De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

IS DAT WEL JUIST ?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

IS DAT WEL JUIST ?

11 minuten leestijd

Het moderamen van de generale synode van de Ned. Hervormde Kerk heeft in opdracht van de generale synode de volgende brief gericht tot de kerkeraden:

Eerwaarde Broeders,

In opdracht van de generale synode, van 22 tot 25 juni 1959 bijeen in „Woudschoten", richten wij als moderamen der synode ons tot u met het volgende.

De generale synode heeft in het begin van dit jaar aan de classicale vergaderingen ter consideratie voorgelegd een tweetal, door hem in eerste lezing vastgestelde overgangsbepalingen, die bepaalden dat tot 1 januari 1965 een kerkeraad geen vrouwelijk ambtsdrager zou kunnen afvaardigen naar een centrale kerkeraad die dat niet wenst of naar een classicale vergadering. De synode stelde deze overgangsbepalingen voor om de gevoelens van hen die verklaren om des gewetens wil tegen de benoeming van vrouwelijke ambtsdragers en tegen het vergaderen met vrouwelijke ambtsdragers in meerdere vergaderingen te zijn, te ontzien. De synode meende dit offer van de vrouwelijke ambtsdragers en van de kerkeraden, waarvan zij deel uitmaken, te mogen vragen terwille van onze roeping elkanders overtuiging in de gemeente des Heren liefdevol te eerbiedigen.

Intussen heeft ruim tweederde van de classicale vergaderingen uitgesproken de voorgestelde overgangsbepalingen niet te wensen. Daarom heeft de synode nu besloten haar voorstellen tenslotte geen kracht van wet te verlenen. Het blijft dus zo dat vrouwelijke ambtsdragers ook kunnen worden afgevaardigd naar de centrale kerkeraad en naar de classicale vergaderingen.

De synode heeft nu echter tevens besloten dit onderwerp per brief met u te bespreken. Wij denken nu allereerst aan die kerkeraden die met haar van oordeel zijn dat het bijbels verantwoord is een vrouw een ambt toe te vertrouwen.

De synode blijft n.l. van mening dat er omstandigheden kunnen zijn die maken dat een kerkeraad er wijs aan doet geen gebruik te maken van zijn recht een vrouwelijk ambtsdrager af te vaardigen. In de gemeente van Jezus Christus hebben allen de roeping elkander zoveel mogelijk te ontzien in zaken die naar het oordeel der betrokkenen gewetenszaken zijn. De apostel Paulus schrijft: „Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig. Alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op" (1 Cor. 10 : 23).

In Paulus' dagen waren er zowel in de gemeente van Corinthe (vgl. 1 Cor. 10 : 23-33) alsook in de gemeente Rome (vgl. Rom. 14-15 vers 13) gemeenteleden die verklaarden dat zij om des gewetens wil bepaalde dingen niet konden aanvaarden, terwijl anderen, waaronder Paulus zelf, in het geheel geen kwaad zagen in wat die gemeenteleden verwierpen. Paulus geeft dan de raad aan hen die zich in het geloof vrij weten van die vrijheid geen gebruik te maken als de omstandigheden zo zijn, dat dit anderen nodeloos zou ergeren. Hij pleitte voor het liefdevol ontzien van broeders, die zichzelf niet tot de zwakken maar juist tot de sterken rekenden.

Aan bovenstaande apostolische vermaning hebben wij wel degelijk te denken nu wij in de Hervormde Kerk moeten leren met elkaar om te gaan op gebieden waarop ons nog geen gemeenschappelijk licht geschonken werd. Alle verschillen in onderwerp en situatie toen en nu nemen niet weg dat het beide malen gaat om gemeenten waarin de een in het geloof aanvaardt wat de ander in het geloof meent te moeten verwerpen. In onze Kerk is een meerderheid die de openstelling van het ambt voor de vrouw bijbels verantwoord acht. Een meerderheid in synode en classes heeft ook geoordeeld dat het belang van het passieve kiesrecht van de vrouwelijke lidmaten zó zwaarwegend is, dat het niet verantwoord zou zijn van dat belang af te zien terwille van hen die menen dit passieve kiesrecht te moeten verwerpen. Nu het echter niet gaat om het grote belang van de open­ stelling van het ambt voor de vrouw maar om het ongetwijfeld veel kleinere belang van de afvaardiging van de vrouw naar een meerdere vergadering, is er alle reden zich af te vragen of dit veel kleinere belang moet verhinderen dat wij naar den eis der liefde medebroeders in hun gevoelens ontzien. Daar komt nog bij dat het afvaardigen van vrouwelijke ambtsdragers naar meerdere vergaderingen niet slechts een betrekkelijk klein belang mag heten, maar ook een zeer grote moeilijkheid blijkt te geven voor broeders die juist in die vergaderingen voor het eerst in feite de vrouwelijke ambtsdragers moeten aanvaarden door met hen te vergaderen. Daarom is er reden te meer om juist op dit punt te zoeken naar het ontzien van de ander.

