EVENBEELD
„Opdat gij de kinderen moogt zijn van uw Vader, Die in de hemelen is, want Hij doet zijn zon opgaan over bozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen". Mattheüs 5 vs. 45.
Een kind gelijkt op zijn vader. Dit is de natuurlijkste zaak van de wereld. U komt de gelijkenis overal tegen, in de lagere schepping en in de hogere. U treft dit aan in de plantenwereld en in de dierenwereld. Bij de mensen vooral. U kunt het ras onderscheiden aan bepaalde eigenaardigheden. U herkent de leden van eenzelfde geslacht aan lichaamshouding, gang en karakter. In het bizonder aan de gelaatstrekken. Daarin lezen we dikwijls de meest frappante overeenkomst in het geslacht.
We denken hieraan, als we in de Schrift vinden, dat God bij de schepping de mens geschapen heeft naar Zijn beeld en gelijkenis. Daarin Iigt een wereld van gedachten opgesloten. Adam was een kind van God. Hij moest en mocht op zijn Vader gelijken, al bedenken wij, hierbij, dat deze gelijkenis van geestelijke aard is, omdat God een Geest is. Wie de Schrift nauwkeurig onderzoekt, komt tot de overtuiging, dat het beeld Gods moet worden beschouwd als bestaande in: kennis, gerechtigheid en heiligheid. Zo heeft de Kerk vanouds, levend uit de Schriften, het verstaan. Dus: geestelijke trekken van overeenkomst, waarvan de eerste is : kennis. Niet geleerdheid, want men kan professor zijn en toch vervreemd van de ware kennis. Het is namelijk: Gods- kennis. Voor wijzen en verstandigen verborgen en aan kinderkens geopenbaard, zoals de Heere-Jezus zegt. Een kind leert zijn vader kennen en dat kennen is geboren uit de band, die er bestaat. Dat kennen bestendigt aan de andere kant deze band ook weer. Het ware kennen kan er niet zijn zonder liefde. In de hebreeuwse taal, de taal van het oude volk, de taal waarin ook het Oude Testament geschreven is, heeft men voor „kennen" en , , liefhebben" hetzelfde woord. Omdat kennen en liefhebben niet van elkaar te scheiden zijn, volgt daaruit de samenhang van de andere trekken van het beeld Gods': de gerechtigheid en de heiligheid. Die twee zijn niet hetzelfde. De gerechtigheid is 't ongeschonden staan voor God, het onbeschuldigd zijn. Dus vrij en zonder breuk, zoals God het bedoeld heeft en er dus niets op de mens aan te merken was. De heiligheid is het Hem toebehoren en voor Hem zijn. Dus het rein zijn, zonder smet. Dit alles was in de schepping een eenheid, die de Schepper gewild en gegeven heeft, die Hem eerde en die de mens het ware geluk gaf van het staan in zuivere verhouding tot God.
Waar is dat beeld van God gebleven ? U ziet om u heen en u ziet naar uzelf. Doe dit echter bij het licht van het Woord van God, die lamp voor onze voet en dat licht voor ons pad. Wat ziet u dan? Dat Gods beelddrager de trekken van zijn Vader niet meer vertoont. Dat hij een ontaarde zoon geworden is, een verbasterd kind. Waar blijkt dat het meest uit ? We zijn geneigd om. te zeggen : uit de inbraken en uit de echtbreuken, uit de gemeenheden in het groot en in het klein, tussen de mensen en tussen de volkeren.
Maar in Mattheüs 5 zegt de Heere Jezus daar wat meer over. Hij benadert het van de andere kant en gaat zeggen, wat het is om het beeld Gods weer te vertonen en kinderen te zijn van de hemelse Vader. Hij tekent de situatie onder de mensen: , , De boze, die u op de rechterwang slaat, hij die met u rechten wil en die uw rok wil nemen". We lezen daar over haten en vervloeken en hoe daartussen Gods kinderen openbaar moeten komen : , , Gij hebt gehoord, dat er gezegd is.: gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten. Maar Ik zeg u : hebt uw vijanden lief, zegent hen die u vervloeken, doet wèl aan degenen, die u haten en bidt voor degenen, die u geweld doen en u vervolgen, opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader, Die in de hemelen is, want Hij, doet zijn zon opgaan over bozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen".
