DE DORDTSE LEERREGELS
Hoofdstuk III/IV, artikel 4. Wel is waar, dat na de val in de mens enig licht der natuur nog overgebleven is, waardoor hij behoudt enige kennis van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid tussen hetgeen betamelijk en onbetamelijk is, en ook betoont enige betrachting tot de deugd en tot uiterlijke tucht. Maar zó ver is het vandaar, dat de mens door dit licht der natuur zou kunnen komen tot de zaligmakende kennis Gods, en zich tot Hem bekeren, dat hij ook in natuurlijke en burgerlijke zaken dit licht niet recht gebruikt; ja veel meer ditzelve, hoedanig het ook zij, op onderscheidene wijze geheel bezoedelt en in ongerechtigheid ten onder houdt; en dewijl hij dit doet, zo wordt hem alle verontschuldiging voor God benomen.
Wat kan de mens doen met dit overgebleven licht der natuur? De remonstranten leerden, dat hij er de zaligmakende genade mee kan bereiken. De roomsen leren, dat de mens alleen maar verwond is. Rome wil weliswaar aan de genade van Christus niet te kort doen, zoals zij zeggen, doch deze Kerk bestrijdt de reformatorische leer van het totale bederf. Rome lijkt wel wat op de wijsgeer Kant, die het radicaal boze van de mens leerde, maar toch in eens iets ontdekte, dat goed moest zijn. In Trente werd beleden, dat alle mensen in de val van Adam hun onschuld verloren hebben, onrein zijn en kinderen des toorns, verslaafd aan de zonde en onderworpen aan de dood. Men zou haast denken aan een reformatorische belijdenis. Doch het slot van deze verklaring luidt, dat toch in ons mensen de vrije wil geenszins is uitgeblust al is zij dan verzwakt. Rome komt er tenslotte toe om te leren, dat de mens een natuurlijke hefde tot God kan voortbrengen.
Wat is de reformatorische leer? Dat de mens een vrije wil heeft maar alleen ten kwade. Hij is geneigd om God te haten, haat Hem vrijwillig, doch heeft God uit en van zichzelf nooit lief. De mens kan het brengen tot een uiterlijke en burgerlijke zedelijkheid, maar hij doet zijn goede dingen nooit geheel uit de rechte beweeggrond, dus nooit uit liefde en gehoorzaamheid jegens God alleen. De eigenliefde en de eigenbegeerte bepalen de goede werken mee. Heeft het dan zin om goede werken te doen? God beloont de natuurlijke en burgerlijke goede werken met tijdelijke weldaden. Maar tegenover de volstrekte eis van Gods wet zijn de goede werken zondig en verdoemelijk.
In geestelijke dingen kan de mens niets goeds doen, omdat zijn geestelijk oog blind is voor elke zaligmakende kennis Gods en zijn wil slechts dit kan en wil doen en volbrengen wat tegen Gods welgevallen is.
Daar is alzo een natuurlijk licht, maar het is ongenoegzaam tot zaligheid. De mens gebruikt het niet goed. Zelfs in natuurlijke en burgerlijke zaken gebruikt hij het verkeerd. Bovendien: de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn. Dat God een volkomen gerechtigheid en heiligheid eist en dat de rechtvaardige Rechter de kleinste zonde met de hoogste straf moet straffen, de natuurlijke mens begrijpt er niets van. Daarom zegt artikel 4: „Maar zover is het vandaar, dat de mens door dit licht der natuur zou kunnen komen tot de zaligmakende kennis Gods en zich tot Hem bekeren, dat hij ook in natuurlijke en burgerlijke zaken dit licht niet recht gebruikt".
De Leidse Synopse, de dogmatiek der 17e eeuw, leert, dat de gevallen mens in natuurlijke en burgerlijke zaken het goede niet alleen met het verstand kan begrijpen, doch ook door de wil liefhebben, door de genegenheid zoeken, door de krachten bereiken. Maar hoewel dit kan, heerst toch vanwege de kracht der begeerlijkheid een grote zwakte en volgt de wil dikwijls niet de onderwijzing van het verstand, maar het slechtere deel, de aandrijving en de leiding van de hartstochten. De duivel ook, die krachtig werkt in de ongelovigen, houdt niet op deze zotte natuur aan te vuren en haastig te storten in vele misslagen, zodat de burgerlijke gerechtigheid vaak een grote verwarring schijnt.
