Het boek van de profeet Joël 3
Op het hoofd van de Filistijnen en Tyrus en Sidon zal de vergelding neerdalen. Van de ellende van Israël hebben zij geprofiteerd, kinderen hebben zij als slaven verkocht en goud en sieraden geroofd. Laten de krijgslieden nu aantreden; van ploegen make men zwaarden. (Jes. 2:4) de triomf des Heeren zal des te groter zijn. De Heere zal voor eeuwig op Sion wonen en op de berg van Sion zal ontkoming zijn voor allen, die de Naam des Heeren aanroepen.
Datering.
De tijd, waarin de profeet leefde, is verre van gemakkelijk te bepalen. Er is geen enkele nadere aanduiding van de datum. In dit opzicht doet het boek denken aan Obadja, Jona, Habakuk en Maleachi.
Door sommigen wordt dit boek als het oudste prof. geschrift beschouwd, door anderen als een zeer jong geschrift en weer anderen menen, dat de hoofdstukken 1 en 2 uit oudere tijd, hoofdstukken 3 en ? uit de tijd van het exiel stammen. Zo dateert de één het boek Joël in de tijd van de minderjarige Joas; dan zou het te begrijpen zijn, dat de koning niet genoemd wordt; anderen denken aan de dagen van koning Josia, weer anderen aan de regering van koning Zedekia en wat de tijd na de ballingschap betreft meent men wel, dat het stamt uit de dagen van Maleachi. Het Bijbels handboek verdedigt het na-exiëlische onstaan van Joël, hoofdstuk 3 : 2 zou er op wijzen, dat Jerusalem reeds gevallen was; ook wordt met geen woord genoemd de afgoderij van het volk en de hoogtendienst, terwijl dat in de tijd van de oudere profeten schering en inslag was. Vooral het feit, dat de koning niet genoemd wordt en dat de priester blijkbaar de volle leiding heeft, dat ook de dag des Heren een dag zou zijn, niet van oordeel over Israël (Amos 5 : 18) maar van gericht over de heidenen, zou naar de tijd van de ballingschap wijzen. Toch worden ook in deze tijd weer stammen vernomen, die naar de tijd vóór de ballingschap verwijzen voor het ontstaan van Joël. Allereerst denken we aan de plaats, die het boek in het 12 profetenboek heeft, n.l. tussen Hosea en Amos en de volgorde heeft zonder twijfel iets van chronologische orde; denk b.v. aan de boeken Haggaï, Zacharia, Maleachi, die het laatst staan. Dwingend is dit argument uit de aard der zaak niet, maar het zegt wel iets. Dat de koning niet genoemd wordt, behoeft niet te wijzen op de tijd, toen er geen koning was en evenmin behoeft dit niet noemen van de koning te doen denken aan de tijd van de minderjarigheid van koning Joas. Immers ook Micha noemt de koning niet in hoofdstuk 3 : 9—12. In zijn opsomming van leidende persoonlijkheden noemt Jesaja de koning ook niet (hoofdstuk 3 : i v.v.) Hosea wendt zich eerst tot de priesters en daarna rechtstreeks tot het koninklijke huis. Er is geen bijzondere reden, waarom Joël het koninklijke huis zou noemen. Joël noemt wel de tempel en de eredienst meer dan één van de oudere profeten, maar ook dat wijst niet op veel latere tijd, immers waren de offers van oude tijden aan bekend; hoofdstuk 3 : 2 kan een profetie zijn. Dat Edom na 586 een schandelijke rol heeft gespeeld weten we ook uit andere plaatsen in de Schrift. Zie het boek Obadja; Ezechiël 25 : 12-24; Psalm 137 : 7. Dat de Grieken genoemd worden in hoofdstuk 3 : 6 wordt ook dikwijls verklaard uit de late tijd, waarin het boek Joel is ontstaan. De Nieuwe VertaHng van het N.B.G. heeft hier het woord Joniërs. Reeds in Amos dagen horen we van slavenhandel, Amos 1:9. Tyrus was een middelpunt van de slavenhandel. Ezechiël 27 : 13.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's