Er is echter evenzeer reden ons te richten tot die kerkeraden die overtuigd zijn geen vrouw in enig ambt te mogen stellen. De synode respecteert hun overtuiging.

Niettemin moet de synode echter met klem aan die kerkeraden vragen het volgende ernstig te overwegen.

Zij zullen in de eerste plaats hebben in te zien dat zij de orde der Kerk, nu deze de ambten voor de vrouw heeft opengesteld, zullen moeten eerbiedigen, wil er in de Kerk geen toestand van wetteloosheid ontstaan. Zij zullen voorts voluit moeten erkennen dat de ambtsdragers, die hebben gepleit voor de openstelling van het ambt, dit hebben gedaan naar beste weten en geloof, in gehoorzaamheid aan de Schrift. Zij, die ten dezen anders denken, hebben geen recht te doen alsof hun streven de Schrift te gehoorzamen ernstiger is dan datzelfde streven der anderen. Zij, die de vrouw uit het ambt weren, hebben het geweten van hen, die de vrouw niet weren, te eerbiedigen en niet te oordelen. Wie de vrouw in het ambt stelt, minacht hem niet die het niet doet, en wie dat niet doet, oordele hem niet die wel de vrouw in het ambt stelt, want God heeft hem aanvaard (vgl. Rom. 14 : 3). Er is niet alleen een zondigen tegen de liefde maar ook een zondigen tegen de ootmoed. Zolang de Here God ons allen, die gemeenschappelijk de Schrift willen gehoorzamen, niet gemeenschappelijk licht in deze heeft gegeven, moeten wij elkander aanvaarden en verdragen. Wij mogen trachten die ander te overtuigen van datgene waarin hij naar onze overtuiging nog dwaalt, maar wij mogen de ander niet diskwalificeren.

Indien wij met deze opmerkingen slechts datgene zeggen waar ook bedoelde kerkeraden het mee eens zijn, zal ons dit alleen maar verheugen.

Laten wij dit schrijven mogen besluiten met de woorden waarmee Paulus zijn betreffende uiteenzetting besloot:

„Daarom, aanvaardt elkander, zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid Gods. De God nu der hope vervulle U met louter vreugde en vrede in uw geloof, om overvloedig te zijn in de hoop, door de kracht des Heiligen Geestes" (Rom. 15 : 7, 13).

Namens het moderamen van de generale synode, P. G. van den Hooff, h.t. praeses. E. Emmen, scriba.

Zoals men weet, heeft het in deze brief omschreven beleid buiten de kerkelijke wereld de aandacht getrokken. Men heeft dit beleid van de synode o.a. toegeschreven aan een zeker ontzien van de gereformeerde Bond om niet te spreken van beduchtheid voor die Bond. Van buiten af kan dat zo lijken, maar dat weet men binnen de kerk beter. Wij hebben althans andere ervaringen, zodat het ons voorkomt, dat velen in de Hervormde Kerk, die bij voorkeur op de liefde en de roeping der christelijke liefde wijzen, erg veel moeite schijnen te hebben om dat jegens de „Bonders" in toepassing te brengen.

Zo ligt de zaak dus niet. Het moderamen (en ook de synode) moet wel een ernstige aanleiding hebben om zich met zulk een brief tot de kerkeraden te richten. Dat blijkt ook daaruit, dat men naar een motivering zoekt, welke steun zou kunnen vinden in de Heilige Schrift.

In dit geval is dat nu wel heel erg moeilijk en allerminst overtuigend, maar het bewijst toch èèn ding. Die gemeenschap met de belijdenis der vaderen van artikel X der Kerkorde! Eigenlijk een lastige passage. Immers de wijze, waarop men de Heilige Schrift wil beschouwen, is niet in overeenstemming met de belijdenis der vaderen en van gemeenschap met die belijdenis kan in dit opzicht geen sprake zijn.

De toelating van de vrouw tot het ambt, met name tot dat van de ouderling, die in het Woord arbeidt en van die, die regeert, kan men met een gerust geweten niet binnenbrengen in de gemeenschap met de belijdenis der vaderen. Immers het èèn hangt met het andere samen. Wie in gemeenschap met de vaderen het goddelijk gezag der Heilige Schrift belijdt, ziet de vrouw door de Schrift van het ambt uitgesloten. Niet maar zo twijfelachtig, doch zeer duidelijk.

De afwijking in zulke voorname stukken van de gemeenschap met de belijdenis, welbewust en op grond van overwegingen, die op ander terrein liggen, kan niet nalaten bij degenen, die voor de genomen besluiten verantwoordelijk zijn, minder aangename gevoelens te wekken, wanneer daartegen met een beroep op de belijdenis der vaderen geprotesteerd wordt.

Daarom nog eens, niet een ontzien van de „Bonders" ligt aan boven afgedrukte brief ten grondslag, maar een zwakheid in eigen boezem ten aanzien van wat men drijft.

