KRONIEK
De ambtsaanvaarding van prof. Jonker — Van „herderlijke zorg" — Kerkbouwactiviteiten en „Kerkbouwactie" — Traditie en stijl.
Traditie en stijl hebben het niet breed in onze tijd vol van nivellerende invloeden en tendensen. De universiteit, kweekplaats, juister nog voedende moeder — alma mater — der wetenschappen handhaaft in menig opzicht de traditie en in verband daarmede naar buiten een stijlvol optreden. Het kan dan ook niet verwonderen, dat onlangs uit universitaire kring, kritiek werd geoefend op het feit, dat op de dag, waarop Vorstin en volk elkaar in traditievolle feestelijkheid ontmoeten — Prinsjesdag, de dag van de opening der zitting van de Staten-Generaal is al bijna een eeuw oud — de ministers der Kroon, onze vorstin niet opwachtten in ambtscostuum gekleed. Het deed weldadig aan, dat prof. I. A. Diepenhorst in de rubriek „Volk en Staat" voor de microfoon der N.C.R.V. dit nog eens weer signaleerde.
Evenwel, daarop had ik niet het oog in mijn aanhef. Ik had het voorrecht de oratio inauguralis, de rede, welke prof. dr. H. Jonker hield ter aanvaarding van het hoogleraarsambt aan de universiteit te Utrecht, bij te wonen, maandag 5 okt. jl. De uitnodiging spreekt van het „aanvaarden van zijn ambt met het houden van een redevoering". Zo was het vanouds. Die traditie is in zoverre verbroken, dat wie tot hoogleraar benoemd worden, gemeenlijk vóór hun oratio inauguralis reeds college geven, om de eenvoudige reden, dat het aantal nieuw benoemde hoogleraren dermate groot is, dat niet ieder aan bod kan komen met zijn intreerede, wanneer hij zijn arbeid wil aanvangen. Wel jammer, doch dat kan nu eenmaal niet anders, naar het schijnt.
Hoe dan ook, overigens was het die maandag, 5 oktober, traditioneel en stijlvol. De entourage werkt daartoe ook mede. Dergelijke oraties worden in de regel gehouden in het groot-auditorium der universiteit, de grote gehoorzaal of aula. Die is in Utrecht de voormalige kapittelzaal van de Dom, de zaal ook, waar in 1579 de Unie van Utrecht werd gesloten. Graaf Jan van Nassau had daarbij de leiding. Het is daarom wel zinvol, dat zijn standbeeld is opgericht op het plein vóór de uniyersiteit.
Men voelt, in een dergelijk milieu, waar de historie van kerk en staat de eeuwen door als het ware gestalte heeft en van grote daden getuigt, zijn traditie en stijl eis. Ze worden bij een dergelijke plechtigheid in ere gehouden. Alles en allen werken daartoe mee.
Maar tenslotte is dit, hoe waardevol op zichzelf, kader, omlijsting. Het komt aan op de oratie. Uiteraard handelt die over het vak of de vakken, waarin de inaugurerende hoogleraar onderwijs heeft te geven.
Prof. Jonker, die benoemd werd om onderwijs te geven in „wezen en geschiedenis van het apostolaat, bijbelse theologie en practische theologie", had als onderwerp gekozen: „Woord Gods en existentie als probleem der practische theologie". Naar ik vermoed was met die titel door hem wel bedoeld alle drie de terreinen, welke zijn onderwijs bestrijken moet, daarin te betrekken. In hoeverre hij daarin slaagde beoordeel ik hier niet.
In zijn toespraken richtte prof. Jonker zich o.m. tot prof. Severijn, zijn promotor, voor wie dit een vreugdevolle dag was, nu hij naast prof. v. d. Linde, ook deze onder hem gepromoveerde in de professorentoga vóór zich mocht zien. Het was heel jammer, dat de praeses van de Synode, dr. A. A. Koolhaas, voor wie het bijwonen dezer inauguratie zeker grote vreugde zou zijn geweest, door ernstige ziekte daarin verhinderd was. De Heere zij hem tot troost en sterkte in deze weg van beproeving.
Prof. Jonker zij licht des Geestes en de wijsheid, welker schatten in de Heere Jezus zijn, toegebeden, om aan de Universiteit van Voetius in het spoor van zijn grote voorganger, een zegen te zijn voor Kerk en Theologie, om zijn studenten uit de diepten van Gods getuigenis te onderwijzen wat hen vormen moet tot dienaren des goddelijken Woords.
Het kerkvolk heeft in zijn existentiële nood van thans daaraan grote behoefte.
