DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 52
Zondag 49
De Heilige Doop.
Doop en wedergeboorte.
Calvijn vond het gewenst, beide sacramenten apart te bespreken. Hij begint met de Heilige Doop en opent de verhandeling daarvan met de vraag: Welke overeenkomst heeft het water met die dingen, die erdoor vertegenwoordigd worden ? (Deze uitdrukking ziet terug op de vorige zondag: , , die dingen" zijn: vergeving en vernieuwing (wedergeboorte).
Geantwoord wordt: (die overeenkomst is er), omdat de vergeving der zonde op een afwassing lijkt, waardoor onze zielen worden gereinigd van hun vlekken, op dezelfde manier waarop water de onreinheid van het lichaam afwast.
Calvijn laat hier alleen het doopteken spreken. De doop is een gelijkenis en ontleent haar beeld, evenals de vele gelijkenissen van het Evangelie, aan het heel gewone leven. Vooral het Oosten, waar men barrevoets gaat over zeer stoffige wegen, is baden en zich wassen een zeer sprekend beeld. Wie ziet, dat hij vuil is, weet, dat hij zijn toevlucht moet nemen tot een bad. Dat wast de onreinheid weg; dat herstelt de reinheid.
Dit beeld wordt toegepast op de vergeving van onze zonde. Zonde maakt vuil, ontoonbaar, onkenbaar. Dat vuil moet worden afgewassen (of, wilt u: worden weggebrand) en anders herkent en erkent de Heere ons niet als Zijn kinderen. Welnu: het bloed en de Geest van de Heere Jezus Christus wassen, reinigen van zonde en ongerechtigheid. Dat is. de verkondiging van het Evangelie, dat wordt betuigd en verzegeld in de Heilige Doop. Zoals het water, het kleine, kracht tot (kleine) reiniging heeft, zo heeft het Offer van Christus, het grote, kracht tot de Grote reiniging.
Calvijn kon dus terecht zeggen: In onze Heilige Doop stelt de Heere ons de vergeving van onze zonde voor ogen. Maar hij zei daar bij (slot van zondag 48): ook onze wedergeboorte. Dit leidt tot de vraag: En de andere kant (van de Doop)? Antwoord: (De Doop kan onze wedergeboorte afbeelden), omdat het begin van onze wedergeboorte is, dat onze (oude) natuur wordt gedood; de vrucht ervan is, dat wij nieuwe schepselen worden door de Geest van God. Het water (van de Doop) op ons hoofd is zoveel als een teken des doods. Dat wil zeggen: zó, dat onze opstanding er ons evenzeer door wordt afgebeeld, omdat het maar een ogenblik duurt en niet de bedoeling heeft, ons te verdrinken.
Zo ziet dus Calvijn heel de wedergeboorte in de Heilige Doop getekend. Om het beeld van het in de Doop sterven (begraven worden) goed te begrijpen, moeten we er aan denken, dat de Doop in het Oosten aanvankelijk door algehele onderdompeling werd bediend. Zo had de doopvont iets van een graf, een verslindende afgrond, waarin men als begraven wordt. Naar die kant (denk aan ons doopformulier) moeten we de zondvloed steeds in gedachten houden; billijk ware het, dat wij door de , , zondvloedwateren" verslonden werden. Zo is het doopteken geen kleinigheid, maar inderdaad een teken des doods, waaronder we het benauwd moeten krijgen. We vrezen, dat dit bij onze vaak zo vlakke doopspractijk zo heel weinig tot z'n recht komt. Bij onze doopsbediening wordt veel te veel om de kern der zaak heengedraaid en veel wordt blauw-blauw gelaten. Maar zo kan en mag het niet: het doopwater is één aanklacht tegen ons en onze kinderen; een teken des doods, op óns hoofd en dat van onze kinderen; één betuiging, dat wij daarom ten enenmale ongeschikt zijn, in het Koninkrijk van het Leven te verkeren.
