Calvijn OVER DE ONDERGANG DER KERK
Vele mensen in onze kringen staan zeer afwijzend tegenover de Hervormde Kerkbouwactie 1959, omdat ze geen verwachting hebben voor de toekomst van de Hervormde Kerk. En inderdaad kunnen vele verklaarbare en redelijke bezwaren tegen de kerkregering worden aangevoerd.
Wij hebben daarop reeds gewezen in het nummer van ons orgaan dd. 13 aug. jl., waarin het standpunt van het Hoofdbestuur werd uiteengezet met de slotsom: niet negatief ondanks de bezwaren en ondanks de vraag: wie zal van deze nieuw te bouwen kerken gebruik maken? Wij weten dat niet, als we op richtingen en mensen zien, al is het moeilijk te geloven, dat in al die voorgenomen kerken het Woord zuiver zal worden bediend. Doch, als die kerken er komen, is er toch ook verwachting, dat het nog vruchten voor de eeuwigheid zal dragen. Bovendien wij weten niet, wat de toekomst brengen zal.
De toekomst der Hervormde Kerk kennen wij niet, maar, hoe kan men nog verwachting voor haar toekomst hebben? zo antwoordt èèn uit een koor van twijfelaars, ernstige en oppervlakkige twijfelaars, mismoedige en bezorgde mensen.
Wat zullen wij daarop zeggen? Het gaat over de Hervormde Kerk, d.w.z. over het kerkelijk instituut, dat wij zo noemen.
Of dat toekomst heeft, is een andere vraag dan deze: of de Kerk van Christus toekomst heeft.
Wacht even, niet zo haastig, het kon wel eens wezen, dat de kerkelijke instituten een taaier bestaan in deze bedeling zullen hebben dan de Kerk des Heeren, al zal deze nooit geheel ontbreken. Wij lezen toch, dat de vrouw vlucht in de woestijn en dat de profeten, de getuigen Gods, gedood worden op de straten (Openb. 12 : 1-6; 11 : 1-13). Denken wij ook aan Lukas 18 : 8: „Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op aarde? "
De Schrift geeft waarlijk geen grond om aan te nemen, dat tegen het einde der wereld een bloeiende Kerk op aarde zal worden gevonden. Om een plaats te noemen, men leze het tweede hoofdstuk van Paulus' tweede brief aan de Thessalonicensen, b.v. het elfde vers: „En daarom zal hun God zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven". Ook spreekt hij van een grote afval, die komen moet (vs. 3).
Dat behoeft alles nog niet te betekenen, dat de kerkelijke instituten verdwijnen. Die kunnen zelfs nóg wel dienen om de afval te bevorderen. Niet zelden zijn ze in dagen van reformatie en geestelijke opwekking met hulp der overheden tot stand gekomen en machtig geworden. Wij denken aan de ontwikkeling van de Roomse Kerk uit de oudchristelijke kerken sedert de eeuw van Constantijn, en aan de landskerken ten tijde der reformatie. Kerkelijke eenheidsinstituten zijn bovendien zeer vatbaar voor ontaarding en vervlakking. Het officieel karakter van landskerkelijke instituten maakt, dat het lidmaatschap van zulk een organisatie niet alleen afhankelijk is van een aan de christelijke religie eigene drang tot geestelijke gemeenschap, maar ook samenhangt met burgerlijke belangen, als het al of niet in aanmerking komen voor openbare betrekkingen en ambten.
Niet alleen tengevolge daarvan, maar toch ook daardoor is het met de tuchtoefening in de officiële kerk kwalijk gesteld. Van een geloofsgemeenschap overeenkomstig de confessie is na een paar generaties niet veel meer over. De kerkelijke belijdenis wordt allengs tot een museumstukje, terwijl buiten de groepen, in wier geloofsleven zij een levende wortel heeft, een leervrijheid gaat heersen, waarin zich de wijsgerige denkbeelden en de critische beschouwingen van de tijd weerspiegelen. Deze ontwikkeling moet als een van de voornaamste oorzaken worden aangezien van het verschijnsel, dat men de Heilige Schrift nog wel als enige regel van geloof en leven prijst, terwijl het in werkelijkheid een dode uitdrukking is geworden. Want zij, die met de kerkregering belast zijn, zijn in meerderheid reeds zozeer van deze regel vervreemd, dat zij er niet aan denken haar normen voor geloof en leven der kerk te erkennen en daarnaar oordeel en gedragingen te schikken.
Met welk gevolg?
Dat naar andere normen dan de door de confessie aangewezen regel des geloofs wordt geregeerd en gehandeld, normen, die door de heersende beschouwingen aangaande de voorkomende kerkelijke aangelegenheden worden bepaald. De ware kerk, voor zover nog in het instituut tegenwoordig, wordt daardoor ten zeerste gedupeerd en zelfs mishandeld.
De ervaring leert, dat het zo is. Intussen boet het instituut in die weg zonder enig beding het profetisch karakter der kerk in. De voorstanders bogen gewoonlijk op hun aanpassing aan de cultuur, aan de inzichten en behoeften van hun tijd. Doch al, wat zij daarbij uitvinden, kan in geen enkele opzicht vergoeden, laat staan nieuwe winst aanbrengen, voor het verlies van de regeneratieve kracht, die er van het waarachtige geloof in het Evangelie der Schriften uitgaat, niet alleen op het kerkelijk leven, maar ook op het leven in staat en maatschappij.
