KRONIEK
Vakantie in Brabant — „Venster op het protestantisme" — Polemiek met ds. Krop — Dr. Streeders voorslag — Prof. Van Niftrik over Taizé— „Een gespannen meeleven met wat er in de wereld gebeurt" — Het visioen uit Jesaja 2.
Sikkels blinken, sikkels klinken,
Ruischend valt het gaan.
Zie de bindsters garen.
Zie in lange scharen
Garf bij garven staan.
Een oud vers, een ouderwets vers ; niet meer van onze tijd. Noemde niet kort geleden een scribent het een vers uit de tijd van , , onze grootvaders"? Ach ja, ik weet het ook wel, Staring's oogstontboezemlng is op alle manieren niet meer van deze tijd. Wij worden tegenwoordig vergast op , , experimentele poëzie". Maar de verouderde Staring spreekt mij voorlopig toch wel iets meer aan.
Ik moest telkens aan het vers van Staring denken in mijn vakantie, die ik met mijn vrouw ergens beneden de Moerdijk, in het Brabantse, doorbracht. Ik hoop dat mijn lezers-vakantiegangers een even goede en gezegende vakantie hebben gehad als wij. In het Brabantse land geschiedde de korenbouw nog voor een deel — ook daar werkten maai- machines en combines wel op volle toeren — op z'n ouderwets. Zo zag ik nog telkens , , in lange scharen, garf bij garven staan". Ze glansden in goudgele tinten wonderlijk mooi op de velden, badend in stralend zonlicht. Het was een verrukkelijk schouwspel. Vol poëzie, want „poëzie schuilt overal mijn vrinden, 't is de vraag maar wie ze wel en wie ze niet kan vinden". Ja, Brabant in dagen vol zomer- en zonneweelde is schoon. Het Brabantse land is een goed land met zijn gastvrije, voorkomende en hulpvaardige bevolking, met haar zoetvloeiende taal en milde humor.
Wij hadden het er goed. Vakantie in zulk een oogsttijd is een weldaad. Er was iets in van: , , de dalen zijn bedekt met koren ; zij juichen, ook zingen zij". (Psalm 65 : 14).
Ja we hadden het goed beneden de Moerdijk. Brabant is voor het merendeel rooms. De bevolking verloochent dat type niet. Maar als ik Brabant met Limburg vergelijk, dan is, ondanks , , Brabantia nostra", een corporatie, die nog al eens stoom afblaast tegen het protestantisme, het openbare leven m.i. er niet zo provocerend, zo uitdagend en gesloten rooms als in Limburg wel. Ik spreek natuurlijk over de plaatsen waar ik zoal nu en voorheen vertoefde. Evenwel, de levenstoon, hoe ook gemoduleerd, is rooms. Die levenstoon wekt in het protestantse hart weerstanden, ondanks de verbroederingssymptomen, die internationaal en nationaal te speuren zijn; bij protestanten en rooms-katholieken.
, , De Linie", bekend rooms-cultureel orgaan, kwam 1 augustus ll. met een merkwaardig artikel, gedocumenteerd met uitspraken van verschillende pausen en prelaten, onder het hoofd: , , Het delicate woord: terugkeer".
Ik geef wat dr. Jos. Lescrauwaet in de rubriek „Venster op het protestantisme", daarover schreef en dat ik aantrof in Weekbulletin no. 32, dd. 8 aug., van Persbureau Ned. Herv. Kerk", om bijzondere redenen in zijn geheel hier door :
, , Het voor ons onvermijdelijke woord „terugkeer", zo zegt dr. Lescrauwaet, „klinkt ons toch anders in de oren dan de protestanten het verstaan: wij zeggen het in een context en niet geïsoleerd, vervolgens staat dit woord in de twintigste eeuw tegen een andere achtergrond dan in de zestiende eeuw. Over beide punten de volgende toelichtingen.
Het gaat niet om een terugkeer tot ons katholieken zonder meer, maar tot het gemeenschappelijk huis van alle christenen. Terugkeer tot het huis „waarin uw voorvaders het heil gevonden hebben" (Pius IX), , , niet tot een vreemd, maar tot uw eigen voorvaderlijk tehuis" (Pius XII), een huis tenslotte, , , dat uw voorvaders met hun deugden en wijsheid hebben opgeluisterd (Johannes XXIII). Met de woorden van de bisschop van Lausanne, Fribourg en Geneve: , , De Kerk zegt niet: komt naar ons, maar: komt in ons gemeenschappelijk vaderhuis" (1947).
