Uit de Pers
De verhouding van kerk en staat is alle eeuwen door een brandend probleem geweest. Elke nieuwe periode in de kerk- en wereldgeschiedenis heeft een andere situatie geschapen. Terwijl in de Middeleeuwen, na keizer Constantijn de Grote, de Kerk — in het algemeen genomen — een overheersende positie innam in het leven van de Europese volkeren en vele pausen met succes een greep hebben gedaan naar de „kerkstaat", is de positie van de Kerk in haar verhouding tot de overheid na de reformatie een andere geworden. Onze gereformeerde vaderen hebben geducht te maken gehad met dikwijls een intensieve bemoeienis van de overheid , met de Kerk. Dit had zijn positieve en negatieve kanten. De Calvijnse reformatorische visie op het „ambt der overheid" ten aanzien van de Kerk, heeft zijn concretisering gevonden in art. 36 van de Ned. Gel. Bel. In dit artikel wordt met nadruk beleden, dat het ambt der overheid is , , de hand te houden aan de heilige kerkedienst , en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen".
Vanuit deze visie op het ambt der overheid is het te begrijpen, dat men in het verleden overheidssteun heeft aanvaard voor kerkbouw. Feitelijk was dit geheel en al een zaak van de overheid. Tot in de 19de eeuw toe heeft de overheid kerken laten bouwen.
In onze eeuw is deze zaak opnieuw aan de orde gekomen. Wie enigszins op de hoogte is met de situatie met betrekking tot de kerkbouw, weet, dat door de regering een commissie is ingesteld — de staatscommissie Sassen —, die tot taak heeft over deze aangelegenheden een rapport op te stellen, om te dienen als mogelijk uitgangspunt voor het beleid van de regering. Dat rapport is klaar gekomen. Daarin wordt voorgesteld, dat door de rijksoverheid in de , , wettelijke stichtingskosten" van een kerkgebouw onder bepaalde voorwaarden een subsidie van 25 % zal worden gegeven, hetgeen in de practijk zal neekomen op 20 % van de bouwkosten.
Eén dezer dagen nu heeft de Dr. Wiardi Beckman Stichting, het studiecentrum, van de Partij van de Arbeid, een rapport gepubliceerd over de voorstellen van de staatscommissie—Sassen. In dit rapport wordt ook een pleidooi gehouden voor subsidiëring van geestelijke bezinningscentra van het Humanistisch Verbond.
Onder de titel , , Moet Humanisme delen in subsidie voor kerkbouw", schrijft ds. Landsman, hoofdredacteur van „Hervormd Nederland", in het no. van 1 aug. j.l. over dit rapport van de Dr. Wiardi Beckman Stichting :
Voorop sta dat het een uitstekend rapport is dat we met vreugde hebben gelezen, vooral als we ons, dit doende, realiseerden hoeveei er sinds de jaren vóór de oorlog ten goede is veranderd in de houding van de socialistische beweging in ons land t.a.v. godsdienst en Kerk. Ook dit rapport getuigt weer van een positieve waardering van de betekenis van de Kerk voor „de ontplooiing van de geestelijke en zedelijke krachten van het gehele volk". Het rapport voert daarom dan ook een pleidooi voor subsidiëring van kerkbouw door de overheid, omdat deze daarmede een algemeen belang dient.
Dit wil niet zeggen dat men het in alle onderdelen met de commissie-Sassen eens zou zijn. Een belangwekkende opmerking is b.v. deze, dat, naar het oordeel van de W. B. Stichting, vermeden dient te worden dat de overheid door de bouw van kerken te steunen, in feite zendingswerk van de betrokken kerkgenootschappen bevordert. Daarom wil men dan ook ais eis stellen dat een kerkgenootschap ten minste 5 of 10 jaar in de betreffende burgerlljke gemeente moet hebben gewerkt om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. We begrijpen dit amendement en kunnen het billijken, -maar vragen ons toch af of het wel helemaal uitvoerbaar is b.v. bij de bouw van satelietsteden, ergens op het platteland, op het grondgebied van twee of drie kerkelijke gemeenten. Toch zou er iets vóór een dergelijke bepaling zijn te zeggen, als deze voldoende rekening houdt met het feit, dat in sommige gevallen een kerk tegelijk met de nieuw verrijzende woonwijk moet worden gebouwd, zodat kerkbouw en gemeentevorming gelijktijdig moeten plaats vinden, vanuit de „moedergemeente" of vanuit de Kerk in haar bredere verbanden.