Iedereen, die nog belangstelt in de dingen van het Koninkrijk Gods, kan weten, dat het met de Hervormde Kerk niet beter staat en dat zij reeds een ontstellend eind is gevorderd in deze weg van ontaarding. Een merkwaardig getuigenis daarvan vermeldt de N.Rott.Crt. dd. 28 september j.l. in een verslag van de conferentie der Zwingli-beweging. Een der sprekers moet daar volgens dat verslag gezegd hebben: „Sinds de Synode van de Hervormde Kerk een duidelijke uitspraak van Paulus over het zwijgen van de vrouw in de gemeente onder de tafel heeft gewerkt, is het begrip Schriftgezag een paskwil geworden". En dan gaat hij verder: „Want Paulus heeft er nog wel bij gezegd, dat dit een woord des Heeren was, dat hij aan de gemeente meegaf. Als desondanks de synode zegt, dat Paulus hier spreekt als kind van zijn tijd en van zijn omgeving, rijst de vraag, of dit dan ook niet het geval was, toen hij zijn verzoeningsleer opstelde".
Wij kunnen niet aannemen, dat de vrijzinnige woordvoerder deze gang van zaken betreurt, maar gelijk heeft hij, en dezelfde dingen zijn van onze kant herhaaldelijk opgemerkt, o.a. ook met verwijzing naar 1 Cor. 14 : 37. Door de handelingen van de synode, die, zoals de aangehaalde spreker zegt: , , het begrip Schriftgezag tot een paskwil hebben gemaakt", wordt het ganse instituut meegesleept en worden de zelfstandigheid en de rechten der plaatselijke kerken opnieuw aangerand. Dat zal duidelijk worden, als men bedenkt, dat enige honderden plaatselijke kerken er geen ogenblik over zouden denken om in strijd met zo duidelijke Schriftuitspraken de vrouw tot de ambten toe te laten. Dat zullen zij ook nu niet doen, doch als er zich conflicten voordoen worden die veroorzaakt door het eenheidsinstituut.
Dat eenheidsinstituut zal als organisatie van levens- en wereldbeschouwelijke aard nog wel overeind blijven in de saamhang met andere van die soort, maar als Kerk is het instituut bezig van het fundament der apostelen en profeten af te glijden. Of om een ander beeld te gebruiken: Het instituut is bezig op het fundament der kerk hooi, stro en stoppelen te bouwen. Het komt beide op hetzelfde neer: voor zover de Hervormde Kerk nog kerk is, werkt zij op deze wijze aan haar ondergang en moge zij de vermaning van Calvijn ter harte nemen:
„Maar toch, zodra in de burcht der religie de leugen is binnengedrongen, de hoofdsom der noodzakelijke leer is verbasterd en het gebruik der sacramenten is ternedergestort, volgt ongetwijfeld de ondergang der kerk, evenals het met het leven van een mens gedaan is, wanneer zijn hals doorboord is, of zijn ingewanden dodelijk gewond zijn". (Inst. IV.2.1.).
Velen zullen dit niet zo ernstig nemen, want men spreekt tegenwoordig van een neo-orthodoxie, welke klaarblijkelijk recht wil laten gelden op de waardering orthodox, hoewel zij het eerste en voornaamste kenmerk daarvan verwerpt.
Het geloof, dat in gemeenschap met de belijdenis der vaderen belijdt, ontvangt de Heilige Schrift als Gods Woord en geen dusgenaamde bijbelwetenschap is competent en bij machte om dat geloof omver te werpen. Ook is dat geloof niet afhankelijk van een „inspiratiedogma", zoals sommigen menen, maar het geloof is een gave Gods en vrucht van de werking van Woord en Geest. Deze werking kan nooit onder de controle van de menselijke wetenschap vallen.
Met die z.g. neo-orthodoxie is het echter wel zo, dat zij het Schriftgeloof der belijdenis loslatende er ten stelligste toe medewerkt, dat het leergezag zich niet zal richten naar de Heilige Schrift, maar door de synode zal worden bepaald. Ook' in dit opzicht heeft de vrijzinnige woordvoerder, die wij boven citeerden, uit het verslag van de conferentie der Zwinglibeweging rake dingen gezegd:
„Prof. dr. H. de Vos komt in zijn boek Het christelijk geloof tot de uitspraak dat niet alles wat in de Bijbel staat bijbels, d.w.z. van wezenlijke waarde is. Doch wie wijst dit aan: prof. De Vos of de Raad voor kerk en theologie bijv., of de synode bij meerderheid van stemmen? Als wij de zaken zo bekijken, zo besloot ds. Van Rossum, dan blijkt hoe onzinnig de kerkelijke situatie geworden is sinds de leertucht in de kerkorde is vastgelegd, want de in de kerkorde neergelegde leertucht moet tenslotte uitlopen op een onfeilbaar leergezag dat door de synode wordt uitgeoefend. En dan is spreker haast geneigd te zeggen: liever één paus in Rome dan vijfenveertig in Woudschoten!"
En moeten wij dan werkeloos toezien?
Of is het onze taak en roeping om met kracht te protesteren en te getuigen en bovenal met toenemende belangstelling en hartelijke bezorgdheid op de gang der kerkelijke zaken te letten, opdat ons gebed vermenigvuldigd worde?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's