Die oude mens van ons, d.w, z. wij zelf, naar ons eigen oude bestaan kan dus niet leven en kan en moet alleen maar sterven. Daar begint de Heilige Doop mee: dat sterven, dat noodzakelijke, heilzame sterven aan ons zelf, dat van ons geëist wordt, zonder dat we het kunnen volbrengen, dat is mogelijk en werkelijk bij God. Zó mogelijk en zó werkelijk als het doopwater op ons voorhoofd wordt gesprenkeld. Zo mag en moet de zaak door ons van de Heere begeerd, gebeden, ontvangen zijn, op zo ernstige en toch milde wijze, als het teken het ons. op een zo eenvoudige, kinderlijke wijze voor-spelde.
De Doop een begrafenis. Wat somber! Ja, wat waar! Intussen: het is een begrafenis, die ten leven is, die tot opstanding brengt. Niemand onzer is zijn oude leven kwijtgegaan, zonder er veelvoudig voor in de plaats te ontvangen. Ook in de H. Doop geldt het, dat God geen God van doden is, maar van levenden. Zeer fijn tekent Calvijn, dat het dreigende beeld van het watergraf, als het ons raakt en doodt, ons toch juist ten leven strekt. De onderdompeling in het doopwater duurde maar een ogenblik. Dan kwam de dopeling (drenkeling!) weer boven, hij stond a.h.w. op uit het graf en verrees a.h.w. uit de dood. Dat is de andere kant van de wedergeboorte: naast dê afsterving van de oude mens de opstanding van de nieuwe, met lust en liefde om naar Gods wil te gaan leven. Zo tekent en verzegelt God in onze Heilige Doop, hoe Hij doden levend maakt, schuldigen verzoent; , , oude" mensen vergunt, een werkelijk nieuw begin te maken, om Christus' wil.
Het sacrament werkt niet magisch.
Calvijn heeft op het beeldend, hoewel ook belovend karakter van de Heilige Doop sterke nadruk gelegd. Dat was hem blijkbaar opzet. Hij bedoelde daarmee blijkbaar af te wijzen wat wij , , sacramentsmagie" noemen: de opvatting dat de elementen, de stof, van het sacrament zélf op geheimzinnige wijze iets volbrengen. Dat ontkent hij nl.: wat er te volbrengen is door de belovende God, dat volbracht Christus en dit volbrengt Zijn Heilige Geest.
De vraag is nu te verwachten: Je vat het dus niet zo op, dat het water de reiniging onzer zielen bewerkt? Antwoord: Neen, want dat komt alleen toe aan het bloed van Jezus Christus, dat vergoten is, om al onze vuilheid af te wassen en ons rein en onbesmet voor God te stellen (1 Petrus 1 : 19; 1 Johannes 1 : 7). Dat wordt in ons volbracht, wanneer onze gewetens worden besproeid door de Heilige Geest. Maar het sacrament verzekert ons daarvan.
Het valt gemakkelijk, op te merken, dat Calvijn's opvatting niet streng logisch loopt. Dat bedoelde hij ook niet: het leven is allesbehalve „logisch" in zijn verloop. Het Sacrament heeft een zeker belang, voorzover het afbeeldt en betuigt; het heeft ook zekere belangeloosheid, in zoverre Christus' bloed en Geest doen, wat er te doen viel. We merken in dit antwoord op, hoe sterke nadruk — terecht — op de Heilige Geest valt. Wij worden wedergeboren, gaan onze schuld kwijt, worden een nieuw schepsel en christen, dat a.h.w. overnieuw mag beginnen, wanneer de Heilige Geest ons besproeit met het reinigende bloed van Christus.
Dit beeld is Calvijn zeer lief en wordt veel door hem gebruikt; hij bedoelt het in een , , geestelijke zin", maar vooral niet, , vergeestelijkt". Hij bedoelt ermee: zovaak wij onze toevlucht leren nemen tot het bloed van Christus, onder de schuld komen en zo onder de Borg, zovaak en zó verzekert ons de Heilige Geest door het heilig, sacrament dat Hij in ons wonen wil en ons tot lidmaten van Christus wil heiligen.
De Heilige Geest heeft hier onmiddellijke betekenis; maar het sacrament als het middellijke blijft ingeschakeld, daar het God behaagt, met ons om te gaan als met zedelijke (redelijke) schepselen.
Beeld en zaak.
