DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 51
Zondag 48
De Sacramenten.
In deze zondag zet Calvijn zijn getuigenis aangaande de Sacramenten voort. In het voorbijgaan merken we even op, dat hij maar Iiefst 10 zondagen, dus één vijfde deel van zijn catechismus aan deze sacramenten besteedt. Hoe weinig komt dat tot uitdrukking in het kerkelijk en geestelijk leven van hen, die zich naar hem noemen! Steunt werkelijk ministens één vijfde deel van hun geloofsleven op het vermaan en de vertroosting, die uitgaan van de Sacramenten? Of zou één vijftigste of zelfs één vijfduizendste deel de waarheid dichter benaderen?
Hun aantal.
Het aantal der Sacramenten komt nu ter sprake. In deze catechismus ontbreekt de paragraaf over „De valse sacramenten", die in de Institutie te vinden is en die de 5 door de R.K. wederrechtelijk ingevoerde sacramenten (vormsel, huwelijk, biecht, laatste oliesel, priesterwijding) weer afvoert.
Al zwijgt Calvijn daar hier over: hij is toch wel overtuigd, dat maar twee sacramenten bijbels mogen heten. Hoeveel Sacramenten zijn er in de christelijke Kerk? Antwoord: Slechts twee, die bestemd zijn voor heel de gemeenschap der gelovigen. Blijkbaar keert zich Calvijn tegen de versplintering van het leven, die we in de , , valse sacramenten" vinden; het echte Sacrament heeft niet te doen met één groep of één leeftijd of tijdvak, maar met het centrale in het geloofsleven.
Welke?
Welke zijn dat? Wel: de Doop en het Heilig Avondmaal.
Het aantal is daarmee tot twee teruggebracht, maar toch is er dus nog een tweetal. Dat doet vragen, of het niet vrij eenvoudiger en , , logischer" zou zijn geweest, dat tweetal ook maar tot één terug te brengen. Zo klinkt het verder: Waarin stemmen die twee overeen en waarin verschillen ze? Dat blijkt dit te zijn: De Doop betekent voor ons a.h.w. een toegang tot Gods Kerk, want hij betuigt ons, dat God, hoewel wij Hem vreemden waren, ons beschouwt als Zijn huisgenoten. Het Avondmaal is ons een getuigenis Gods, dat God ons wil voeden en weiden, zoals een goed huisvader er voor zorgt, zijn huisgenoten te voeden en te verkwikken.
Deze definities zijn eenvoudig en klaar. Calvijn houdt zich, aan wat hij tevoren zei: De sacramenten beelden Gods belofte voor ons af, verzegelen die aan ons, voeren ons rechtstreeks van ons zelf af naar de Heere Jezus Christus. We verbazen ons wel zeer dat een theologische(? ), althans wijsgerige speculatie van deze kijk op de Sacramenten is kunnen komen tot de befaamde , , leer der veronderstelde wedergeboorte".
We hebben al eerder gehoord, dat Calvijn inderdaad van mening is, dat de Heilige Geest het sacrament werkzaam maakt. Maar dat is toch heel iets anders dan die leer der veronderstelde wedergeboorte, die een afschuwelijke verwarring en strijd in Gods Kerk heeft teweeggebracht. Omdat de ervaring leert, dat velen deze befaamde uitdrukking wel in de mond nemen, maar de betekenis ervan eigenlijk niet hebben verstaan, tekenen we hier even aan, hoe Kuyper c.s. (ook al scholastisch gezinde theologen vóór hem) tot die gedachte komen. Ze zeggen: Er staat, dat wie geloofd zal - hebben en gedoopt zal zijn, zalig wordt. Wanneer dus onze kinderen met recht gedoopt zullen worden, moeten we dus aannemen, dat ze op een verborgen wijze geloof kennen (een geloofskiem) d.w.z., dat de Heilige Geest, (buiten alle prediking om) het zaad der wedergeboorte in hen heeft gelegd. Zo dopen we dus op de aanname van die wedergeboorte, die moet hebben plaats gehad en doen dat, tot dat uit belijdenis en leven het tegendeel zou blijken.
Beloften Gods tegenover speculatie.