De dringende vraag om terugkeer geeft vervolgens te kennen, dat hun afwezigheid voor ons een gemis is. Het leven van gedoopten buiten de kerkgemeenschap betekent, dat er voor hen gereserveerde plaatsen binnen het kerkhuis zijn, die open staan, dat er plaatsen rond de eucharistische Tafel leeg blijven. Hiertoe zijn wij toch gedoopt in één en dezelfde Geest om allen te eten van het éne Brood en aldus één Lichaam te vormen.
Vier eeuwen na de scheiding doet zich het gemis ook gevoelen in de erkenning van verschillende positieve waarden in de reformatorische visie en beleving, die in de katholieke prediking te weinig belicht of in de praktijk onvoldoende beleefd werden en die wij thans dieper trachten te verstaan en consequenter te beleven. Wij verwachten geenszins, dat de terugkerenden alles verlaten en met lege handen zullen komen; integendeel, wij hopen, dat zij alles, wat de heilige Geest gedurende die vier eeuwen in hun harten bewaarde en ontwikkelde, zuilen binnenbrengen , , tot verdere opbouw van het lichaam van Christus". (Vergelijk: heilig Officie, uitspraak: 1949).
De uitnodiging tot terugkeer wordt tenslotte gesteld in het besef van medeverantwoordelijkheid onzerzijds bij het ontstaan en het voortbestaan van de breuk in de christenheid. De uittochten van de zestiende eeuw kunnen wij niet anders zien dan onvruchtbare pogingen om de misbruiken van de laat-middeleeuwse kerk te herstellen, maar wij zullen ook bekennen., dat het kerkhuis inderdaad minder bewoonbaar was, dat er ingrijpende restauratie nodig was en dat de leiders der kerk pas door het dramatisch vertrek van velen aan omvangrijk herstelwerk begonnen. De bisschop van Würtzburg, dr. Julius Döpfner formuleerde dit als volgt: Heel wat katholieken menen, dat de anderen eenvoudigweg moeten terugkeren, zonder enige prestatie van onze kant; en hij vervolgt letterlijk: , , Zo eenvoudig is het er niet mee gesteid. Veeleer zou ik dit vooral met nadruk willen zeggen, dat ook wij schuldig zijn. Bij grote scheuringen hebben altijd mistoestanden en zwakheden in de kerk het bittere uur der scheiding voorbereid. Wij moeten niet zeggen: wat gaat het ons aan, dat toentertijd de Romeinse curie, de bisschoppen en priesters, of ook onze vaderen schuldig werden? Dat zou een farizeese of minstens zeer lichtvaardige manier van spreken zijn! Neen, wij willen vol deemoed staan bij de zonden onzer vaderen, wij: willen Gods oproep tot herstel beluisteren en vol lieifhebbende bezorgdheid uitzien naar onze afgescheiden broeders".
Het woord terugkeer doet ons denken aan Lucas XV, waar sprake is van de terugkeer der weggelopen zoon. Daar gaat het echter niet alleen over terugkeren van de zoon, maar ook over een , , tegemoet lopen" door de vader, en nog wel , , toen hij hem van verre zag". Wij hebben ons af te vragen of wij al werkelijk „uitzien" en van zins zijn , , tegemoet te lopen". Of met de woorden van Pius XII: zijn wij serieus bezig „dit huis steeds meer bewoonbaar te maken voor allen"?
Ook hier geen provocatie. En toch ... de reformatie blijft veroordeeld. Er is geen begrip van de nood om , , de waarheid" Gods, waarop Calvijn telkens wijst, geen besef van „de leer", die de reformatie bij monde van Melanchton deed zeggen: „omdat wij de leer niet kunnen verlaten, moeten wij de bisschoppen verlaten". In antwoord op de oproep tot „terugkeer", die ontdaan van een zekere vrome fraseologie en toegeeflijkheid, doet denken aan het bekende , , Als de vos de passie preekt" etc, zij en blijve het bij ons: non possumus, wij kunnen niet om het Evangelie Gods, , , de schat der Kerk". En zulks niet als leuze, doch uit geloofsgebondenheid aan Gods Woord.
