De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 53

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 53

Zondag 50

7 minuten leestijd

ZONDAG 50

(De Heilige Doop, vervolg.)

De doopspraktijk.

In de vorige zondagen heeft Calvijn bijbels-dogmatisch de betekenis van de Doop uiteengezet. Zoals we dat van hem gewend zijn, komt hij nu tot de toepassing, dus tot de doopspraktijk.

De vraag rijst daarbij: Wat is voor ons het rechte gebruik van de Doop? Het antwoord luidt: Die is gelegen in geloof en bekering. Dat wil zeggen, dat wij er zeker van mogen zijn, dat we in Christus onze geestelijke reinheid hebben en we in ons gevoelen, alsmede door onze werken aan onze naasten doen blijken, dat de Geest van Christus in ons woont, die onze eigen verlangens doodt, om ons de wil van God te doen volgen.

We hebben dus terecht gezegd, dat Calvijn aan de doopspraktijk toe is. Als hij zegt, dat de doop in praktijk gebracht wordt door geloof en bekering, kunnen we dat ook weergeven met de woorden: God aan Zijn belofte houden (Gen. 32!) en in heel onze levenswandel tonen, dat het ons daarmee volledig ernst is. Of nog anders: door in het grote op Gods trouw en belofte te bouwen, en daarom ook in het kleine (onze levenswandel) trouw te doen blijken.

In die weg hebben we de zekerheid, dat we in Christus voor God rein en heilig zijn. Dat betekent dan ook, dat we in ons getuigenis van de Heilige Geest vernemen (niet los van Woord en belofte), dat die Geest van Christus, naar Zijn belofte in ons woont, wat blijkt, doordat Hij ons doet afsterven aan eigen vlees en wil, om de wil van God te betrachten. We letten er zeker wel op, dat voor Calvijn de Heilige Doop een zaak is van belofte en werkelijkheid; althans bij hem is er niet het gevaar, dat de belofte op een wat idealistische wijze wordt verstaan, zonder tot realiteit te komen.

De kinderdoop.

Zo moet volgens Calvijn de doopspraktijk er uit zien. Zo heeft de leerling het geformuleerd, maar hij merkt, dat hij daarmee nog heel niet klaar is. Want nu vraagt de dominee verder: Maar als dit vereist wordt, waarom doopt men dan de jonge kinderen?

Een twistpunt, vooral van de Hervormingstijd (Dopers, Spiritualisten) springt naar voren. De genoemden, althans de Dopers, zullen het antwoord van zoëven wel beamen. Maar dan stellen ze gretig de vraag: Maar hoe dan met de kinderen? Calvijn antwoordt: Ons is niet gezegd, dat geloof en bekering altijd aan het ontvangen van het Sacrament moeten voorafgaan, want dat moet alleen bij hen, die daartoe in staat zijn. Het is dus voldoende, dat de kleine kinderen de vrucht van hun Doop tonen, als ze tot de jaren des onderscheids zijn gekomen.

We kunnen dit prachtige antwoord het best belichten uit de tegenstelling met de Dopers. We stellen bij hen vast een overbelasting van het geloof en de gelovige mens; op een in wezen wettische manier eisen ze, dat er eerst geloof moet zijn, eer men de hand mag uitsteken naar het Sacrament. Dat is geen wonder, want bij hen verzegelt de Heilige Doop de „inwendige genade". Bij Calvijn niet. Bij hem verzegelt de Heilige Doop de waarheid, de volstrekte betrouwbaarheid van Gods beloften, die niet op wettische wijze worden ontvangen, maar volop evangelisch. Daarom wijst Calvijn de kinderdoop niet af. Niet zo, dat hij, op de wijze van latere ontwikkeling, in de kinderen een zeker verborgen „kindergeloof" aanneemt, maar hij confronteert ons, reeds bij de doopvont, met de waarachtigheid van Gods belofte en zegt: Straks, tot jaren gekomen, als de storm opsteekt, zult ge mogen weten, dat de Ark, Christus behoud. Zoek Hem en lééf!

Calvijn heeft minder haast dan de Dopers. Dat komt o.i. mede voort uit zijn „donkere" kijk op de traagheid en weerstand van het mensenhart, waaraan de overgeestelijke Dopers al te gemakkelijk voorbijkomen. Daarom rekent Calvijn met Gods geduld met deze mensen, zo traag van hart. En hij zegt elders : de Doop heeft levenslang betekenis. Voor, bij en na het geloof. Hij blijft ons vermanen, betuigen, verzegelen, ons levenlang. Daarom stelt de Doop aan de kinderen „voorwerpelijk" de genade van Christus voor, opdat ze tot jaren komende, er persoonlijk er om verlegen zullen worden. Calvijn doet het geloof dus zeker niet te niet; Gods beloften worden alleen door geloof ons eigen. Maar Gods beloften zijn de moeder van het geloof; daarom legt Calvijn op deze „wortelzaak" onverpoosde nadruk.