In dit alles merken we op een zeer consequent redeneren. Alles loopt in dit bestek zeer logisch, alleen het slot, dat droeve démasqué aan het eind, keert tot een harder werkelijkheid terug.
Calvijn heeft aan dit consequente en logische blijkbaar generlei behoefte. Hij benadert Woord en Sacrament vanuit het Evangelie, vanuit Gods genadige belofte, al vergeet hij de Wet niet. Bij onze Heiige Doop is het voorrecht van Gods Huis te mogen ingaan, zijn al Gods genadige beloften aan ons betuigd en verzegeld. Wie ze, tot jaren gekomen, niet beaamt, en ootmoedig ontvangt, heeft geen verontschuldiging. De Heilige Geest is hierbij niet uit-, maar a.h.w. ingesloten; reeds in het Doopgebod klinkt wat ons allen een levens en stervenslied kan zijn: och schonkt Gij mij de hulp van uwen Geest. Maar deze Geest wordt niet in wazige, onbereikbare verte gesteld, want de Geest is present in deze welmenende belofte, die de Heere, als met tranen in de ogen, ons al bij de doopvont doet. Vandaar dat Calvijn de schuld van het ongeloof zo zwaar kan tellen; daar blijft weinig van over, waar men gaat speculeren en systematiseren.
Wat een geweldig ding is die in de Heilige Doop verzegelde Evangelie-belofte. Wij, kinderen des toorns, de Heere vreemd en vijanden, worden hier tot geloof en bekering, tot terugkeer vermaand. En ons wordt bezworen, dat de Heere dit soort verloren mensen, die in Zijn belofte tot rust komen, wil aanmerken als Zijn huisgenoten en geliefde kinderen.
Er wordt dus in onze Doop niets van het onze verzegeld of het moest onze erfzonde en erfschuld zijn, die ons daar levensgroot wordt opgeladen, opdat ze ons , , dooddrukken" zou, opdat we het leven in Christus zouden zoeken. Ook wordt generlei , , genadebezlt" in ons, vermeend of echt, verzegeld, of het moeten zijn die beloften van God. die, in geloof ontvangen, inderdaad ons , , genadebezit" uitmaken. De doopsbediening heeft niets automatisch of magisch, ze meet ons , , de schrik des Heeren" uit (we zijn kinderen des toorns, buitenstaanders). Zo beweegt ze ons tot het geloof. Dat men hier zo altijd weer voorbarig gaat spreken van uitverkoren kinderen en dgl., heeft o.i. grote schade veroorzaakt. Calvijn zegt daar niets van, toch is hij één van de mensen geweest, die een diepste kennis heeft gehad van de gangen van de verkiezende God. Maar in de Heilige Doop naar haar , , voorwerpelijke" kant (de uitdrukking is onbeholpen en zou door Calvijn niet overgenomen worden) gaat het niet over de verkiezlng, maar over de roeping, de belofte. Paulus. maant ons, roeping en verkiezing vast te maken; de omgekeerde weg loopt dood.
Nu het Heilig Avondmaal. Het betuigt ons, dat God ons, in genade aangenomen kinderen om Christus' wil, nu ook wil hoeden en welden, zoals een goed huisvader en herder dat zijn gezin en kudde verzekert. Vreemd, dat men Heilige Doop en Heilig Avondmaal zo is gaan scheiden en onderscheiden. Zeer weinigen voelen bij de Heilige Doop hun geweten kloppen; zelden zegt daar iemand: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens. En toch is, wat de Heiige Doop ons betuigt, nog ongelooflijkér dan wat het Heilig Avondmaal verbeeldt. Dat laatste geldt hen, die de belofte van door genade huisgenoten Gods te mogen zijn beaamden. Maar de Heilige Doop betreft kinderen des toorns, vreemden. Het is diep verontrustend, dat men in brede kring, de Heilige Doop , , gewoon" gemaakt heeft en het Heilig Avondmaal tot zeer buitengewoon. Goed verstaan zou het moeten worden omgekeerd: het Evangelie, de beloften van de Heilige Doop, kunnen alleen zéér buitengewoon heten. En het Heilig Avondmaal kan met niet minder toe, maar in een hoge heilige zin mag het voor hen, die het hen in hun Doop beloofde heil zijn komen opvragen en in ontvangst nemen, als „gewoon" worden bescho'uwd, want God krenkt Zijn waarheid. Zijn belofte, niet.
