Maria bij Luther 2
Dé oudste uitlatingen van Luther over Maria dateren uit de tijd dat hij nog geen flauw idee had van de taak waartoe hij in de toekomst zou worden geroepen, namelijk Reformator der kerk te zijn. Hij leefde nog geheel binnen de roomse kerk, in de sfeer van het kloosterleven, waarin de Mariaverering — zoals we de vorige keer zagen — een belangrijke plaats innam. Toch is er in 1516 — want pas uit dat jaar zijn enkele uitspraken van Luther over Maria ons bewaard gebleven — al heel wat gepasseerd in Luthers innerlijke leven, en heeft hij althans één grote ontdekking mogen doen, deze dat de gerechtigheid die voor God geldt een gerechtigheid is die Hij ons schenkt in Jezus Christus door het geloof.
Vanzelfsprekend bleef deze ontdekking niet zonder betekenis voor Luthers theologie en prediking. Al vrijmoediger begint de jonge professor zijn nieuwe inzichten vanaf kansel en katheder te verkondigen. Vooral de bestudering van Paulus, wiens Romeinenbrief hij zojuist voor de studenten heeft uitgelegd, heeft hem een stuk verder gebracht, zoals hij later zelf getuigde.
In een Paaspreek op 23 maart 1516 over de Opstanding van Christus komt Maria ter sprake — voorzover wij weten voor de éérste maal in zijn prediking, maar dat is lang niet zeker, want verreweg de meeste preken uit Luthers allervroegste tijd gingen verloren. De aanleiding tot dit spreken over Maria is allerminst gezocht, want was Maria niet een van de vrouwen die op Paasmorgen het graf van de Opgestane bezochten. Maar merkwaardig is dat Luther nu al een polemische opmerking laat horen. Hij laakt het dat velen over Maria zo vleselijk oordelen en met een gevoel van vleselijke piëteit jegens Maria vervuld zijn. Luther heeft dus nu al dóór dat de Mariaverring, zoals die in de kerk en vroomheid van die dagen leefde, verre van gééstelijk is, hij noemt ze vléselijk.
Toch moet men hier ook weer niet te veel in lezen. Luther is er namelijk nog lang niet aan toe deze verering zonder méér te bekritiseren, laat staan ze te veroordelen.
Dat blijkt wel uit een volgende preek van enkele maanden later, nl. 2 juli 1516, 'n preek over Lukas 1 : 39 v.v., gehouden op een Mariafeest. Hier spreekt Luther eerst over Elisabeth. Hij prijst haar omdat ze met een „wonderlijk licht" vervuld is geweest, zodat ze in Maria de Moeder Gods herkende.
Aan Maria kent Luther echter nog groter lof toe. Hij noemt haar de „gelukzalige Maagd" (virgo beata), 'n zeer reine „vereerster van God" (cultrix Dei). Van belang is echter er op te letten waarom Luther Maria boven Elisabeth stelt. Hij doet dat op grond van de inhoud van haar Lofzang. Prees Elisabeth Maria, Maria prijst God! Zij is degene die in alle dingen God ziet, zich aan geen enkel schepsel hecht, maar alleen aan God — dat is het waarom zij eer verdiend boven Elisabeth. Tegelijk laat Luther ook nu weer een paar polemische opmerkingen horen, die duidelijk gericht zijn tegen de vroomheid van zijn dagen. Velen — zegt hij — maken God wel groot met de tong maar hun hart maakt intussen andere dingen groot, aangezien het op die andere dingen vertrouwt meer dan op God. Deze mensen scheldt hij dan vervolgens uit voor halve Joden, die evenals de Samaritanen tegehjk hun afgoden en God vereerden.
