De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CHRISTELIJKE LEVENSWANDEL 3

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE CHRISTELIJKE LEVENSWANDEL 3

HET SCHANDAAL AAN ONZE GRENZEN

10 minuten leestijd

Misschien vindt u het opschrift van dit artikel een beetje alarmerend, maar zo is het niet bedoeld. Hier is immers niets anders gemeend dan een zo letterlijk mogelijke vertaling van een herhaald voorkomend bijbels - woord; skandalon (ergernis!). De schriftuurlijke gegevens hierover zullenwe volop nodig hebben om ons drietal artikelen af te ronden tot één geheel. Zagen we immers in het eerste artikel dat het ons overgeleverd christelijk levenspatroon een zegen is, die tot een gevaar kan worden ieder ogenblik, waarop wij het toestaan de Wet Gods te vervangen, in het tweede hoorden we tot onze geruststelling, dat dit geen krampachtige levenshouding insloot, maar dat we gewoon , , onszelf" mochten blijven in de dagelijkse dingen met onze eigen gewoonten, mits , , ons leven Christus is". Dit wat opzienbarend opschrift echter wil ons duldelijik maken, dat dit alles geenszins betekent, dat wij ons naar de Schrift aan geen ander zouden hebben te storen, op eigen verantwoording grenzen zouden mogen stellen en verder rustig onze gang zouden kunnen gaan, onder het mom, dat een ander niet heeft uit te maken, welke levensgewoonten ik verkies. Het tegendeel is waar. Ook al zouden wij, om het maar eens huiselijk uit te drukken, , , in bepaalde dingen geen been zien", daarom hoeven we het nog niet te doen! Juist de wetenschap, dat we iets doen kunnen zonder het te ervaren als een storingsfactor in ons gebedsleven (terwijl we toch weten hoe nauw het leven luistert!) geeft ons ook de macht bepaalde zaken na te laten, vrijwillig! Om geen , , schandaal', opspraak te verwekken, geen struikelblok anderen in de weg te leggen. Wij ontmoeten hier een duidelijk regulatief, een leidend motief, voor onze handelingen, juist voor dingen, die er op zichzelf niet op aan komen (uiterlijkheden meest), maar die in het geheel van de bestaande plaatselijke zede tot een probleem wórden. Hoevelen zitten zodoende niet met allerlei vragen, temeer, daar de levensstijl beweeglijker blijkt in deze dagen dan ooit, en vragen zich af: hóe ver kan ik gaan? Het poederdonsje, de melkbroek voor de boeredochter, de nieuwste mode —kan het nog wel?

Willen we op de vraag wat niet meer kan een antwoord hebben, dan zullen we eerst antwoord moeten geven op een andere vraag: waartoe zijn we geroepen? Want pas tegen déze achtergrond ontvangt de vraag naar de grenzen haar eigenlijke en juiste belichting. En op deze vraag geeft ons alleen de christelijke vrijheid het antwoord. Wij hebben haar in het vorig artikel vooral verstaan als vrijheid van het juk der wet en van bekommernis wekkende overbelasting van het geweten (Luther spreuk van Puppensünde — poppenzonden!), hier zien we haar vooral als vrijheid tot het ingaan in Gods schepping. Dus de positieve zijde komt hier uitdrukkelijker aan de orde. De Wet bestrijkt het gehele leven, opdat Gods kinderen in het volle leven op alle terrein zouden arbeiden en dit als gave uit Gods hand zouden leren aanvaarden. De dagen brengen ons niet meer onder hun macht, maar wij moeten de dingen, de wereld, brengen onder de macht van Christus, en dat aanschouwelijk maken overal waar Gods ons stelt, zodat in de christelijke zede dit alles mede gestalte aanneemt. De rijke schepping mag genoten uit gehoorzaamheid aan Gods geboden. Mogelijkheden en goederen worden in Zijn dienst genomen. Wij moeten niet wereldgelijkvormig worden, maar de wereld moet gelijk Gods bedoeling is, worden omgevormd De aarde en haar volheid is des Heeren. Het is alles het onze en wij zijn van Christus, opdat wij daarin naar Zijn geboden zouden léven. Tegen deze achtergrond; komt de vraag , , mag een christen dit of dat nog doen" in een bepaalde belichting te staan, (als een christen het niet mag, mag een ander het overigens ook niet!) en zullen we éérst antwoord moeten geven op de vraag , , hoe het wel moet". Verraadt onze belangstelling voor sommlge (op zichzelf vaak onbenullige) grensgebieden soms niet een stuk armoede aan roepingsbesef? Juist waar dit het gewone leven betreft?

