DE DORDTSE LEERREGELS
Hoofdstuk III/IV artikel 4. Wel is waar, dat na de val in de mens, enig licht der natuur nog overgebleven is, waardoor hij behoudt enige kennis van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid tussen hetgeen betamelijk en onbetamelijk is, en ook betoont enige betrachting tot de deugd en tot uiterlijke tucht. Maar zover is het vandaar, dat de mens door dit licht der natuur zou kunnen komen tot de zaligmakende kennis Gods en zich tot Hem bekeren, dat hij ook in natuurlijke en burgerlijke zaken dit licht niet recht gebruikt; ja veel meer ditzelve, hoedanig het ook zij, op onderscheidene wijze geheel bezoedelt en in ongerechtigheid ten onder houdt; en dewijl hij dit doet, zo wordt hem alle verontschuldiging voor God ontnomen.
Het is een grondstuk van de gereformeerde belijdenis, dat de mens gans verdorven is. Hij is ganselijk onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Hij is in al zijn wegen goddeloos, verkeerd en verdorven. Hij is het beeld Gods verloren. De Catechismus onder wijst ons, dat God de mens goed en naar Zijn evenbeeld heeft geschapen, maar hij heeft een verdorven natuur gekregen. Het is algemeen bekend, dat in de Reformatie met veel ernst en nadruk belijdenis gedaan wordt van een totaal verderf. Daar staat dan de prediking tegenover van de noodzakelijkheid der wedergeboorte en daarvan dat de mens van dööd levend gemaakt moét wordén. Maar als wij nu artikel 4 hierboven lezen is er dan niet een grens gezet aan het totale verderf ? Hier wordt gesproken van een licht der natuur en van enige goede dingen. Ik weet wel, dat het hele artikel in een strijd-houding staat. Dat licht der natuur blijkt tenslotte voor de eeuwigheid waardeloos te zijn. Maar het is toch net alsof er iets van het totale bederf wordt afgedaan. We gaan eerst maar eens vragen tegen welke dwaling dit artikel gericht is ? Het is de dwaling, dat de mens zelf nog wel wat kan om de zaligmakende genade te verwerven. Vandaag aan de dag is deze dwaling nog ruim voorhanden. Men gaat dan uit van de genade Gods. Dat is hier in de grond helpende genade. God van Zijn zijde betoont zich gereed te zijn, om Christus aan alle mensen te openbaren. Maar de mens heeft nog enige natuurlijke gaven, waardoor hij Gods bereidheid om genadig te zijn in beweging zet. God wordt zo een factor naast en tegenover de mens, de mens wordt een factor naast en tegenover God. Tegen deze leer hebben onze vaderen zich krachtig verzet. God stelt ook niet aan alle mensen de middelen der genade ter beschikking. God maakt onderscheid, waar geen onderscheid is. Daarvan lezen we in de Verwerping der dwalingen, III/IV, 5 :
„De synode verwerpt de dwalingen van hen die leren : Dat de verdorven en natuurlijke mens de gemene genade (waardoor zij verstaan het licht der natuur) of de gaven, hem na de val nog overgelaten, zo wel gebruiken kan, dat hij door dit goede gebruik een meerdere, namelijk, de Evangelische of zaligmakende genade en de genade zelve allengskens en bij trappen zou kunnen bekomen. En dat in dezer voege God zich van Zijn zijde betoont gereed te zijn, om Christus aan alle mensen te openbaren, naardien Hij de middelen, die tot bekering nodig zijn, genoegzaam en krachtig aan allen toedient. Want benevens de ervaring van alle tijden betuigt ook de Schrift, dat zulks onwaarachtig is : Hij maakt Jacob Zijn woorden bekend en Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten. Alzo heeft Hij geen volk gedaan ; er zijn rechten, die kennen zij niet. (Ps. 147 : 19, 20). God heeft de verleden tijden al de heidenen laten wandelen in hun wegen, (Handel. 14 : 16). Zij (te weten Paulus en de zijnen) werden van de Heilige Geest verhinderd, het woord in Azië te spreken ; en aan Mysië gekomen zijnde, poogden zij naar Bithynië te reizen; en de Geest liet het hun niet toe". (Hand. 16 : 6, 7).
Voorlopig hebben we dus twee dingen. Er is een licht der natuur, een rest van het beeld Gods in de mens, maar dit overblijfsel werkt voor de zaligheid niet ten goede, doch ten kwade.
