De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN MERKWAARDIGE UITGAVE  1) II

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN MERKWAARDIGE UITGAVE 1) II

9 minuten leestijd

Onderstaande boekbespreking verscheen reeds in de Delftse Kerkbode en in "Eenigheid des Geloofs". Om het belang ook voor hervormd gereformeerde kring nemen wij na onze recensie deze uitgebreidere beoordeling hier over.

Lout're goedheid, liefdekoorden,

waarheid, zijn des Heeren paan

hun, die zijn verbond en woorden

als hun schatten gadeslaan.

Zo zingen wij met Psalm 25 : 5. De Heere leert Zijn kinderen, de ouderen èn de jongeren, leven uit Zijn genadeverbond. Opdat wij de vermaning van de apostel Petrus ter harte zouden nemen: „Daarom, broeders, benaarstigt u te meer, om uw roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende zult gij nimmermeer struikelen. Want alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk van onzen Heere en Zaligmaker, Jezus Christus" (2 Petrus 1 : 10, 11).

Er is een oude spreekwijze wat betreft de uitverkiezing: God de Heere begint ermee, wij moeten er in eindigen. Een eenzijdig uitgaan van de verkiezing rooft de troost daarvan en leidt tot onschriftuurlijke lijdelijkheid tot een degradatie zo niet een verwaarlozen van het genadeverbond. Dat komt in onze kringen nogal eens voor. In sommige bijdragen van , , Jeugd! Waarheen? " missen wij het verbond. Zo in het slotartikel , , Ouders, wat nu? ", wanneer de heer Van Wijk enkele gevoelvolle woorden wijdt aan de plaats van het geestelijk onvolwaardige kind. in het gezin. Voor dit kind, dat zelve niet kan bidden, moet wel dubbel gebeden worden tot de Heere, onze God: wat niet middelijk kan, wil Hij Wel eens onmiddelijk doen. Zeker. Toen ik dit las, moest ik denken aan die eenvoudige man, vader van een groot gezin, waar twee „ongelukkige jongens" waren. Toen hij weer eens op een doopzitting verscheen, kwam deze stille man zo helemaal uit zichzelf los en begon over zijn verstandeloze kinderen te praten. Hij bleek van dit „dubbele bidden" te weten en zeide letterlijk: ze zijn toch ook gedoopt. Daar mag ik op pleiten. Wanneer voorts ouders, die reeds grootouders zijn, terugzien, zien zij hun vele fouten in de opvoeding; misschien ook de brokken, die zij gemaakt hebben. Hier wordt Ps. 90 : 9 aangehaald. En gewezen op Christus, in Wien God gaarne vergevend is. Waarom hier ook niet Ps. 90 : 1 (Heere, Gij zijt ons een toevlucht van geslacht tot geslacht) en het slot (vs. 17: en bevestig Gij het werk onzer handen over ons) geciteerd? Waarom niet nadrukkelijk het verbond Gods genoemd, hoewel iets daarvan hier wel doorschemert. Doch zéker niet de troost van de rijkdom daarvan. We behoeven toch niet bevreesd te zijn, dat een schriftuurlijke prediking van het genadeverbond tot valse gerustheid moet leiden?