Hoe komt het dan, vragen we, dat de wereld na de val nog niet veel slechter is? En hoe komt het dat er nog zoveel betrekkelijk goede daden geschieden?
Calvijn had daar de volgende kijk op. Naar de Schrift is het ganse geslacht van Adam verdorven. Ook al worden niet alle zonden in ieders leven openbaar, toch ligt het kwaad in ieders hart besloten. Maar wat-moeten we dan denken van hen die „met de natuur als leidsvrouw hun gehele leven door naar de deugd hebben gestreefd? " Moeten wij met het oog op hen niet het totale bederf des mensen loochenen of deze deugden ontkennen? Calvijn loochent het totale verderf niet doch evenmin de deugden. In deze deugden ziet hij Gods genade, die de verdorvenheid weliswaar niet wegneemt, doch in bedwang houdt. Als God ieders gemoed liet gaan zou de wereld van het kwaad er nog geheel anders uitzien. In welke mate houdt God nu het kwaad in bedwang? „Voorzover Hij ziet, dat dienstig is, tot het onderhouden van het geheel der dingen". Dus de verdorven mens brengt nog wel enige dingen voort die goed schijnen, maar dat komt door Gods genade en die dingen hebben geen waarde voor het hemelse gericht, want zij verdienen de gerechtigheid niet.
Daar is een verschil tussen de billijkheid van Titus en de wreedheid van Nero. Nochthans verdient Titus niets, want zijn overeenstemming met het goede is een geschenk Gods. Wanneer is een goed werk voor God goed? Als een werk op God gericht is om Hem te dienen en te eren. Dus er is verschil onder de mensen en toch is ieder in wezen voor Gods aangezicht en gericht, volkomen bedorven.
Alzo is er niets van reinheid in de mens overgebleven, maar door de gave Gods zijn er glinsterende vonkskens. De rede is niet geheel vernietigd en de wil is wel gekluisterd doch niet weggenomen. Gods gaven weerhouden de mens van veel kwaad, maar ook die gaven gebruikt de mens om te tonen, dat zijn wezen van God is afgekeerd. Het totale verderf wordt door deze gaven niet verminderd. In de aardse zaken blijkt soms dat de natuurlijke mens met uitnemende gaven Gods versierd is, maar in geestelijke zaken is deze zelfde mens louter duisternis. Dus wat is het eigenlijke totale verderf van de mens? Dat hij van God is afgekeerd. Hoe staat het met de aardse dingen? Daarin kan de mens met zijn natuurlijke gaven tot belangrijke zaken komen. Is de mens dan niet geheel verdorven van verstand, wil en gevoel? Jawel, maar deze natuurhjke gaven zijn een genade Gods.
Zo heeft ook Kuyper geleerd, dat in de gevallen mens genade werkt, tot stuiting van het verderf, dat in de zonde woont.