In „Trouw", dd. 26 september jl., viel mijn oog op het hoofdartikel, dat als opschrift draagt: „Herderlijke zorg? ", van de hand van T. M. Gilhuis, die ook „Een deur geopend", handelend over het besluit van de Herv. Kerkeraad van Papendrecht, schreef een stuk, waaruit in de vorige Kroniek iets werd overgenomen. Terloops zij hier vermeld, dat in 'n raadsvergadering van Papendrecht in de week van 4-11 oktober jl., het voorstel werd aangenomen nog weer tot de hervormde kerkeraad ter plaatse het verzoek te richten bijbelonderwijs op de O.L.S. te doen geven en bij hernieuwde afwijzing zich te richten tot de andere predikanten. Er is, gezien dït verslag, dus een „weg terug". Doch daarover thans niet meer. We bepalen ons nu tot het artikel, boven aangeduid, dat nog weer het schoolvraagstuk onder onze aandacht brengt.
Het is afgestemd op „een les, geschreven voor lidmaten van de Ned. Herv. Kerk en uitgegeven door de Sectie Vormingswerk van de Raad voor Herderlijke Zorg". Het brochuretje draagt als opschrift: „Naar welke school? ".
„In een denkbeeldige „discussie" zegt G. — een soort „samenspraak" dus — wordt de schoolkeuze aan de orde gesteld. Men kan dit lezen in het volgende citaat:
„Brouwer, alias Oom Kees, verdedigt de christelijke school, een zekere Vaartstra de openbare en ten slotte komt ouderling Wijdemans binnen om namens de kerk te spreken".
Wat wordt nu namens de kerk gezegd? Ik geef het antwoord door in een derde aanhaling:
„Wijdemans voelt in deze kwestie niets voor dwang. Dat voert ons maar naar Rome of naar de Gereformeerde Kerk. Hij is blij met de christelijke scholen, maar hij vindt toch wel, dat de kerk er op zal moeten toezien dat in deze scholen een christelijke geest heerst en dat het onderwijs er goed is.
Broeder Wijdemans is ook blij, dat de Hervormde Kerk belangstelling heeft voor het openbaar onderwijs. Want de kerk heeft een taak ten opzichte van alle kinderen van ons volk. Vandaar ook de grote aandacht der kerk voor het godsdienstonderwijs op de openbare scholen, voor de vorming van christenonderwijzers voor het openbaar onderwijs, enz. En de slotwoorden van deze ambtsdrager zijn: „Ik wil best eens met je praten over de vraag, naar welke school Piet straks moet gaan.... Maar de beslissing zul je zelf moeten nemen". En daarmee is de les afgelopen."
Een klaar getuigenis is dit niet. Wel een „tenderen in de richting van de openbare school". Ik kan het niet anders zien; het bedroeft mij. En ik kan me begrijpen, dat de heer G. een vraagteken achter de titel van zijn stuk plaatste. Deze officiële instantie onzer kerk — „Sectie Vormingswerk van de Raad voor herderlijke zorg — stelt zich wel niet direct tegen de Christelijke school, maar ze beveelt haar ook niet aan. „De kerk zal er op moeten toezien, dat in deze scholen een christelijke geest heerst en dat het onderwijs er goed is". Dat schijnt voor het openbaar onderwijs niet nodig te zijn. Het wordt althans met zoveel woorden niet gezegd. Is het daar alles „botertje tot de boom? " In 1952 hadden we de deining rondom „Hardégarijp". Toen sprak de Synode ook ongeveer in dezelfde zin als nu de , .Sectie vormingswerk". Alleen ten opzichte van de openbare school sprak ze uit: „zorg te dragen dat het op de openbare school gegeven onderwijs zou gedragen worden door „de erkenning van en de eerbied voor het Evangelie" en sprak zij over „een mogelijke principiële herziening van de wettelijke kaders" van dit onderwijs".
Dat laatste ontbrak in „Naar welke school? " Is het overbodig? Ziin de „wettelijke kaders" thans doorbroken of verdwenen? Men weet beter. De openbare school zit nog „gevangen in de wettelijke kaders der neutraliteit" en „denkt er niet aan als school in de huidige situatie Christus als Heer en Meester te kiezen".