Op Maria Hemelvaart, 15 augustus 1516, preekt Luther weer over Maria. De tekst is nu uit de Lofzang zelf, Lukas 1: 48 en 49. Hij gaat dit keer vooral in op de woorden: „Want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten". Al dadelijk stelt hij de „beroemde Maagd" tot voorbeeld. Wat een ware nederigheid en reine dankbaarheid! Immers Maria brengt in het geheel niet haar eigen verdiensten naar voren, roemt niet in haar geloof en bereidwilligheid, en dat ze zoveel gedaan heeft, en dat ze van koninklijke afkomst is, en dat ze de Zoon van God ontvangen heeft. Niets daarvan. Ze brengt geen enkel wérk naar voren, ze belijdt slechts dat ze passief, dat wil zeggen door Gód Moeder werd. Ze noemt zich niet iemand-die-goedewerken-dóet, maar iemand-die-goedewerken-ontvangt 1). Ze geeft God de eer. En zij die haar „zaligspreken" moeten dat ook doen! Ze moeten geen aandacht aan Maria schenken, maar Gód eren. Dan roept Luther uit: O schone Maagd, hoe herleidt ge alle dingen tot God! Maar onmiddellijk daarop: Hoe onwaardig wordt God tegenwoordig van Zijn eer beroofd! Wil Luther hiermee élke aandacht voor Maria wegnemen? Even lijkt het zo, maar nee toch vergissen we ons, want terstond hierna vermaant hij zijn gemeente: Het betaamt elk christenmens om met een vroom gevoel deze Maagd hulde te brengen, zich mét haar te verheugen en te danken, omdat zij het is door wie ons de vrucht des levens (d.i. Christus) is geschonken. Ge verheugt u terecht — zo gaat Luther verder — want de Heere heeft niet alleen aan haar grote dingen gedaan, omdat Hij ze aan haar heeft gedaan, heeft Hij ze ook aan óns gedaan. Immers zij had niets, wat niet ook wij hebben. Zij droeg Gods Zoon in haar schoot, maar wij in het hart. Zij was Zijn lichamelijke moeder, maar Christus heeft gezegd: Wie de wil Mijns Vaders doet, die is Mijn moeder, broeder en zuster. Zij heeft Christus omhelsd met haar armen, wij omhelzen Hem met onze vurige gevoelens van liefde. O zalige Moeder! O zeer waardige Maagd, gedenk ons! bewerk dat de Heere ook aan ons deze grote dingen doet!
Hiermee eindigt de preek ten naastenbij. De lezer zal wel begrijpen dat er nog wel het een en ander over te zeggen is. Om te beginnen met de laatste woorden: O zalige Moeder enz., het kan ieder duidelijk zijn dat dit nog rooms is, die uitroep alleen al. Maar in ieder geval wat er op volgt, de woorden: Gedenk ons, bewerk dat... Luther heeft blijkbaar nog niet geheel gebroken met de gedachte, dat Maria Middelares is. Hij heeft het hier namelijk over de hemelse Maria, niet over de aardse. Deze Maria roept hij aan om haar voorbede. Ze kan iets bij God „bewerken". Elders in een preek heeft hij al gezegd, dat zij ons „vrolijk dient" en ook daar bedoelde hij de hemelse Maria.
Ieder voelt dat dit nog geheel past in de roomse vroomheid. We willen dat echter wat toelichten. Maria wordt in de roomse vroomheid, volgens Friedrich Heiler, op tweeërlei wijze gezien en benaderd. Enerzijds is ze de Moeder Gods, anderzijds de Koningin des hemels of wel de Dame. Speciaal als Moeder Gods roept men haar aan om haar voorbede en hulp, want ze is als zodanig Medeverlosseres. Zij staat, althans in de volksvroomheid, veel dichter bij het hart van de vromen dan Christus. Die is namelijk evenzeer Rechter als Verlosser. Het strenge en geweldige dat God de Vader eigen is, heeft men ook op Christus overgebracht. Er zijn afbeeldingen uit Luthers dagen ons bekend waarop men Christus als de Rechter ziet zitten op de regenboog, Maria staat er bij om Zijn toorn af te wenden. Dergelijke afbeeldingen hebben in zijn jonge jaren op Luther een geweldige indruk gemaakt. Wel kent de roomse vroomheid ook een gekruisigde Christus en ongetwijfeld staat Hij als zodanig dichter bij hen; men vindt zelfs in elk gezin een crucifix. Dat heeft evenwel niet verhinderd, dat als Voorspraak bij God Maria sterk op de voorgrond is gekomen. Haar vrouwelijke gestalte is voor het roomse volk zoveel inniger en aantrekkelijker dan Christus zelf. Tot haar richten zij hun gebeden. Zij is het, die — naar hun voorstelling — door haar gebed de toorn des Vaders kalmeert en de ten oordeel uitgestrekte hand van de Zoon tegenhoudt; die Hem haar moederlijke borsten toont (zie roomse Maria-afbeeldingen!) om Zijn strafgericht over arme zondaren te verhinderen. Zij is het ook die in alle aardse noden als een Verlosseres en Helpster optreedt. „Maria help ons!" dat zijn de woorden waarmee iedere roomse haar hulp inroept. Ook de ontwikkelden onder hen en de theologen. Een man als Bernard van Clairvaux bad: „Gedenk, o goede Maagd, dat het nog nooit gehoord is, dat iemand die tot U zijn toevlucht nam, U aanriep om hulp en om Uw voorbede smeekte, door U verlaten is geworden".