Dit licht der natuur nu wordt niet recht gebruikt voor het aardse leven, zo hebben we gezien, en de mens kan er helemaal niet mee komen tot zaligmakende kennis. In de dertiger jaren dezer eeuw is er nog al eens gehandeld over een aanknopingspunt, dat in de mens gevonden zou worden. Daar zou een ontvankelijkheid in hem zijn voor geloof. De mannen van het aanknopingspunt vergeten meestal er bij te zeggen, dat de mens van nature meestal geneigd is om God te haten. Punt, uit. De mens is nog mens en God heeft hem veel gaven doen overblijven, doch met al zijn gaven keert hij zich van God af en tegen God. Hij is een vijand van God. Daarin bestaat ons algeheel verderf. Het goede dat God hem nog gelaten heeft en geschonken heeft gebruikt hij zelfs voor het aardse leven niet recht en voor hemelse zaken houdt hij het „in ongerechtigheid ten onder". Onze gedachten gaan bij deze uitspraak vanzelf naar Rom. 1. Daar lezen we in vers 18 van de toorn Gods, die geopenbaard wordt over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. Waarheid is de kennis van Gods majesteit en onze onderworpenheid en verantwoordelijkheid. Door de zonde te doen duwen zij dit besef weg. In de natuurlijke mens is een kennis van God, want de onzichtbare dingen worden openbaar in de schepping. In de schepping openbaart zich Gods eeuwige macht en goddelijkheid. Uit die schepping stroomt onderwijs en eis van onderworpenheid tot de mens. Dit wordt in het verstand opgenomen. Romeinen 1 : 20 zegt: „Want zijn onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien". De Schrift merkt de gevallen mens dus aan als een schepsel, waaraan God zich te kennen geeft. De mens is met deze openbaring werkzaam. Het licht der natuur neemt hij op. „Ondanks alle verdorvenheid der goddeloze mensen betuigt God Zich dus aan hen en blijven zij daardoor de mogelijkheid bezitten Zijn openbaring in zich op te nemen. Zij blijven in de noes (de mens in zijn diepste innerlijke zelfbewustzijn) de stralen van het goddelijk licht opvangen; zij blijven geconfronteerd met Gods eeuwige kracht en goddelijkheid, die hen in hun menszijn aanspreken en hun in deze goddelijke overmacht ook niet verborgen blijven." (H. Ridderbos.)
Het eerste gevolg is, dat zij niet te verontschuldigen zijn. Maar luisteren naar deze openbaring doet de mens niet. Hij kent God, maar erkent Hem niet. Direct gevolg daarvan is, dat de opgroeiende mens de kennis Gods verliest. Het verstand wordt duister. Wat de geschiedenisboeken Verlichting noemen is Verduistering. „Het hart, dat zich in onverstand van God afwendt, geraakt steeds meer het spoor bijster, niet alleen ten aanzien van God, maar ook van het menselijk leven zelf." Twee gevolgen heeft dus het loslaten van het licht der natuur. De mens gaat de afgoden dienen en daarin de schepselen tot god maken en hij vervalt in gruwelijke zonden. Hij heeft begrip van wat betamenlijk en onbetamenlijk is, doch kiest in de regel toch verkeerd. Men moet maar eens horen hoe in de wereld echtscheiding en allerlei zonden goedgepraat worden. Daar is enig licht der natuur. De mens gebruikt dit echter verkeerd, doet de zonde en houdt de waarheid, levende in ongerechtigheid, ten onder.
Wat heeft de mens met dat licht der natuur gedaan? Hij heeft zich met dat licht van God afgewend. Hoe meer natuurlijke kennis en hoe meer natuurlijke gerechtigheid hoe verder van God. Dat kan men vaak zien. De mens kiest het verkeerde met al zijn licht der natuur en met al zijn kleine overblijfselen. Hij neemt Gods openbaring niet aan. Hoogmoedig zijnde op z'n eigen verlichting stelt hij er geen prijs op God te blijven erkennen. „En gelijk het hem niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen ook overgegeven in een verkeerde zin" (Rom. 1 : 28). De mens heeft wetenschap genoeg. Hij betoont het werk der wet geschreven in zijn hart (Rom. 2: 14). Maar hij heeft een vijandschap tegen God, waardoor hij zich niet aan de Almachtige onderwerpt. Hij bezoedelt het licht.
In de woorden van Rom. 1 : 28 ligt uitgedrukt hoe laatdunkend de mensen tegenover God staan. Zij hebben God als een te verwaarlozen grootheid uitgeschakeld. Zij achten het niet nodig om God in Zijn openbaring te erkennen en te gehoorzamen. „En dewijl hij dit doet, zo wordt hem alle verontschuldiging voor God benomen". Ieder mens weet, dat God bestaat. Men noemt tegenwoordig het atheïsme humanisme, omdat men zich blijkbaar voor de naam atheïst schaamt. Daar gaat een krachtige sprake uit van schepping en geweten. Daarom zullen in de dag des oordeels ook de boeken der consciëntie geopend worden. Ook de humanist zal moeten erkennen, dat hij het wel geweten heeft, maar dat hij God niet gewild heeft. De kleine overblijfselen zijn genoegzaam om de mens alle onschuld en alle verontschuldiging te benemen. Dat is de kracht van het licht der natuur.
L. V.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's