De tijd ontbreekt ons, om zelf maar te schetsen, hoeveel strijd, onzekerheid de kinderdoop in het Protestantisme heeft veroorzaakt. Met name in ons vaderland heeft de strijd hevig gewoed; denk aan de strijd om het „in Christus geheiligd" zijn van de te dopen en gedoopte kinderen. We menen, dat daarbij veel dopers ongeduld heeft meegesproken; dat in alle geval de betekenis van Gods vrije beloften (juist vrij tegenover het zeer jonge kind) onder ons veel te weinig is verstaan en daarom onze doopsbedieningen vaak zo dór kunnen zijn, of wel opgeschroefd plechtig en aandoenlijk. We hebben de indruk, dat het ons alleen goed kan doen, in deze bij Calvijn nog maar weer eens in de leer te gaan.

Doop en besnijdenis.

Calvijn handhaaft dus de kinderdoop. Niet kunstmatig en krampachtig, maar met een goed geweten voor God en mensen. Maar natuurlijk weet hij wel, dat zijn aanvaarding van de kinderdoop voor niet weinigen een ergernis en een dwaasheid is. Hij gaat daarop in en vraagt daartoe : Hoe kun je aantonen, dat daar niets tegen is? Antwoord : omdat de besnijdenis evengoed een sacrament van bekering was, zoals Mozes en de profeten verklaren (Deut. 10 : 16 tot 30; Jeremia 4 : 4) en een sacrament des geloofs zoals Paulus zegt (Rom. 4 : 11). En toch heep God er de kleine kinderen niet van uitgesloten.

Het is Calvijn niet onbekend, dat Doop en besnijdenis niet geheel samenvallen. Daar gaat het hem echter niet om. Hij heeft er hier genoeg aan, op de fundamentele overeenstemming van besnijdenis en Doop te wijzen, daarin, dat ze beide een belovend, vermanend en verzegelend karakter dragen, zodat ze ook toekomen aan de kleine kinderen. De kleine kinderen van de Doop verre houden, betekent Wèt en Evangelie, vermaan en belofte aan hen onthouden. Wie zal dat aandurven met een beroep op de gemeenplaats, dat de kinderen er immers geen weet van hebben en daarom maar wachten moeten ? Zeker is de Doop niet heilsnoodwendig, wanneer Wet en Evangelie hen maar op andere wijze bereikten. Maar als men hier de A. van het heil (de Doop) doorschrapt, wie garandeert dan, dat de letters B. tot X. aan de orde komen ? Het grote in de Heilige Doop is juist, dat God van de beginne, eer wij wisten, zich presenteert ; zich aanbiedt, zich daarom ook „vrijmaakt". Wat daarvan door de dopeling verstaan werd, zal pas later blijken. Maar dat doet Gods trouw niet teniet. Daarom worden onze kinderen gedoopt, „opdat hen alle onwetendheid zou worden ontnomen", en opdat ze, zo vroeg mogelijk zouden kunnen weten, dat de genade van God in Christus groter is, dan de zonde, die zij in overvloedige mate meebrengen.

De kinderen toegelaten.

Het gebruikte beeld heeft gepakt. De vraag wordt uitgesponnen : Maar kun je ook aantonen, dat ze om een gelijke reden tot besnijdenis en Doop worden toegelaten ? Het antwoord luidt nu : Ja zeker, want Gods beloften zijn oudtijds gedaan aan het volk Israël, maar zijn nu uitgebreid tot heel de wereld.

Daar merken we al, dat Calvijn van beperktheid van de besnijdenis weet vergeleken bij de grotere breedte van de Heilige Doop. Het antwoord is bondig en nogal beknopt, zoals Calvijn dat graag doet, om de mensen zelf aan het denken te zetten. Hij bedoelt natuurhjk met dit antwoord : wanneer de nationaal-bepaalde besnijdenis alle kinderen toeliet, moet dat zeker het geval zijn met de internationaal gerichte Heilige Doop.

Ons dunkt dat antwoord alleszins bevredigend en positief. Daar deze zondag zo rijk aan vragen en antwoorden is en we hier op de helft zijn, breken we liever af, om volgend maal de draad hier weer op te vatten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 53

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's