In de bijdrage van ds. Tukker waarderen wij, dat hij in, , Jij en je gemeente" uitgaat van het verbond en daarom ook het juiste verband vermag te leggen tussen Doop, belijdenis (die beleven vraagt) en H. Avondmaal. In zijn waarschuwing tegen het onnodig ergernis geven, merkt hij op, „dat wij wel eens al te lichtvaardig spreken over het vijand zijn van Gods volk en over het vriend zijn van de wereld, zoals wij ook al te lichtvaardig spreken over het vriend zijn van Gods volk en vijand zijn van de wereld. Dat heeft al wat kwaad gedaan en farizeïsme gekweekt. Dan zijn wij de bezitters van het heil en anderen mogen zien, dat zij het krijgen. Erger nog wordt het, als deze dingen gezegd en gedaan worden door mensen, die rondweg erkennen, dat zij geen genade bezitten, maar dat zij wel vóór de 'Waarheid zijn. Dit geslacht is veel onder ons. Voor hen schijnt niet te gelden het Schriftwoord, dat de natuurlijke mens niet verstaat (voorstaat zal wel een zetfout zijn, KI.) de dingen, die des Geestes Gods zijn, want zij zijn hem leugen en dwaasheid. Toch zijn dit de mensen, die vaak het hoogste woord voeren naar buiten. Zij zijn de voorvechters voor de waarheid, zij kunnen het snode van het kostelijke onderscheiden in de prediking en in de harten van hun medemensen. Bescheidenheid is nooit hun kenmerk en de voorzichtigheid der rechtvaardigen is hun altijd vreemd. Hieraan zijn zij ook te kennen, dat zij met behagen anderen veroordelen, terwijl de oprechte vromen zich verblijden, als zij horen, dat deze en die in Sion geboren is. En ook hieraan zijn zij te kennen, dat zij grote waarde hechten aan uitwendige vormen. Als de farizeeën hebben zij vele dingen aangenomen te houden, terwijl zij de wezenlijke geboden licht achten. Voorstanders zijn zij doorgaans van wettische preken, meer dan van de prediking der wet, tegenstanders zijn zij doorgaans van de prediking van het Evangelie." In alle kerken van gereformeerde signatuur treft men dit geslacht, dat, zo merkt ds. Tukker terecht op, de gereformeerde religie in kwade reuk brengt.

„Jeugd! Waarheen? " bevat meer voortreffelijke hoofdstukken. Zo doet na het sombere en trieste , , Ontwakend leven" P. J. Otte's bijdrage „Jij en je ouders" aan als een verfrissend bad. Een Schriftuurlijk betoog, waarnaar jongeren zeker met aandacht zullen willen luisteren en waarin het , , waarheen? " duidelijk wordt aangewezen.

Wij kunnen niet al te breed op de inhoud van elk hoofdstuk ingaan; attenderen daarom op de practische wijze, waarop ds. B. Eysenga voor (a.s.) militairen èn hun ouders schrijft; op de lezenswaardige beschouwing van de huwelijksdag van ds. G. Boer (waarin hij op pastoraal-bewogen doch ook nuchtere wijize schrijft over het gedwongen huwelijk); op het voortreffelijke „Is er nog toekomst? " van ds. E. F. Vergunst (ja! want Christus heeft overwonnen; wie Hem verwachten, behoeven niet moedeloos te zijn). Hier beluisteren wij positieve klanken, die onze jongeren zo nodig hebben.

Puntig en raak schrijft ds. Abma over de Bijbel als ons kompas. Hij is een meester in woordspelingen. Eén citaat moge dit bewijzen: „Sommigen hebben overal een waarheid voor, maar niet de waarheid. Als het woord uit de mond van de valse profeet niet kwam, dan had hij het uit overmoed gesproken, zegt de Heere in Zijn wet. Voor overmoed zullen wij ons hoeden. We moeten met onze waarheden ons wringen in vele bochten, en akrobatische toeren verrichten om toch over de sloot te komen. In dit opzicht en in het algemeen is waar, dat velen zich redden met het Woord, en weinigen door het Woord gered worden" (343).

Trouwens, aan interne critiek ontbreekt het in dit verzamelwerk zeker niet. Dit stempelt het tot een eerlijk boek en bewijst dat een heilzame verontrusting over wat in eigen kring leeft of te weinig- of helemaal niet leeft, geleid heeft tot de uitgave ervan. Een enkel voorbeeld moge dit staven.