Deze rijkdom die God ons geeft in Zijn vrijmakende wet sluit echter geenszins in, dat wij- nu de palen van de christelijke zede maar zo wijd mogelijk moeten uitzetten, er maar zoveel mogelijk toelaatbare wereldse elementen in moeten opnemen, om dan in tevredenheid over ons wijde roepingsbesef ons verwereldlijkte leven te overzien. Integendeel. Al zal Gods glorie over heel de breedte van deze wereld eens volkomen schitteren, daarom mogen wij de macht van de zonde en onze eigen beperktheid niet onderschatten. Daarom zijn er wel degelijk duidelijk en nadrukkelijk de grenzen tot op de dag Gods te trekken. En deze lopen óók door het gewone dagelijkse leven, en onderscheiden de christelijke levenswandel van een- werelds gedragspatroon.

Zolang de macht van de vorst der duisternis duurt is daar allereerst selectie nodig vanwege de beperktheid van onze krachten en de uitgebreidheid van het terrein, dat God ons toewijst. Het is onmogelijk, heel deze wereld en geheel onze cultuur binnen het christelijk levenspatroon te dringen. Willen wij dit wel doen, dan krijgen we slechts een uitgeholde verwereldlijkte levensstijl, die het boze wel inlijft, maar niet overwint, en vanwege de breedte de diepte mist. Wij zullen sommige gebieden moeten laten afvallen, eenvoudig omdat wij ons er aan vertillen. Ze blijven buiten ons gezichtsveld (schouwburg, bioscoop) omdat ze zich niet lenen voor kerstening. Wij weten echter, dat God de Heere ze in 't oog houdt en laten het aan Hem over. Beter dan de wereld hier te imiteren met bijvoorbeeld een z.g. , , christelijke bioscoop" is, de grenzen te trekken, te selecteren. Andere terreinen die wél binnen onze krachten liggen, zullen moeten worden aangevat: denken wij maar eens aan de zegen der N.'C.R.V.!'

Een tweede gedachte, die ons gedragspatroon in deze wereld afbakent van dat der wereld is die der geestelijke oefening, waartoe de Heere de Zijnen roept. Zo zingt bijvoorbeeld de Schrift het loflied van het huwelijk als scheppingsinzetting Gods. Maar tegelijkertijd ontzegt Paulus zich dit in 1 Corinthe 7 ter wille van het komend Koninkrijk des Heeren. Daarmede tast hij het huwelijk niet aan, maar doet er vrijwillig afstand van als offer aan zijn God om Hem te dienen en Zijn toekomst te bevorderen. Want de gedaante van deze wereld gaat voorbij. Slechts die ontvangt kan offeren. Roept ons bevestigingsformulier niet op tot vasten? Daarmede wil het toch de zegen van het dagelijks brood niet ondermijnen, maar veeleer dienen! De christelijke levenswandel wordt vaak conservatisme verweten: vasthouden aan het oude en gebrek aan openheid. Het moge zo zijn! Maar zit er soms ook niet iets in van een belijdenis, dat wij wèl door Christus gerechtvaardigd zijn, maar óók de erfgenamen van een leven, waarin brood en wijn, huwelijk en luxe, niet meer de spil zullen zijn, waarom alles draait? Er zit toch een zekere spanning in de 9e vraag en het antwoord van de Heidelberger Catechismus, tussen het , , rechtvaardig zijn" en het, , erfgenaam zijn des eeuwigen levens", die zich demonstreert in onze levenswandel. En vinden we daarin niet een begrenzing van de christelijke vrijheid in de breedte, die de diepte dient? Waar deze begrenzing leidt tot zelfgenoegzaamheid, en weer wet wordt waaraan wij onszelf en anderen spiegelen, is het een wereldvluchtend en dopers conservatisme geworden, dat de vrijheid ondermijnt, maar waar ze een belijdenis is, die in het besef van Gods rijke gaven wordt afgelegd, kan zij dienen om heen te wijzen naar het ander en beter vaderland, waarheen Gods Kerk op reis is.