In de beide laatste nummers van , , Hervormd Weekblad, De Gereformeerde Kerk", polemiseert H. H. G. met ds. Krop over diens uitlating betreffende de vrijzinnigen in de kerk. Ds. Krop meent, , , dat de vrijzinnigheid tot het wezen der kerk behoort". Daarna poneerde hij de stelling: , , De kerk heeft de vrijzinnigheid nodig".
Ds. Groenewoud (H.G.G.) kan het met die stelling niet eens zijn. Hij erkent echter wel, „dat de vrijzinnigheid een element heeft, dat voor de kerk van betekenis is". Hij vervolgt dan:
Maar hiermee alleen kan het probleem der vrijzinnigheid niet worden opgelost. Er is ook altijd een element in de vrijzinnigheid geweest, dat een aanslag op het wezen der kerk betekende, wijl het de ontkenning van de beslissende heilswaarden inhield.
En daarom kunnen we niet zeggen, dat de vrijzinnigheid bij het wezen der kerk behoort. En als we horen, dat de kerk de vrijzinnigheid nodig heeft, dan wekt dat bij ons grote reserve. Zo als het hier staat, is het ons te absoluut gezegd. Het is zo, dat er in de vrijzinnigheid ook een element is, dat de kerk nodig heeft. Maar om ter wille hiervan de vrijzinnigheid als zodanig als noodzakelijk te aanvaarden, de vrijzinnigheid met het negatieve element, dat gaat ons te ver. Wat ds. Krop als een positieve stelilng zegt, is voor ons een vraag, een probleem, waar vele kanten aan zijn. Meer kanten dan in het artikel van ds. Krop worden belicht. Het is de vraag, hoe de kerk die leeft volgens artikel X der kerkorde, dus de belijdende kerk, op de weg van haar belijden, de vragen die de vrijzinnigheid stelt, in haar belijiden kan opnemen en beantwoorden. Dat dit belijdende antwoord der kerk ook wel eens afwijzend moet uitvallen, bewijzen zowel de reactie die de synode van het vorig jaar gaf op een artikel van dr. A. de Wilde, als het artikel van prof. dr. P. Smits over de betekenis van Jezus' dood.
Met de nodige waardering voor wat H.G.G. tegen ds. Krop opponeert, kan ik zijn artikel niet in alle delen duidelijk vinden. Het is alsof hij wat verlegen zit met wat ds. Krop schreef, en eveneens met de vrijzinnigen. De Synode laboreert m.i. aan hetzelfde euvel. In de jongste Synodale vergadering bracht prof. van Niftrik het „geval" prof. Smits ter sprake; voor mijn besef, wat schuchter. De toon was in elk geval mak. Werkt in dit alles door gevoel van verantwoordelijkheid voor de reorganisatie van 1951?
Over het „geval prof. Smits" ging het in het slot van het hierboven geciteerde. Ik ga op de kwestie zelf hier niet in. Er zijn al heel wat scribenten geweest — ook van , , geref. zijde" —, die hierover het hunne gezegd hebben. Jeremiades en weeklachten genoeg. Het geval is ook erg, vooral in de kerk, die , , belijdenis wil doen van de zelfopenbaring van de drieënige God, in gemeenschap met het belijden der vaderen". Als ik aan die vaderen denk, — zij hebben het volgens ds. Krop betreffende de remonstranten niet bij het juiste eind gehad, doch dat is voor zijn rekening! — dan is de kerk, indien ze betreffende prof. Smits , , diligent" blijft en niet meer doet, allesbehalve met hen (, , de vaderen") en hun belijdenis , , in gemeenschap". Maar ik ben misschien te rechtlijnig en te afkerig van compromissen met hun gecompliceerdheid. Doch terzake.