Dit over Maria als Moeder Gods. We behoeven niet te zeggen dat het ons, als reformatorische christenen deze verering van Maria niet ligt. Wij horen en zien daar — terecht — een bedreiging in van algenoegzaamheid van het werk van Christus, en bovendien een verschrikkelijke afgoderij. We belijden Christus als onze énige Voorspraak bij de Vader, als de énige door wie wij tot God gaan.
Zo heeft Luther het later ook gezien en geleerd. Maar nu in 151.6 nog niet. Wel klinkt zijn aanroeping van Maria om haar voorbede al vrij mat; eigenlijk past ze al niet meer bij wat hij overigens over haar heeft gezegd, maar toch spreekt hij haar nog uit.
Dat is echt Luther. Geen radicale vernieuwer, maar een man die van stap tot stap verder komt, en dan ook van geen terugkeren meer weet.
Tegenover zijn nog roomse aanroeping van Maria staan trouwens vele andere dingen in deze zelfde preek. Men lette er op hoe hij er nadruk op legt, dat Maria niet roemde in eigen verdienste en werk, ook niet in haar „bereidwilligheid" — iets wat de roomse Maria-leer heel sterk accentueert. Maria is niet de mens die zelf meewerkt tot het verkrijgen van het heil, ze ontvangt het. Hier bemerken we de invloed van Luthers nieuw inzicht in de vrije genade en de rechtvaardiging door het geloof.
Ook verdient het aandacht, dat hij Maria naast óns zet, en ons naast Maria. Daarmee ontdoet hij Maria van het goddelijk aureool dat ze in de roomse theologie en vroomheid draagt. Wel ontkent de roomse theologie dat Maria als godin wordt vereerd, en verbiedt ze de aanbidding van Maria, maar het is zeer de vraag of ze dat wel kan. Zelfs de grote Mechthild van Maagdenburg — aldus Heiler — heeft Maria als een „edele godin" aangeroepen. En we kunnen gerust zeggen, dat ze voor het gewone volk dat zeker is. Dat weet in de praktijk ook geen raad met een theologische onderscheiding als die tussen „aanbidding" en „verering", haar Mariaverering is Mariaaanbidding.
We hebben het nu echter ongemerkt al over het twééde aspect dat Rome aan Maria toekent, namelijk dat zij de Koningin des hemels, de Dame is. Dat dwingt als vanzelf tot aanbidding. Maria is daarmee aan al het aardse ontheven. Ze heeft niets meer gemeen met de nederige maagd uit Nazareth, zoals de bijbel ons haar doet kennen. De roomse Maria is verre van de bijbelse Maria. Het is Luthers verdienste dat hij Maria weer tot haar aardse proporties heeft teruggebracht. Dat vinden we al in onze preek uit 1516 en daarna in toenemende mate. Hier is Maria iemand die op ons weinig of niets vóór heeft. Wel droeg zij Gods Zoon in haar schoot, maar wij dragen Hem in ons hart. Deze woorden verraden duidelijk de invloed die Luther in ditzelfde jaar 1516 ondergaat van de duitse mystieke geschriften met name de preken van Tauler, maar ze zijn tegelijkertijd een bewijs van de grote veranderingen die zich in heel zijn leven en denken bezig zijn te voltrekken. Maria was een gewone christin, en al wat ze had, had ze ook maar gekregen. Daarmee wordt ze niet van haar eer beroofd, maar ontvangt ze de ware eer. Meer nog dan in déze preek zal Luther in het vervolg haar geloof ter sprake brengen, niet als verdienste maar als het enige waardoor de genade kan worden ontvangen, zó dat ze genade blijft.
Daarover de volgende maal.
(Wordt vervolgd.)
1) Receptrix bonorum operum, non operatrix.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's