Wanneer de heer van Wijk over de sport spreekt (en terecht de sportverdwazing hekelt, doch o.i. te ver gaat, wanneer alle wedstrijd als verheerlijking van de mens wordt afgewezen), merkt hij. op: „Ik stem jullie toe, dat je in de kerk weinig hoort spreken over het lichaam" (67). En dokter J. Trommel (die op blz. 248 bij een verwijzing naar de eerste doopvraag deze slechts half aanduidt, terwijl in de vraag juist het accent valt op het , , in Christus geheiligd zijn"!) constateert , , een ontstellend gebrek aan 'christelijke levensstijl in onze kringen" (249). Zulks ondanks het feit, dat het schijnt voor te komen, dat men kinderen op zondag hun speelgoed onthoudt. , , Wanneer de baby op zondag de rammelaar afgenomen wordt of de kleuter zijn blokken, zijn ze de hele dag lastig, terwijl ze toch niets méér (hoogstens minder) van de betekenis van de zondag  begrijpen" (250).

, , Waar ziet onze jeugd nu het , , Wonder Gods" nog levend in hun ouders? Levend, dat is iets anders dan het zien van een godsdienstige vorm (die we overigens ook al kwijt zijn; wat termen zijn ons overgebleven) klaagt de heer Florijn (281), die even later constateert, dat de jeugd is losgeslagen. , , Heeft de kerk zich wel bekommerd over onze jeugd? Is het ook wel eens niet begrijpelijk, dat onze jeugd eindelijk eens genoeg, krijgt van een vrijwel inhoudloze vorm? (290). Jeugd vraagt alles of niets; zij is radicaal, staat daar eenzaam; „onze jeugd breekt nog niet zo door alles heen als regel, maar ze haalt haar schouders op, en is deze onverschilligheid minder gevaarlijk? " En de heer P. M. Donkersloot merkt in zijn lezenswaardige analyse van , , de tijd waarin wij leven" op: , , Ik geef toe, dat de kerk wel eens te weinig de moeilijkheden van de jongeren begrijpt, juist doordat de kerkmensen, vooral de leidinggevende kerkmensen, vaak weinig van de wereld om ons heen begrijpen, en vaak ook weinig van dat, wat de jeugd benauwt. Jammer, dat ze vaak zo weinig richting geeft" (304). En de heer Van Wijk vraagt van ouders en kerkeraden een begrijpend begeleiden van de jeugd, want wanneer men ze met een kluitje in het riet wil sturen, bezorgt deze liefde'oze houding, ons een „dakloze" jeugd in het gezin en ook in de kerk. „Er is veel praten over het leven onzer gereformeerde vaderen, maar onze jeugd weet het allang, dat die oude vaderen met meer nuchter verstand te werk gingen dan zij, die al maar stuntelige pogingen doen om in hun voetspoor te blijven" (353).

Verblijdend is ook, dat meer dan een medewerker oog heeft voor de roeping van de christen, ook de jonge belijder, tegenover de moderne massamens (Donkersloot, die wijst op het belang van het persoonlijk gesprek, want de mens van onze tijd is eenzaam, (303) of gelet op het moderne heidendom in onze steden en dorpen (Venema, die ook nadrukkelijk wijst op de taak zowel van de kerk als van de jeugd in deze, 137 e.v.v.). Donkersloot wijst voorts ook nog speciaal op de bijzondere plaats van het Joodse volk. Ondanks Rom. 9-11 heerst in onze kring nog teveel de opvatting. dat Israël met de verwerping van Christus zijn roeping beëindigd heeft. Een opvatting, die de meeste gereformeerden delen en die te verklaren is uit het feit, dat wij, , , dit probleem niet tegenkomen bij onze oudvaders" (313). Maar daarom is het er wél en door God aan de orde gesteld!

(Wordt vervolgd.)

1) JEUGD WAARHEEN? Samengesteld met  medewerking van meerdere auteurs. 358 blz., geb. ƒ 15,—. Uitgave N.V. De Banier",  Utrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN MERKWAARDIGE UITGAVE  1) II

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's