De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DORDTSE LEERREGELS

10 minuten leestijd

Overzulks zo worden alle mensen in zonden ontvangen, en als kinderen des toorns geboren, onbekwaam tot enig zaligmakend goed, geneigd tot kwaad, dood in zonden en slaven der zonde. En willen noch kunnen tot God niet wederkeren, noch hunne verdorven natuur verbeteren, noch zich zelf tot de verbetering daarvan schikken, zonder de genade des wederbarenden Heilige Geestes.

Hoofdstuk III / IV, artikel 3.

In zijn , , De Verkiezing Gods", bespreekt dr. G. C. Berkouwer op blz. 345 v.v.. de wisselende waardering der , , Nadere Reformatie". Hij schrijft dan: , , Heeft men meermalen in deze , , Nadere Reformatie" een afbuiging van de oorspronkelijke Reformatie gezien, thans accentueert men van verschillende zijden, dat m.n. in de kenmerkenleer 'n legitiem reformatorisch motief valt te onderkennen en een waardevol gezichtspunt tegenover dreigende verstarrinig en objectivering der orthodoxie". Wij noteren dit even. Het is bekend, dat sommigen in het geheel niet van kenmerken willen weten. Wanneer men naar kenmerken bij de gelovige vraagt, zou men van de lijn der Reformatie af zijn. Prof. Haitjema pleegt te zeggen, dat na Dordt de belangstelling al te veel verschoven is van het vrijsprekende Woord naar de wedergeboren mens. Volgens Berkouwer wil men tegenwoordig wijzen , , op het gevaar, dat wél wordt opgeroepen tot aanvaarding van Gods beloften maar niet genoegzaam wordt rekening gehouden met de werkelijkheld van de Heilige Geest en de inwoning Gods in de harten der gelovigen." Het komt mij voor, dat inderdaad de kenmerken-leer geen afwijking van de Reformatie is. Calvijn stelt met nadruk, dat men zeker kan zijn van zijn Verkiezing op grond van de krachtdadige roepingen van het geloof en van het hebben van gemeenschap met Christus. Hij schrijft in zijn Institutie III, 24, 4: „Laat ons dan dit houden voor de rechte en enige weg om van onze verkiezing kennis en zekerheid te ontvangen, te weten, dat wij van de roeping Gods beginnen, en dat wij ook daar in eindigen."

Welke roeping bedoelt Calvijn hier? de algemene of de bijzondere? Hij bedoelt de bijzondere of krachtdadige of inwendige roeping, waardoor de uitwendige haar kracht krijgt. Dat volgt uit III, 24, 5: „zo is dan Christus de spiegel in welke wij onze Verkiezing behoren te bemerken en ook mogen bemerken zonder bedrog. Want aangezien Hij, Degene is, in Wiens lichaam de Vader voorgenomen heeft in te lijven degene die Hij van der eeuwigheid gewild heeft dat ze de Zijnen zijn zouden, zodat Hij voor Zijn kinderen houdt al degenen, die Hij erkent onder de lidmaten van Christus, zo hebben wij een genoegzaam klaar en zeker getuigenis dat wij in het boek des levens geschreven zijn, indien wij met Christus gemeenschap hebben". Het is dus duidelijk, dat de kribbe van Christus of het kruis van Christus of de prediking van Christus in zichzelf niet het kenmerk of bewijs zijn van onze verkiezing. Het kenmerk der uitverkiezing is dat wij Christus door een waar geloof zijn ingelijfd. Het is een subjectief-objectief kenmerk. Het is niet zo, dat alle (algemeen) geroepenen uitverkoren zijn. Daarvan zegt Calvijn in III, 24, 8: , , Zo zijn er dan weinige uitverkoren uit het grote aantal dergenen die geroepen zijn, doch niet met die roeping uit dewelke wij zeggen, dat de gelovigen moeten oordelen van hun verkiezing. Want de eerste roeping is ook aan de goddelozen gemeen, maar deze tweede brengt met zich mede de Geest der wedergeboorte, dewelke is het pand en het zegel van het toekomende erfdeel, waarmede onze harten tot de dag des Heeren verzegeld worden".