Zo ontvangt dus het christelijke, juist in de openheid zijn beperking. Waar deze grenzen liggen is veelszins een persoonlijke zaak. Maar zeker niet uitsluitend persoonlijk. Want in de zede hebben wij te maken met mensen, met anderen, die wij als onze naasten ontmoeten. In de gemeente Gods zijn wij elkaar tot een naaste. Daar waar het gebod Gods zich niet over de kleinigheden van het leven uitspreekt, en ons bevrijdt tot een spontaan leven, geeft het Woord Gods ons de naaste als mede bepalend voor onze daden. Niet dat dit ons de heilige moed om onafhankelijk te durven zijn mag ontnemen — Christenen staan met eigen benen op een vaste grond. Er is vaak veel gepraat, veel , , schandaal" dat gesproken, ergernis die genomen wordt, vanuit een verkeerde instelling tot het leven, vanuit een gebondenheid aan regel op regel, die met de christelijke vrijheid en de zedelijke gebondenheid niets meer te maken heeft. Tegenover dezulken geldt het, hen met een vermanend en werkelijk principieel leven te beschamen en het zwijgen op te leggen. De grootste ondienst aan de Christelijke zede is, haar serieus te nemen ook als zij is gestold en verwettelijkt. Daar is een christelijke onverstoorbaarheid, die zegenrijk werkt in de gemeente. Maar eveneens is er een gebrek aan zelftucht, dat de naaste ergert, een nodeloos breken met allerlei, meest in de , , middelmatige dingen", in bijzaken, dat kwetst., Alles is wel geoorloofd, maar niet alles bouwt op" (1 Cor. 10 : 23). Het huisgezin Gods moet worden opgebouwd. Dat gaat boven de enkeling in Gods orde, want slechts door dat huisgezin vindt de enkeling de vrede die het verstand te boven gaat. (vgl. Heid. Cat., 54 en 55). Zo legt Paulus, de sterke, zich in Hand. 15 neer bij het compromis van Jacobus, dat de heidenen zich moeten onthouden van allerlei, dat de Joodse gemeenteleden al te zeer zou ergeren. De leiding des Geestes heeft het besluit achterhaald. Die geduld heeft kan ook wachten. Die geloven haasten niet! De levende wet Gods stuwt de zede wel voort. De zwakken in geloof, met hun weinige vrijmoedigheid, mogen niet heersen, en de sterke mag niet met geestelijke klompen gaan over de bezwaren der zwakken. Dan zullen allerlei randvragen van het , , gewone leven" verre schuil gaan achter de vraag: hoe dien ik door mijn leven met de naaste de gemeente en hoe dient de gemeente deze wereld en in deze wereld het komend Koninkrijk. Zo blijft er dus in de christelijke zede een stuk ergernis. Willen we haar dienen, dan is er voor hoogmoed geen plaats. Wie zich rijk weet in Gods gaven kan ook offeren, wie nederig is weet zich te bepeiten — als dat moet. En zo is de christelijke levenswandel, zoals wij hem van de voorgeslachten overnemen, gave en opgave tegelijkertijd, die ons er bij bepaalt, dat we dienstknechten zijn. De tucht van het leven brengt ons op onze plaats. Het is zaliger te geven dan te ontvangen. Het is een blijvende herinnering aan de ongebondenheid van ons natuurlijk verlangen, aan de rebellie van ons hart, die moet bestreden, opdat we ons aan de Heere, en aan Zijn wetten zouden wennen. , , Gewen u dan aan Hem"! Ten diepste is het schandaal, dé ergernis, deze, dat eigen oog, hand of wet ons in de weg staan en moeten uitgerukt. Zo zullen we temeer de genade en kracht van Christus nodig hebben om uit de rechtvaardiging te leven — in het gewone leven.

Als wij dit werkelijk zo nemen, zal onze levensstijl daarvan de vruchtbare gevolgen ondervinden. Zij zal doortrokken worden van een ootmoed, die zij nu veelszins niet heeft, en die vrucht is van de vrijheid, die God genadig schenkt en die ons blijvend doet bidden: , , Vergeef ons onze zonden", want onze levenswandel is mensenwerk. De ware ootmoedigheid verdraagt het zelfingenomen en spoedig veroordelen niet. Zo zal zij tevens op weg zijn, wetende, dat de patronen van het leven door de tijd wisselen, maar in Gods hand liggen, en dat er, zolang het Woord nog wordt gepredikt, altijd vormen zullen zijn, waarin het christelijk leven gestalte aanneemt. Dat bewaart voor krampachtigheid en conservatisime. Maar bovenal zal ze geladen zijn met de heilige ernst van Psalm 119 : 113: , , ik haat weifelaars, maar Uw wet heb ik lief", waarbij de kanttekeningen aantekenen, dat de weifelaars de halven zijn, die van twee wallen eten, Er moet een levenskeuze gedaan, vanuit —, met behulp van —, tegen —, m.aar altijd ter wille van de christelijke levensstijl, omdat, naast menselijke zonde en zwakheid, Gods werk mede in het geding is!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CHRISTELIJKE LEVENSWANDEL 3

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's