Dr. Streeder publiceerde een artikel: „De Nederlandse Hervormde Kerk van 22-25 juni 1959 in Synode bijeen". (Hervormd Weekblad dd. 6-8-'59) — de titel doet denken aan een schrijven dat uitvoering geeft aan het een of ander besluit — waarin hij bepleit inzake de onderhavige kwestie iets te doen. Dat op zichzelf is in een zaak, die zoveel rumor in casa bewerkt heeft, al een weldaad. Dr. Streeder vermeldt in zijn stuk, dat dr. P. Smits gevraagd heeft: „Heeft de kerk een school? " Die heeft de kerk niet. Doch dr. Str. meent, dat de , , Raad voor Kerk en Theologie" in dezen wel kan fungeren. Hij schrijft:
, , Ziehier de moeilijke taak van de Raad voor Kerk en Theologie om dit te zijn. Zij mag zich niet tevreden stellen een dispuutgezelschap van theologen te vormen, hoe belangrijk ook, maar zal juist met 't oog op de verantwoordelijkheid der kerk voor het heden, richtlijnen hebben te trekken. De Kerk van Christus heeft geen behoefte aan een , , neutrale" school.
Ten tweede wil ik er op wijzen, dat de Raad voor Kerk en Theologie niet heeft af te wachten, of een concrete , , dwaalleraar" wordt aangebracht bij een provinciale kerkvergadering. Het valt op, dat de artikelen van de Nederlandse Geloofsbelijdenis niet alleen spreken van een „wij geloven en belijden", maar ook van een , , wij verwerpen". Zo treedt de scherpte van het zwaard des Geestes, het Woord Gods voor de dag. Daarnaast herinner ik aan een geschrift, in 1941 opgesteld door wijlen dr. J. Koopmans, dr. K. H. Miskotte en ds. K. H. Kroon: , , Wat wij wel , en wat wij niet geloven". Ter toelichting wordt opgemerkt: „In het volgende wordt positief en onmiddellijk gezegd, waarom het gaat en waarom het al meer gaan zal, daarnaast staat dan als noodzakelijke keerzijde wat verworpen móét worden". Ten opzichte van het belijden van God lees ik: , , Daar om geloven wij niet, maar verwerpen als verderfelijke dwaling, dat er enige rechte kennis van God, van Zijn wil of bedoeling zou kunnen zijn, buiten de openbaring in Christus om, die de Heilige Schrift betuigt... Alléén in de stem van deze onze goede Herder herkennen wij de stem van onze God". Op deze wijze wordt de , , dwaalleraar" gesignaleerd, vóórdat hij volgens Ord. 11-16-3 ten tonele wordt gevoerd".
En daarna ten besluite:
, .Volgens mijn mening heeft de discussie dr. Buskes—dr. A. de Wilde met het artikel van dr. P. Smits „Waarvoor stierf Jezus? " te maken. Er heeft een uitholling van de wezenlijke inhoud van het evangelie plaats. De weerbaarheid van de gemetente wordt erdoor gebroken. De modaliteiten worden met dit feit geconfronteerd. Zij worden voor de vraag gesteld, of zij nog wel ernst maken met het „Christus-belijdend" karakter der Nederlandse Hervormde Kerk (art. 8). Juist op dit punt kan de Raad voor Kerk en Theologie het belang van dit Christus-belijdend karakter der kerk scherp stellen. Op deze manier vermag zij onze kerk te dienen door de „dwaalleraar" aan te wijzen, voordat hij in eigen persoon wordt aangebracht. Zulk een gedragslijn voorkomt een ketterjacht, waarschuwt de ongebreidelde , , geesten", bewaart en dringt onze kerk als Gemeente van Christus om in het besef van haar verantwoordelijkheid voor het heden stap voor stap zich in de weg van het belijden van de Naam des Heeren te bewegen. Hierdoor zal de onderlinge verbondenheid aan Jezus Christus als Hoofd van allen versterkt en verinnigd worden. Waar het wantrouwen tegenover elkander wijkt, groeit het vertrouwen jegens elkander. Het kerkewerk wordt erdoor verdieipt en de Naam Gods erdoor verhoogd. Een stad, op een berg gelegen, kan niet verborgen blijven".