Dit staat in artikel 4. Zo voor het oog spreekt menigeen in deze tijd nog ongunstiger over de mens dan de gereformeerde belijdenis. Deze en gene spreekt van demonisering en ontmenselijking. Onze belijdenis laat de mens mens. Hij is door de val geen demon of duivel geworden. Aan de andere kant ziet men ook dit, dat de wereld wel grote woorden soms gebruikt over de mens, doch tenslotte toch nog een goed puntje in hem over houdt. We kunnen dit zo duidelijk zien in Immanuel Kant. Hij stelde, dat de mens boos was. Hij achtte het boze zo radicaal, dat het door menselijke krachten niet te verdelgen is. Daar moet een soort wedergeboorte aan te pas komen, zegt Kant. Maar dan ineens komt 't goede toch uit de mens. Kant is van ooreel dat die reusachtige omkering in de gezindheid van de mens noodzakelijk is en daarom ook voor de mens mogelijk moet zijn. De mens moge dan tot in de diepte verdorven zijn, nog dieper dan die diepte ligt een mogelijkheid om een beslissing te nemen en door te zetten, waardoor de richting van het hart wordt omgekeerd. Het komt mij voor, dat menigeen op deze wijze gereformeerd wil heten in onze tijd. Men belijdt de verdorvenheid van de mens, doch ergens kan die mens nog willen of geloven. In de diepste diepte zit de mogelijkheid van Kant. Van deze aard is het goede, dat artikel 4 in de mens vindt niet. Het is geen rest, die in de diepste diepte zit en alles nog ten goede kan wenden, doch het is een rest, die ergens aan de buitenkant zit en voor de grote revolutie in de mens geen krachten heeft. Een opmerkelijk verschil. Men zou kunnen denken, dat de rest van het beeld Gods, waarover artikel 4 spreekt iets bijzonders van de Leerregels is. Maar wij kennen allemaal de leer van de kleine overblijfselen, het beeld Gods in ruime zin, dat behouden gebleven is. Artikel 14 van de Ned. Geloofsbelijdenis zegt: „Wij geloven, dat God de mens geschapen heeft van het stof der aarde, en heeft hem gemaakt en geformeerd naar Zijn beeld en gelijkenis : goed, rechtvaardig en heilig; kunnende met zijn wil in alles overeenkomen met de wil Gods. Maar als hij in ere was, heeft hij het niet verstaan, noch Zijn uitnemendheid erkend; maar heeft zichzelf willens der zonde onderworpen, en overzulks de dood en vervloeking, het oor biedende aan het woord des duivels.
En in al zijn wegen goddeloos verkeerd verdorven geworden zijnde, heeft hij verloren al zijn uitnemende gaven, die hij van God ontvangen had, en heeft niet anders overig behouden dan kleine overblijfselen daarvan, dewelke genoegzaam zijn om de mens alle onschuld te benemen". Het merkwaardige is, dat deze kleine overblijfselen de zaak voor een mens niet een beetje verlichten, doch juist verzwaren. Door die kleine overblijfselen is hij niet te verontschuldigen. Hieruit is duideUjk, dat de overgebleven restjes van het beeld Gods in de mens aan het totale karakter van de verdorvenheid geen afbreuk doen. Het is niet de bedoeling met de uitspraken over de overblijfselen een grens aan te geven voor het totale bederf. Zij wijzen geen laatste reserve in de mens aan, geen kern van goedheid, dat aan de macht van zonde en bederf zou zijn ontkomen.