Die verhouding van teken en zaak speelt in de Kerkgeschiedenis een grote rol. Ook een droevige, een van veel krakeel. We wezen erop, dat Calvijn sterke nadruk legt op het afbeeldend, symbolisch karakter van het Sacrament. Hij lijkt daarin wel te staan vlak bij de Dopers, bij Zwingli en Erasmus, die allemaal het sacrament als symbolisch beschouwen.
Maar Calvijn verwijdert zich toch van hen. Want als men vraagt: Vat je het zo op, dat het water er alleen maar een beeld van is? antwoordt hij, zeer wijs en fijn: Ja, een beeld in die zin, dat de werkelijkheid ermee verbonden is. Want God belooft ons niets op een lege „ijdele" wijze. Daarom staat het vast, dat in de Heilige Doop de vergeving onzer zonde ons wordt aangeboden en wij haar ook ontvangen. In dit antwoord komt Calvijn zeer dicht bij Luther te staan: teken en zaak mogen vooral niet gescheiden worden. Want God is een belovend en dus een volbrengend God. Ietwat ingewijden horen hier de titel van een vermaarde preek van één van de Erskines. Wanneer de Doop enkel maar een beeld was, zou ze vaag, onzeker blijven. Maar ze is beeld èn belofte; eis der Wet en belofte van het Evangelie in énen, bestemd en geschikt ons, vroeger of later , , op de knieën" te brengen, en zo tot Gods genade in Christus. Zo komt dan Calvijn, niét op de manier van die , , sacramentsmagie" die we noemden, maar vanuit Wet en Evangelie; vanuit de eisende en belovende God tot iets, dat we wel, goed begrepen, een , , sacramentsrealisme" zouden willen noemen: het is de Heere in, en met onze Doop menens. Het wórdt dat, wanneer het ook bij ons menens, wordt in de trant van Psalm 32 of Lucas 15. Daar wordt ons de Heilige Doop teken en zegel! daar worden we „werkzaam met onze Doop"; daar wordt dat algemeenste („ieder is immers gedoopt") mij tot het zeer bijzondere: God heeft ook aan mij Zijn waarheid niet gekrenkt! Wonderlijk en bedenkelijk tevens, dat men in de kring van de Gereformeerde gezindte mensen, die de: Heilige Doop niét willen ontledigd zien, maar vervuld willen zien, zo makkelijk voor , , licht" en oppervlakkig heeft verklaard: Hoedemaker, Wormser, Kuyper, Woelderink. Wie onder ons inzake de doopskwestie zoveel mogelijk alles maar blauw-blauw laat, loopt goede kans voor een diepdelver door te gaan. Of op deze wijze echter ook het goud des geloofs, d.w.z. van de getrouwheid Gods die, om niet, de levensgrens van een ontrouwe wordt, omhoog gebracht wordt? Het antwoord moet ieder maar uit dit stukje van Calvijn's Catechismus aflezen. We worden vermoedelijk al wèl gewaar, dat op zo positieve, verootmoedigende en vertroostende wijze onder ons zelden wordt gesproken vanuit de Heilige Doop. Waarom noemen we ons dan zo vrijpostig: gereformeerd?
Algemene belofte en persoonlijke toepassing.
Sommigen zullen Calvijn (mogelijk ook de schrijver dezer regels) te , , objectief" vinden, en ook te ruim. Is er oorzaak? Calvijn begrijpt goed, dat de tere kwestie van de toepassing altijd weer vragen oproept. Hij vraagt dan ook: Wordt die genade aan allen zonder onderscheid bewezen? Hij bedoelt natuurlijk: Gaat dat automatisch? Dus: gedoopt, dus ook verzekerd en zalig? Dat moet Calvijn natuurlijk ontkennen, want hij ontkent alle sacramentsmagie. Hij antwoordt daarom: Neen, velen doen haar te niet door hun boosheid. Toch doet dit van de aard van het Sacrament niets af ,hoewel enkel die geloven er de kracht van gewaar worden.