Waar wij om te beginnen even de nadruk op wilden leggen is dit, dat Reformatie en Nadere Reformatie heden ten dage in nauwer verband worden gezien. Men gaat begrijpen dat wij, voor het zuivere zicht op het heil niet alleen het christologische maar ook het pneumatologische gezichtspunt nodig hebben. Vroeger zei men: het hart moet niet alleen verworven, doch ook toegepast zijn. Maar als nu Reformatie en Nadere Reformatie wat dichter bijeen gezien moeten worden dan sommigen ook heden ten dage nog doen, zo heeft dit ook gevolgen voor ons onderwerp. Sommige schrijvers hebben de neiging Catechismus en Geloofsbelijdenis te zien als de neerslag van de belijdenis der Reformatie. De Dordtse Leerregels komen daar dan een behoorlijk of onbehoorlijk eind van af te staan en zouden de neerslag zijn van de belijdenis der Nadere Reformatie. En deze laatste zou dan een soort bederf van de Reformatie zijn. Als nu de belijdenis van beide genoemde machtige geestelijke bewegingen in zijn kern één is, gelijk het m.i. is, komt ook het belijdenisgeschrift van Dordt dichter bij de twee andere. De Nadere Reformatie is geen correctie op de Reformatie, doch haar consequentie, haar wettig gevolg. In de Nadere Reformatie vindt men de doorwerking van de beginselen der Reformatie in de geest van Calvijn. Zo zijn de Leerregels een verduidelijking, een nadere toelichting op enkele hoofdstukken van de twee eerste belijdenisgeschriften.

Dr. H. Schroten wijst ergens op de oorspronkelijke benaming van de Canones van Dordt, die in de 17e eeuw gebruikt werd: , , Nadere Synodale Verklaring". Hij schrijft (men zie , , Kerk en Theologie" van 1958 blz. 242/43: In de beoordeling èn waardering van de Dordtse Leerregels wordt telkens de fout begaan, dat men deze op zichzélf beschouwt, en dan een tegenstelling ziet tussen onze eerste twee , , formulieren van enigheid" en het derde, en in het laatste ziet een afbuiging van de oorspronkelijke Reformatie .., Men moest eigenlijk toch eens aandacht schenken aan de oorspronkelijke benaming van de Canones, van Dordt. In de 17e eeuw worden zij geciteerd onder de benaming: , , Naerder 'Synodale Verclaringhe", niet als , , Leerregels' tegen de Remonstranten". De inhoud van de vijf Leerregels zouden we kunnen typeren door te zeggen: de strijd ging over verkiezing en wedergeboorte. De dwaalleraars beweerden niet, dat hun inzichten dezelfde waren als van Ned. Geloofsbelijdenis en Heidelb. Catechismus, maar dat zij daarmee niet in strijd waren. Daarom heeft de Synode van Dordrecht een , , Nadere Verklaring" gegeven op het punt van verkiezing en wedergeboorte.

, , Nadere Verklaring" •— 'waarvan? Van Geloofsbelijdenis en Catechismus, die zich hieromtrent niet uitvoerig uitspreken, daar het , , conflict met Rome" op een ander punt lag. Tegenover Rome had de Reformatie gehandhaafd de leer van de zekerheid des geloofs, die door het concilie van Trente gevloekt werd. Na 1563 was de beslissing in het conflict Rome-Reformatie definitief gevallen, doch was de worsteling om de zekerheid des geloofs uiteraard niet ten einde. Ook de Remonstranten trokken haar in twijfel, en niet zij alléén. Tot in onze dagen wordt deze strijd gestreden, óók in het kamp van hen, die willens of onwillens erfgenamen zijn van 1618-1619. Doch voortdurend worden de dingen scheef getrokken, doordat men niet de Leerregels leest tegen de achtergrond van Geloofsbelijdenis en Catechismus en als een Nadere Verklaring daarvan, met name met betrekking tot uitverkiezing en wedergeboorte als Gods werk, dat alleen kan bieden het vaste fundament van de zekeriheid des heils. Men wilde geen afbuiging, geen ondermijning van , , De Vaste Grondt", zoals reeds Olevianus zijn verklaring der Apostolische Geloofsbelijidenis had genoemd.

Welnu, zoals de Dordtse Leerregels alleen recht te verstaan zijn als nadere verklaring van de Belijdenis en Catechismus der Reformatie, zo kan de Nadere Reformatie alleen recht verstaan worden in haar bedoelingen, als zij gezien wordt als een nadere uitwerking en beleving van de Reformatie der Kerk".