Geen kleinigheid. Want ging het er nu maar over om ons van een stuk of wat zonden en schanddaden ver te houden, dan konden wij nog wel zoveel burgerlijk fatsoen opbrengen. Ging het er maar om dat wij liefde moesten betonen aan hen, van wie wij ook liefde ontvangen. Maar neen, zegt de Heiland, want zover brengen de „tollenaars" het ook. De tollenaars, toonbeelden van zelfzucht, die hun medevolksgenoten verkopen om vuil gewin. Die hebben ook elkander nog wel lief. Dat is nog geen teken van een nieuw hart, waarin Gods evenbeeld hersteld is. Maar iets te lenen zonder iets weder te hopen, iemand te groeten, die u niet groeten wil, iemand liefde te betonen, van wie ge zelf dag uit dag in niet anders dan haat te wachten hebt en die het op uw ongeluk en ondergang toelegt. En daarin — zo lezen wij — zal dan toch bestaan het weer herstelde beeld van God. Dan zijt ge kinderen van de hemelse' Vader. Geen kleinigheid. We zijn geneigd en gewoon om dit maar te vergeten en wat te verzwakken. Zo nauw behoeft het toch óok weer niet! Intussen staat het er toch ook maar.
En het is er soms ook. De Bijbel levert de bewijzen. We behoeven maar aan Stefanus te denken, die — staande voor zijn beulen — tot Christus bad : , , Heere, reken hun deze zonde niet toe !" Hij vertoonde duidelijk het evenbeeld van zijn Meester Christus, Die stervend aan het kruis uitriep : , , Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen !" En de historie van het martelaarschap heeft voorbeelden te over. We zien dan tevens uit welke overgegevenheid aan Christus deze vruchten ontspruiten. Niet en nooit uit eigen beweging en uit eigen kracht is men tot deze dingen gekomen. Niet wie tegelijk vast bleef zitten aan zijn eigenliefde. Niet wie de wereld bleef aanhangen. Die bleef het beeld tonen van de vorst der duisternis. Maar wèl zij die leerden : aan, de wereld gekruisigd te worden en te komen tot het nieuwe leven, het leven uit Christus. Die zondaren zó liefgehad heeft, dat Hij zichzelf voor hen overgegeven heeft. Of —om met Paulus te spreken — die met Christus één plant werden. Gelijk gemaakt aan Zijn dood en gelijk gemaakt aan Zijn opstanding. Die leerden de voetstappen van Christus te volgen.
Waarom ? Omdat men dan ook geleerd heeft wat het is : van genade te léven. Wij hebben met onze medemensen veel te stellen. En vijanden lief hebben is een héél ding. We moeten daarbij maar geen al te grote woorden gebruiken. Maar wie met zijn hart doorleeft wat de Heere al niet met ons te stellen heeft en wat wij Hem al niet aangedaan hebben en aandoen en hoever wij van Hem afgeweken zijn en tegen Hem opgestaan zijn, terwijl Hij toch met ons aan de gang blijft om ons te zoeken en te lokken tot Zijn gunst en dienst, wie dus doorleeft, dat God aan Zijn vijanden Zijn Zoon geeft tot een borg voor hun schuld, die weet óofc, dat de uiterste liefde, die wij aan de naaste bewijzen, nog nooit vergeleken kan worden met de liefde van God, waardoor wij' zalig worden.
En dit geloof, dit beschamend onderwijs, draagt zijn eigen wettige vrucht!
C. van Dop.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's