Dus Calvijn gaat in deze zaak niet , , met vlees en bloed" te rade. Hij besnoeit Evangelie en Sacrament niet op een willekeurige wijze, maar zegt: Wat wij er ook van maken: het Sacrament is vol van Gods harde eisen en genadige beloften. De beloften worden de onze, waar wij voor de eisen moesten, capituleren; zij die geloven, gaan in de rust. Maar evengoed zal de Heere aan elk en ieder gedoopte vragen: Waarom kwaamt gij niet? Ik had u toch bij uw naam geroepen? Ik had u toch in het nauw gebracht, om u in ruimte te zetten? We zien , dat Calvijn hier van de roeping uit gaat en zo bij de verkiezende God uitkomt. Wij doen doorgaans het tegendeel en verdwalen daarom jammerlijk. Wij zijn zo voorbarig druk met de toepassing dat ons de roeping, de uitleg ontgaat. Het is klaarblijkelijk, dat Calvijn, zich bezinnend op de weg van zijn geloof en leven, bij zijn Heilige Doop begint. Waarom doen, wij dat dan zo anders? Is de Heilige Doop niet een diep-, , bevindelijke" zaak, waarin te tasten en te smaken valt hoe goed de Heere is voor boze mensen? Wat willen we dan toch méér?
De kracht der wedergeboorte.
Calvijn gaat besluiten. Hij vraagt nog: Waaraan ontleent de wedergeboorte haar kracht? Antwoord: Aan de dood en opstanding van Christus. Want Zijn dood heeft die kracht, dat door haar onze oude Adam wordt gekruisigd en onze boze natuur als het ware begraven wordt, zodat ze nïet meer de kracht om te heersen heeft. En de vernieuwing van ons leven, om Gods gerechtigheid te volgen, komt voort uit de opstanding van Christus.
Als u eerlijk bent, zult u dit antwoord wel verrassend vinden. Wij weten immers van jongs aan: Wedergeboorte komt uit de Heilige Geest. Ja, dat weet Calvijn ook. Maar hij zegt het completer, d.w.z. hij zegt, dat ons de toegang tot die Heilige Geest is ontsloten door de Heere Jezus Christus, bijzonder door Zijn sterven en opstaan. Dat wil zeggen: de weg tot de Heilige Geest is ons niet ontsloten door onze vernedering en bekommering en strijd en wat ook meer, maar ze is ons alléén ontsloten door onze Heere Jezus Christus, , , toen wij nog zondaars waren". De Heere maakt vrede, met ons, over ons, toch zonder ons. Dat er sprake kan zijn van berouw en bekering, van vallen èn worden opgericht, komt alleen voort uit de liefde van Christus, die de dood heeft verslagen en het leven aan het licht gebracht heeft. Wij behoeven door onze verootmoedigingen en dgl. niets meer te verdienen, al denken we het heimelijk vaak: alles is verdiend door de Heere Jezus Christus. En dat niet voor vroom met Hem. meewerkenden en half tegemoetkomenden, maar voor goddelozen en zondaren. Verstaan we dat? Zo niet, dan hebben we vermoedelijk de werkelijke wedergeboorte ook niet leren kennen.
De belofte èn de verantwoordelijkheid gehandhaafd.
Nu het slot: Hoe wordt deze genade ons toegepast door de Doop? Antwoord: Zo, dat wij er bekleed worden met de Heere Jezus Christus en er Zijn Geest ontvangen, mits we ons de beloften, die ons er gegeven zijn, niet onwaardig maken.
Spreekt hier een optimist? Want stelt hij het eigenlijk niet zo: Het ontvangen van het heil, ons in de Doop getekend, behoorde , , normaal" mét het ontvangen van het teken samen te gaan? Calvijn heeft, juist als de theoloog van de verkiezende God, van het heil in Christus niet karig gedacht. Toch is hij geen optimist. Eerder een pessimist, hoewel beide woorden beter uit het theologisch spraakgebruik worden gebannen. Hij zegt: Wij., d.w.z. elk die het nodig krijgt en nodig houdt, wordt door het Evangelie, door het Sacrament, ook door de Heilige Geest, met Christus bekleed en zo van het heil verzekerd. Maar niet, als hij de zekere beloften van God versmaadt, ze te min vindt of te veel. Want de beloften Gods, in hun mildheid, zijn juist aangepast aan de nood van een voornaamste der zondaren.
Dat is dus niet remonstrants, maar goed-gereformeerd. Hebt u het al zo bevonden? Maakt u zich even moeilijk van uw schuld en verantwoordelijkheid af als Calvijn?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's