Komend tot een van de kernpunten uit dit rapport, merkt ds. Landsman op :
Het belangrijkste onderdeel van het rapport van de W. B. Stichting achten wij .echter dat, hetwelk handelt over de gelijkstelling van kerken met „bezinningscentra". Het rapport bepleit de regeling van de subsidiëring van kerkgebouwen en van deze centra voor „geestelijke organiisaties" op niet-godsdienstige grondslag", in één wet en op gelijke voorwaarden, omdat het in strijd met het wezen van de overheid zou zijn, indien zij zelf t. a. v. de godsdienstige waarheidsvraag een standpunt zou innemen". Daarom mag zij, aldus het rapport, niet discriminerend optreden b.v. tegenover een organisatie als het Humanistisch Verbond! Wij hebben in dit blad' meermalen gelijkheid van rechtsbedeling voor de kerken en voor de geïnistitutionaliseerde vorm van het Humanisme hier te lande bepleit, op grond van de overweging dat zulks de onvermijdelijke consequentie is van een, ook door een christen hogelijk te waarderen, democratisch bestel, zoals wij dit kennen. Wij vragen ons echter af of de W. B. Stichting niet veel te ver gaat als ze uit dit beginsel de conclusie trekt dat kerken en bezinnings-centra onder één titel zouden moeten worden gesubsidieerd, als waren zij anders dan formeel vergelijkbare grootheden.
Ook een overheid, die „als zodanig" niet kiest voor een bepaalde „godsdienstige waarheid", behoeft zich nog niet onwetend te verklaren, als het er om gaat een onderscheid te maken tussen de openbare eredienst in een kerkgebouw en een bezinningssamenkomst in de een of andere zaal, belegd door een groep mensen, die elkanders geestelijk leven willen opbouwen. Wij: bedoelen hiermede niets discriminerend te zeggen over zulke samenkomsten. De kerken kennen deze ook, naast haar eredienst, in allerlei vormen. Ze vallen voor een deel onder wat men in onze tijd onder „vormingswerk" pleegt te verstaan-
We kunnen ons voorstellen dat ook het Humanistisch Verbond op de eerste dag der week, al heeft het niets te „vereren" dan de Mens zelf, niettemin de behoefte gevoelt zijn geestverwanten samen te roepen voor een uur van bezinning.
We kunnen ons ook voorstellen dat deze bezinningssamenkomsten op de duur een instituut worden, dat menigeen tot steun is in de levensstrijd en daardm ook van waarde voor de samenleving als zodanig.
We kunnen ons ook indenken dat de Overheid, het algemeen belang daarvan inziende, het H.V. helpt bij de bouw van een „Centra'" voor zijn samenkomsten, daar waar daarin in de brede kring van zijn geestverwanten behoefte blijkt te bestaan.
Maar dan moet de overheid weten dat ze iets: totaal andersoortigs aan het doen is dan de subsidiëring, van kerkbouw.
Het is een vraag van technische aard, waarop wij nu niet willen proberen een antwoord te geven, of het mogelijk is de subsidiëring van bezinningscentra met die van kerken in één wet onder te brengen. We betwijfelen dit sterk. Maar als dit wèl moet gebeuren, zal deze aangelegenheid op zijn minst in een afzonderlijk hoofdstuk moeten worden ondergebracht en zal nauwgezet moeten worden nagegaan aan welke regels de subsidiëring van de centra van „geestelijke organisaties" dient te worden gehouden.
Dan kan tegelijk worden bezien hoe gehandeld moet worden t.a.v. de centra van verenigingen, die, hoewel (nog) niet in een kerkelijk verband opgenomen, niettemin wel „godsdienstige samenkomsten" beleggen.
In de ondertitel van zijn artikel duidt ds. Lansdman deze visie van genoemde stichting aan als „overtrekken van het dogma van de neutrale overheid". Met deze kenschetsing zitten wij midden in het hart van de moeilijkheden, die op dit punt rijzen. De hoofdredacteur van , , Hervormd Nederland" laat geen beslist neen horen, als het gaat over de subsidiëring van humanistische bezinningscentra voor geestelijk leven. Hij acht het alleen onaanvaardbaar, als zowel de subsidiëring van kerken als bezinningscentra onder één titel zou plaats vinden. Hierin heeft hij gelijk. Maar veel liever ware het ons geweest, als in zijn artikel ook iets had doorgeschemerd van de oorspronkelijke reformatorische visie op het ambt der overheid, zoals neergelegd in art. 36 van de Confessie Belgica. Men zal antwoorden : dat is niet meer relevant voor deze tijd. Maar dat neemt niet weg, dat de Kerk in haar spreken zich heeft te plaatsen op de basis van deze belijdenis, die nog altijd de belijdenis van de Herv. Kerk is. Niet minder ligt hier een taak voor die leden der Staten-Generaal, die bewust willen leven uit het reformatorische belijden. Laat het dan zijn, dat de overheid in de huidige situatie niet anders kan doen dan wordt voorgesteld in het rapport van de dr. Wiardi Beckman-Stichting, de Kerk mag zich niet conformeren aan de concrete situatie, maar heeft juist daarin profetisch te vertolken wat naar haar diepste overtuiging het annibt der overheid is. Zij heeft het geweten der natie te zijn, ook in dit opzicht. Daailom is dit artikel van dsi. Landsiman niet bevredigend. Wij hadden gaarne een positiever geluid gehoord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's