Daardoor wordt niet alleen die brief verklaard, maar ook de poging om de principiële tegenstellingen, die in het geding zijn, te vervlakken tot middelmatige dingen, welke in de christelijke vrijheid liggen als die, waarover de apostel Paulus handelt in 1 Cor. 10 : 23-33 en Rom. 14-15 : 13.

Men sla deze hoofdstukken op, om te zien, dat de apostel in dat gedeelte van de brief aan de Romeinen van doen heeft met mensen, die wij kunnen vergelijken met z.g. vegetariërs, mensen, die zich van vlees onthouden en slechts plantaardig voedsel menen te mogen gebruiken.

Paulus noemt deze mensen de zwakken in het geloof en vermaant de sterken geen aanstoot te geven en — om ergernis te vermijden — ook geen vlees te eten. (Vgl. Rom. 14 : 21 en 15 : 1-3).

In Corinthe is een soortgelijke kwestie aan de orde. Daar gaat het wel niet over de vraag, of men ook vlees zal eten of alleen met plantaardig voedsel zal volstaan, maar over het eten van het vlees, dat afkomstig is van afgodenoffers. Sommigen hebben daartegen bezwaar, anderen niet. Ook in deze zaak verdedigt de apostel de christelijke vrijheid, maar vermaant de Corinthiërs, die evenals hij vrij daartegenover staan, geen aanstoot te geven aan degenen, die dat vlees niet eten, en het daarom zelf ook niet te doen. (1 Cor. 10 : 28).

Het moderamen der synode wil het derhalve doen voorkomen, alsof het al of niet toelaten der vrouw tot de ambten en het al of niet toelaten van de vrouw tot de meerdere vergaderingen (en de centrale kerkeraad) op èèn lijn kan worden gesteld met de zo even genoemde aangelegenheden in Rome en in Corinthe, waarover de apostel Paulus handelt.

Hoe moet men dit noemen, misverstand, of misbruik van de Schrift? Nergens blijkt, dat de toelating tot het ambt van mannen of vrouwen is overgelaten aan de christelijke vrijheid. In gemeenschap met de belijdenis der vaderen kan men de situatie ook niet voorstellen als „een moeten leren met elkaar om te gaan op gebieden, waarop ons nog geen gemeenschappelijk licht geschonken is". Vooral die „gebieden" doen vreemd aan en het heeft er zelfs de schijn van, dat men God de Heilige Geest de schuld wil geven, omdat Hij niet voor allen duidelijk te kennen geeft, dat, wat Hij door de apostelen aan de kerk geboden heeft, vandaag in de vrijheid der mensen wordt gesteld. In ieder geval is deze voorstelling weinig kerkelijk. —'

Het moderamen wil ons de vermaning van de apostel Paulus voorhouden ten aanzien van middelmatige zaken, doch waarom neemt de synode zijn woorden niet ter harte, als hij over het ambt handelt, b.v. in 1 Tim. 3? Daaruit blijkt ook, hoe groot gewicht Paulus aan de door hem omschreven orde hecht: Deze dingen schrijf ik u, opdat gij moogt weten, hoe men in het huis Gods moet verkeren, hetwelk is de gemeente van de levende God, een pilaar en vastigheid der waarheid (vs. 14 v.).

Dat klinkt wel wat anders dan wat het moderamen ons wil voorstellen.

Paulus gebiedt mannen aan te stellen in het ambt van ouderling en diaken. Zo moet men in de gemeente verkeren! Als nu de èèn zich in het geloof onderwerpt aan dit woord, omdat hij heel de Schrift als Gods Woord ontvangt, kan dan de ander in ditzelfde geloof in gemeenschap met de belijdenis der vaderen dat woord verwerpen?

Dergelijke vragen vermenigvuldigen zich, als wij deze brief lezen. Wij moeten „elkander aanvaarden en verdragen", doch hoe kunnen geloof en ongeloof ten aanzien van dat verkeren in Gods huis elkander aanvaarden en verdragen?

Zo kunnen wij voortgaan, maar wij willen het bij nog èèn vraag laten:

Op welke grond en volgens welke bevoegdheid stelt de synode (of het moderamen), — dat wij in de eerste plaats hebben in te zien, dat wij de orde der Kerk (met hoofdletter!), nu deze de ambten voor de vrouw heeft opengesteld, zullen moeten eerbiedigen, wil geen toestand van wetteloosheid ontstaan?

Wij hebben juist op het woord van de apostel gewezen, hoe men in Gods huis (d.i. de gemeente) moet verkeren. Welk recht heeft de synode om van dit apostolisch woord af te wijken en van hen, die zoeken dat in het geloof te eren, te eisen, dat zij de eigenwillige inzettingen van mensen eerbiedigen boven het woord der Schrift? De synode is geen burgehjke regering en de kerk is gebonden aan het Woord Gods.

S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

IS DAT WEL JUIST ?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's