Waar gaat het dan om in de belijdenis van de kleine overblijfselen? Het gaat om de overtuiging, dat de mens door de zonde wel geheel verdorven was, maar dat hij toch mens is gebleven. Hij is nog altijd aan God verantwoordelijk. Doch hoewel deze gevallen mens nog enige gaven heeft, gaat hij toch vijandig tegen God in en juist met zijn gaven. Het beetje licht en het beetje uitwendige deugd, dat hij nog heeft, gebruikt hij om God nog meer van de troon te stoten. In hoeverre rust deze belijdenis op de Heilige Schrift ? De ervaren bijbellezer heeft natuurlijk al gedacht aan Johannes 1: 5 en Romeinen 1. In het eerste bijbelvers lezen we: „En het Licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen'. Artikel 14 van de N. G. B. haalt deze tekst aan. Met het Licht is de Zone Gods bedoeld. Hij schijnt in de duisternis. De hele wereld is duisternis, maar de gevallen mensenwereld in het bijzonder. Het is de duisternis van zonde en dood. Doch de gevallen mens is nog mens. Calvijn vat het licht hier op als een licht dat nog in de menselijke natuur is overgebleven. Met dit kleine licht zou dan de Zoon des mensen ons tot zich nodigen. Het zou dan het licht zijn, dat nog uitstraalt in de schepping. Vers 5 handelt nog niet over het zaligmakend werk van de Logos of in ieder geval niet uitsluitend. Het zaligmakend werk komt in vers 14 ten volle aan de orde. En dan zegt Calvijn : „Er zijn in 't bijzonder twee delen des lichts, welke in de verdorven natuur nog overgebleven zijn. Want een iegelijk is van nature enig zaad der Religie ingeboren. Ten andere is in hun gewetens een onderscheid van goed en kwaad ingegraven. Hier hebt ge dus een bewijsplaats voor het licht der natuur, zoals dat in artikel 4 heet. Dat licht straalt in de wereld. Grosheide wil de betekenis zo ruim mogelijk nemen door het niet tot het soteriologische te beperken, maar op het intellecuele en het zedelijke te laten slaan. Nog eens : het licht der natuur. Maar wat doet de mens over de gehele wereld met dat licht ? Daar staat: , , De duisternis heeft het niet begrepen". Er is van ouds gestreden over de vraag, hoe het Griekse grondwoord moest wórden opgevat. De een vertaalde : de duisternis heeft het niet aanvaard of niet begrepen. De ander vertaalde : de duisternis heeft het niet overweldigd. Wij houden ons aan de eerste betekenis. Dan geeft de tekst een tegenstelling: het licht schijnt, maar de duisternis kan, omdat zij duisternis is, dat licht niet aanvaarden. Door dit niet aanvaarden toont de duisternis tevens dat zij het licht niet verstaat in zijn betekenis en waarde. Vers 5 geeft dus de houding aan van de zondige mensenwereld tegen het licht van de Logos. Vers 11 bevat een geUjke tegenstelling : „Hij is gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen". Dat de duisternis het licht niet kon overweldigen spreekt van zelf. Wie zou de Zoon Gods kunnen beletten te schijnen, uit te stralen. Calvijn geeft bij vers 5 nog een toelichting, die licht werpt over ons artikel. Ten eerste over de vruchten van het licht der natuur. „Maar wat vruchten komen daar ten laatsten uit anders dan dat de religie tot 1000 bijgelovigheden van gruwelijke aard verbastert en de consciëntie alle gezond oordeel verdraait, zodat ze de zonde en de deugd dooreenmengt Voorts zo moeten we onthouden, dat de Evangelist alleen van de natuurlijke gaven spreekt; en de genade der wedergeboorte nog niet aanroert. Want de Zoon Gods heeft twee onderscheiden krachten : de eerste vertoont zich in de schepping der wereld en in de loop der natuur. Maar door de andere richt Hij de gevallen natuur weer op en vernieuwt ze. Voor zoveel Hij het eeuwige Woord Gods is zo is de wereld door Hem geschapen. Door Zijn kracht behouden alle dingen het leven, dat zij eens ontvangen hebben. Door Hem is inzonderheid de mens met een uitnemende gave des verstands versierd geweest. En hoewel hij door zijn afwijking het licht des verstands verloren heeft, zo ziet en verstaat hij nochtans, zodat het niet ganselijk te niet gedaan zij hetgeen hij natuurlijkerwijze uit de genade des Zoons van God heeft. Daar hebben we dat licht der natuur weer. De mens is mens gebleven. Hij heeft en houdt verantwoordelijkheidsbesef. Het geweten spreekt nog, maar het is een duistere spiegel. Het geweten is niet betrouwbaar. Daarom is dit licht der natuur geen begin van het nieuwe leven. De genade van Christus in het werk der herschepping brengt een ander beginsel in de mens. Ten onrechte willen de remonstranten dat licht der natuur op één lijn stellen met de genade in Christus. Dat is de grote fout, die ze maken. Iemand kan uit het hcht der natuur dingen der wet doen en toch een hater van God en Zijn wet zijn. Dus God heeft de mens ook na de val niet toegelaten duivel te worden. Hij is mens gebleven. Hij heeft enig hcht der natuur mogen behouden. En wat doet hij daar nu mee ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's