Wij kómen tot artikel 3. Het zal voor de aandachtige lezer niet moeilijk zijn dezelfde belijdenis terug te vinden in artikel 14 en 15 van de Geloofsbelijdenis en in de Heidelb. Catechismus. Het is de belijdenis van de totale verdorvenheid van de mens. Van een vrije wil ten goede is niets in ons overgebleven. De zonde is, als inkt door vloei, door alles van, ons heengetrokken. Geen enkele ademtocht is zonder zonde, geen beweging van lichaam of ziel, Omdat wij in alles onszelf zijn toegevallen en toegekeerd. Als kinderen des toorns zijn we geboren. De toorn Gods rust dus op ieder. 'God meet ons aan de hoogste norm. Aan deze norm van de heilige liefdewet is iedere daad van de natuurlijke mens zondig en kleeft er zonde aan het beste werk der gelovigen. De Heilige geeft niets toe. Zijn toorn gaat uit over alle ongerechtigheid en is een dodende straal. Onbekwaam zijn we voorts tot enig zaligmakend goed. Wij kunnen niet goed bidden, niet goed geloven, niet goed: handelen. Daar komt een voortdurende neiging tot het kwaad bij, die schuldig stelt. Zo zijn we voor God dood. Wij' hebben geen gevoel, geen verstand en geen wil voor Hem. Maar wij leven in de zonden. Daar is onze lust in. Daar zijn we lang niet dood voor. Wat zijn we dus? Slaven der zonde. Als God komt met Zijn vermaningen of uitnodigingen kunnen wij er niet eens gevolg aan geven. Een dode hoort niet, ziet niet, voelt niet. Hier ligt nu het verschil tussen de gereformeerde leer en de leer van Remonstranten, Roomsen en zovele Nieuw-Protestanten. Volgens hen is de mens niet dood, maar ziek. En al zou men toegeven, dat een zondaar van nature niets vermag, dan stelt men toch, dat God Zijn Geest geeft aan iedere kerkganger of aan iedere gedoopte en dat wij nu allen enigszins kunnen medewerken. Wij 'kunnen de aangeboden genade aannemen, als we maar willen.

Van dit laatste leert de Schrift niets. Wij moeten geen helpende genade ontvangen, doch reddende. Zovelen prediken helpende genade. Vele anderen leren wel de verdorvenheid van de mens, doch niet dat hij goed geschapen is. Hoe groot voorts de onmacht wezen mag, wij blijven niet bij de onmacht staan. Wij belijden, dat er aan ieder, groot of klein een wonder moet gebeuren. Dat wonder is niet een zaak van samenwerking van God en mens. Het is wel een wonder, waarbij de Almachtige de mens aan het werk zet. God werkt niet dwangmatig, doch Hij werkt het willen en het werken. Dat is nodig, want bij de mens is niet alleen de onmacht, doch niet minder de onwil. Wij kunnen tot God niet wederkeren. Wij kunnen onze verdorven natuur niet verbeteren, wij kunnen ons tot de verbetering daarvan niet schikken. Op geen enkele wijze is er enige medewerking van God en mens anders dan de medewerking die God nieuw schept bij de uitverkorenen. Wij kunnen gewoonweg niet. Maar wij willen evenmin. Daar liggen te zoete banden tussen ons en de zonde benevens de wereld. Alle preken samen kunnen deze zoete banden niet breken, tenzij God ze gebruikt en met kracht het Woord doet indalen in de harten. Het is een algehele onmogelijkheid aan 's mensen kant om zalig te worden. Hij kan niet hongeren of dorsten naar de gerechtigheid, hij kan niet de offerande brengen van een verslagen geest. Het bedenken des vleses is vijandschap tegen God. Het vlees onderwerpt zich der wet Gods niet, het kan ook niet. Er is niemand, die God zoekt. Zijn wij dan onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad? Ja wij. Is dan alle hoop afgesneden? Daar zijn toch zoveel dominees' en evangelisten en ouderlingen. Deze kunnen het niet.

„Al kwam Gods eigen Zoon

Gestegen van Zijn troon

Al voor mijn ziele preken.

Zo Hij niet meerder kracht

Van boven medebracht,

Mijn hart dat zou niet breken".

Doch die meerdere kracht is er ook. Christus heeft de H. Geest tot zaligheid verworven. Wij prediken niet alleen de Vader, en ook niet alleen de Zoon. Wij prediken een Drie-enig God: Vader, Zoon en H. Geest. Het werk van de H. Geest moet niet alleen beschreven, het moet ook gepredikt worden. Dit werk moet niet minder gepredikt worden als het werk van de Zoon. Bij ons is het verloren, buiten Jezus is het verloren, doch zonder de genade van de wederbarende Heilige Geest is het ook verloren. En dan gaat het niet om een helpende, doch om een wederbarende genade. God neemt het stenen hart weg en geeft een vlezen hart. Hij maakt dode zondaars Ievend. Maar buiten dit genadewerk is het bij ons onmogelijk. Het is niet te beschrijiven in welke diep ellendige toestand van onmacht en onwil, van gebondenheid en verdorvenheid ieder mens verkeert. Jezus zegt: Gij wilt tot Mij niet komen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's