Ik weet niet of een en ander, hier gesuggereerd, behoort tot de competentie van genoemde „Raad", en evenmin of hij bijzonder enthousiast een eventuele opdracht, als hier omschreven werd, zou aanvaarden. Maar als dr. Streeders' voorslag aanvaard werd, zou er iets gebeuren. Want met „ach en wee"-geroep vorderen we niets. En deze zaak is minstens even erg als de brochure van wijlen dr. Louis Bahler „Het christelijk barbarendom Europa", welke mede aan leiding was tot de oprichting, van de Gereform. Bond. Dr. Streeder herinnert er aan, dat , , de Duitse Kerk enkele maanden geleden , , opnieuw" de z.g.n. , , Barmer Thesen" had beleden om bewaard te worden voor de bezetenheid van een anti-christelijke tihelogie".
In de Kroniek van , , Kerk en Theologie" no. 3 verhaalt prof. van Niftrik van zijn bezoek, dat hij in mei 11. aan de communauté van Taizé bracht en van zijn contacten en ontmoetingen daar.
De communauté van Taizé is — ik heb daarop voorheen wel gewezen —- een broederschap van protestanten, geschoeid op de leest van een r.k. monnikenorde. Zo kan men dat verschijnsel, wat huiselijk dan, omschrijven. Op dat artikel ga ik nu niet in. Misschien komt er, in verband met andere verschijnselen, nog wel eens gelegenheid voor. Prof. van Niftrik heeft, bij waardering van verschillende opvattingen, vooral groot bezwaar tegen het verplichte caelibaat. Men wil daarin aan een , , verseksualiseerde wereld" door middel van dit teken tonen dat , , de mens althans de wil heeft om te worden een mens , , d'un seul amour", d.w.z. een mens om zich te geven aan de geheel enige liefde tot Christus. Tegen deze opvatting zet prof. van Niftrik zich in en zulks terecht. Doch, gelijk ik reeds zeide, ik ga op het artikel thans verder niet in.
Het gaat mij nu om iets anders. Prof. van Niftrik schrijft in zijn Kroniek ook, dat in Taizé , , een grote openheid voor de problemen der wereld is; een gespannen meeleven met wat er in de wereld gebeurt". Om dat laatste is het mij nu begonnen. Het ontbreekt bij ons nogal eens. Gods hand in het wereidgdbeuren wordt te weinig opgemerkt. En Gods leiding daarin is toch zo boeiend en aangrijpend!
De Conferentie van Geneve, die zich vele weken lang moeizaam voortsleepte, is , , officieel verdaagd, in werkelijkheid gesloten", zo is opgemerkt. We zouden ervan kunnen zeggen, ze ging uit , , als een nachtkaars". Van Russische zijde is hier een fijn, of juister een sluw politiek spel gespeeld. Of men aan de andere kant van wat Chroesjtsjow beoogde, wist, laat ik in het midden; de Russen zullen wel zeker op de hoogte geweest zijn. Nu komt er het overleg, op het hoogste niveau, tussen Eisenhower en Chroesjtsjow.
Dat betekent een terugzetten van de klok. Nu zal er, als de man, die voor de microfoon het wereldgebeuren bespreekt (Mr. Hilterman), gelijk heeft, een overleg komen tussen de twee grote machtsblokken, gelijk het vóór de oprichting van , , de Volkenbond" en , , de Verenigde Naties" was. , , Geheime diplomatie" ? Engeland draagt zijn uitschakeling tot nog toe waardig. De pil, die het moet slikken, is, evenmin als voor Frankrijk en West-Duitsland, niet eens verguld.
Men noemde juli-augustus voorheen wel eens , , komkommertijd". Die was er dit jaar allerminst. Er gebeurde veel; nog meer dan we weten.. Wat zal het resultaat zijn? Overwinning van Rusland? Geleidelijke doorwerking van de communistische ideologie, ondanks dat het Russisch jeugdfestival in Weenen een grandioze mislukking schijnt geweest te zijn? En dan de spanningen in de Oosters-communistische wereld? We beleven wel , , historische tijden". Bewogen tijden, met name voor de zending. Ja, maar, — en nu refereer ik aan de rede van prof. Jonker op de Zendingsdag te Driebergen — , , de berg des Heeren, de berg Sion, is het centrum der wereldgeschiedenis". Het visioen uit Jesaja 2, het , , , Zeer vaste woord", sta immer in het middelpunt van ons , , gespannen meeleven 'met wat er in de wereld gebeurt".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's