindt Calvijn een drogreden, en dit is het tweede dat hij afwijst. Geloven betekent niet ons in te beelden, dat wij voor de Heere nu wel goed zijn ; maar eerder het tegendeel: dat wij in onszelf, ook voortgaand, zo helemaal geen goeds vinden, dat we aan onszelf wanhopen en alleen getroost worden door de verkondiging, de herhaling en verzegeling van Gods beloften. Dat zijn geen beloften aan godzalige en wèl menende gerusten, maar aan goddelozen, door onweer voortgedrevenen. En daartoe gaf de Heere nu Zijn Avondmaal: om door de belofte van Zijn genade aan gelovige, d.i. wanhopige, kleine, zwakke mensen te betuigen en te verzegelen, om ons zo in het geloof te bevestigen. Hoor het antwoord maar voluit: Het is niet voldoende, dat het geloof alleen maar eens in ons begint te leven, maar het moet gevoed en onderhouden worden, opdat het dagelijks in ons groeie en toeneme. Om het nu te voeden, te versterken en te doen toenemen, geeft God ons de Sacramenten. Wat Paulus aanwijst, als hij zegt, dat hun betekenis is, de beloften Gods aan onze harten te verzegelen (Rom. 4 : 11).
Gods geduld tegenover onze zwakheid.
De zaak is nu goed gesteld en zelfs ook goed verstaan. Het gaat dus niet over die zelfstandige, verzekerde geestelijke mens, die, als hij bestaan kon alleen een afgod kon zijn. Het gaat om de betuiging en de verzegeling van Gods genadige beloften aan mensen in nood.
Zo heeft de catechisant het horen verklaren. Wèl ons, als wij en onze catechisanten geen vroom-verkapte remonstrantse avondmaalsleer krijgen opgedist.
Maar nu maakt die catechisant tenslotte een uitstekende opmerking. Hij vraagt: Maar is dat geen teken van ongeloof, wanneer de beloften van God ons, zonder dergelijke hulpmiddelen, in zichzelf niet zeker genoeg zijn?
Deze jongeman is een uitstekend theoloog. Calvijn maakt in hem waar, dat een catechisant in Geneve meer theologisch besef had dan een doctor van de Sorbonne {de R.K. faculteit van Parijs). Déze knaap voelt goed het scheve, het vernederende daarvan, dat de God der Waarheid zich ertoe vernederen moet, tegenover leugenaars en twijfelaars een strijd aan te binden, alsof het om een kwade zaak gïng. Zoiets is theologisch ondenkbaar en onhoudbaar, dat de Waarheid van God betwijfeld wordt en steunsel en herhaling nodig heeft.
Calvijn kan niet anders dan dat toestemmen. Hij zegt: Het is een teken van de kleinheid en de zwakheid van ons geloof, die leeft in de kinderen van God, maar die daarom toch niet ophouden, gelovigen te zijn, alleen nog niet in volkomenheid. Want zolang wij leven in deze wereld, blijven er altijd resten van wantrouwen in ons vlees over. Daartegenover moeten wij voortdurend toenemen en groeien.
We hebben al enkele malen verteld, dat men Calvijn, terecht „de theoloog van de Heilige Geest" noemt. Dat wordt hier op een kostelijke wijze toegelicht. Want Dopers en Geestdrijvers betwisten hem die titel. Schijnbaar met recht, want het is bij hen alles, , , geest, geest" wat de klok slaat. Calvijn's belijden aangaande de Geest kan alleen verstaan worden in levend verhand met wat hij zegt van het vlees, van de mens, ook de gelovige mens. De Geest wordt op vlèès uitgestort. Dat is het wonder van Gods genade in Christus. De leer van de Geest bij Dopers en Geestdrijvers heeft iets aristocratisch, ze kweekt, begrijpelijk, geestelijke hoogmoed. Bij Calvijn komt de Geest tot , , alle den volke", zeer verootmoedigend, en zeer vertroostend. Als , , Calvinisten" geestelijk hoogmoedige mensen zijn (wie meent te staan, zie toe, of hij al niet gevallen is) zijn ze pseudo- Calvinlsten.
Calvijn stelt, dat we de Heilige Geest te intiemer kennen, naarmate we ons, met Paulus, temeer , , vleselijk verkocht onder de zonde" weten. Zo kan hij geduld hebben met de zwakheid, die aan het vlees en het leven in de Geest eigen blijft. Hij blijft er echter niet in steken: we zijn, ook aan het Heilig Avondmaal, geen Christen krachtens wat wij zelf zijn of werden, maar wat wij aan Gods genadige belofte, aan Zijn Geest te danken hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's