De twee kanten.
Het is er ver van af, dat we hier al de klare geheimenissen van de Heilige Doop zouden hebben betuigd. Maar onze zondag is nog niet ten einde en er volgen er nog meer.
Calvijn komt tot een laatste vraag in deze afdeling:Laten we, om beide te beter te verstaan, van elk afzonderlijk spreken. Wat is dan ten eerste de betekenis van de Doop?
Antwoord : Ze heeft twee kanten. Want de Heere stelt er ons de vergeving van onze zonden in voor, daarna ook onze wedergeboorte oi geestelijke vernieuwing (Ef. 5 : 26; Rom. 6 : 4).
Calvijn verstaat de heiliging, de reiniging door het badwater des Woords van Ef. 5 : 26 dus allereerst als de vergeving der zonde. Dat is goed en diep verstaan: hij begint vlak bij huis. Kinderen des toorns en vervreemden hebben allereerst vergeving nodig. Daarom zegt hij, overeenkomstig het Evangelie, dat Gods genade in Christus allereerst de vergeving der zonde inhoudt en dus mede de Heilige Doop zo wil verstaan zijn.
Deze vergeving der zonde is het feestmaal van Gods Koninkrijk, denk aan Lucas 15, vooral genoten op de grotedag van de terugkeer. Maar die vergeving is geen tussenstation, geen geïsoleerde enkele dag, waaraan we voorbij reizen. Zo kan gezegd worden dat die vergeving der zonde ook dagelijks brood blijft in het christenleven en dan ook zeker „tranenbrood".
Blijft het daarbij? Blijft het bij wat Luther zo sterk vooropzette: de verzoening, de rechtvaardiglng, bij dat woord op z'n sterfbed: , , Wij zijn bedelaars (arme zondaren, dat is waar)".
Calvijn is in het centrale verstaan van het Evangelie diep met Luther verbonden. Ook voor hem blijven wij bedelaars. Toch heeft Calvijn de critiek van de Dopers op een „gemakkelijk" gemaakte rechtvaardigingsleer moeten bijvallen. Als men de rechtvaardiging van de goddeloze eenzijdig „drijft", komt men tot een, eerst vroom bedoeld antinomianisme, dat zeer licht ontaardt tot een cynisch, vleselijk bedrijf van: We zijn nu eenmaal niet anders; wat doen we dan nog moeite? en daarmee de vergeving van Ps. 130 , , opdat de Heere gevreesd worde" tot een aanfluiting maakt.
Zo hebben de Dopers herontdekt, wat sinds Ps. 130 erg vergeten is geweest, dat rechtvaardiging en heiliging (wedergeboorte) niet kunnen gescheiden worden. De Heere vergeeft menigvuldig, opdat Hij, gedurig, zou gevreesd worden. Het is in Lucas 15 ondenkbaar, dat de verloren zoon, die et de vergeving van zijn zonde mag leven, de volgende dag met spoed terugkeert naar Babel en „de draf, die de zwijnen eten". Wie op zo gevoelige, vernederende wijze met zijn zonde en zo met God en zichzelf kennis gemaakt heeft, leert afstand nemen en afstand houden. Dat is, wat in de heiliging ligt: dat er afstand genomen en gehouden wordt van wat wij als zonde kenden en erkenden.
Calvijn legt er nadruk op, dat die heiliging niet uit ons, , ons vlees, opkomt, maar uit de genade, die heerschappij over ons kreeg, ons in beslag nam. Daarom, zegt hij: die heiliging is vrucht van de genade, die heersen ging, , , tot nieuwheid des levens". De Heilige Doop beeldt uit, wat Calvijn graag , , een dubbele genade" noemt, al ziet hij tenslotte op de eenheid erin, nl op de wedergeboorte en de daaruit voortspruitende , , dagelijkse vernieuwing van ons leven". Omdat de volgende zondag daar breed over spreekt, vergenoegen we ons er voor nu mee, ertoe ingeleid te hebben, om te goeder uur te vervolgen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's