Ik weet wel, dat wij er ons voor moeten wachten het verleden te idealiseren. Maar als ik mij te binnen breng hoe in 1878, in de tijd dat in het volkspetitionnement, het „smeekschrift aan de Koning om een school met den Bijbel" door duizenden hervormde belijders, geleid door hun kerkeraden, werd getekend en daar nu naast leg het brochuretje „Naar welke school? ", uitgegeven door een officiële instantie onzer kerk, dan leeft verdriet in mijn hart over zoveel verandering en zulks niet ten goede. Gelukkig, God zij er voor gedankt, er zijn nog tal van kerkeraden in onze kerk, die hartelijk opkomen voor „de school met den Bijbel". Maar het is hard nodig, dat zij op hun hoede zijn en zich sterken en wapenen tegen een — latente — propaganda als waarvan ik repte. En eveneens, dat men in onze gemeenten, waar nog niet een christelijke school werd gesticht, zich daartoe opmake en de hand aan de ploeg sla. Het zal wellicht deining veroorzaken, onrust geven, en zo maar meer. Doch dit is verkieslijker dan „kerkhofrust".
Kerkbouw-activiteiten en acties zijn er in deze dagen in verschillende kerken gaande. Ter Generale Synode der Gereformeerde Kerken is de nood van de grote centra, die geen „stad zonder tempel" mogen blijven, willen ze nog niet meer „woestijn van de cultuur" worden, ter sprake geweest en besloten tot een collecte op een vastgestelde zondag. Ik meen, dat het 4 oktober jl. is geweest, want „Trouw" dd. 5 oktober jl. meldde van een doorbreking van het „collecterecord"; er was bijna één miljoen gulden gecollecteerd, met wat was toegezegd zou het er zijn. Dat wijst op een offervaardigheid, die even stil maakt. Daarvoor moeten we grote lof hebben. Als het verder zó gaat, zullen de 15 miljoen, waarom het begonnen is, er wel komen in het tijdsbestek van 10 jaren, er voor genomen.
Op de Synode van de Chr. Gereformeerde Kerken, dit jaar in Rotterdam gehouden en in de week van 4—11 oktober gesloten, is het probleem van de kerkbouw ook aan de orde geweest; of misschien juister: ook daar is gesproken van veel te weinig kerken, vooral in de sterk zich uitbreidende gemeenten, met name tussen Dordrecht en Rotterdam. Of tot een bijzondere actie of een speciaal voor dit doel bestemde collecte-zondag is besloten, heb ik niet gelezen. Het kan best zo zijn; het zou trouwens wel in de lijn liggen; doch dan is het mijn aandacht ontgaan.
En dan is er de Kerkbouw-actie van onze kerk, waartoe de Generale Synode in het voorjaar '59 besloot. Of en in hoeverre dit hervormd initiatief, waaraan de naam Sabel uit Zaandam nauw verbonden is, — getuige het rijmpje „uit synodale kring" afkomstig: „Geen torens van Babel, maar kerken van Sabel" —, stimulerend gewerkt heeft op de besluiten der geref. synode en de deleberatie der chr. geref. synode inzake kerkbouw, doet hier niet ter zake. Er is allerwege de drang kerken, nieuwe kerken te bouwen. Die drang op zichzelf is een zegen.
Zaterdag 26 september jl. is in de Domstad een massale bijeenkomst geweest in de Merwedehal, waarin vele hoge autoriteiten aanwezig waren, een sympathieke brief van Prins Bernhard werd voorgelezen, en minister Van Aartsen namens de regering een treffend woord sprak, de grote actie officieel begonnen. Het was de dag, waarop Eisenhower en Chroesjtsjow hun conferentie begonnen, waarnaar de gespannen verwachtingen uitgingen en waarvan men een werkelijke smelting van het ijs van de koude oorlog hoopt. Prof. Banning wees in zijn slotwoord op dit samentreffen. Een dag dus van werken des vredes.
Dat alles was loffelijk. En er is nog wel meer goeds van die dag te zeggen. Hij begon zo goed. Een bidstond, waarvoor de toeloop zo groot was, dat de Domkerk de schare niet kon bevatten en de Janskerk en de Buurkerk moesten worden ingeschakeld. Dat was naar oude traditie en in bijbelse stijl. Dat dr. Koolhaas even het ziekenhuis kon verlaten en de vergadering in de Merwedehal presideren, was eveneens een „der goede dingen".
Maar over het slot kan ik allerminst roemen. Het doet me leed, doch ik mag er niet van zwijgen. Ik bedoel het „Bewegingsspel". Met die naam noemden alle bladen, die ik erover las, het daarin gegevene, een spel, mede uitgevoerd door een ... „balletgroep" (verslag N.R.Crt.). Om de nood des tijds uit te beelden. Ja, dat neem ik aan. Maar zijn wij nu in ons kerkelijk leven zover verwereldlijkt, dat we de nood, de grote nood, niet anders kunnen benaderen en aanvoelen dan door een spel, waarin de dans een grote plaats inneemt? Dit is m.i. een stijl, die vloekt met die van het Evangelie. Het is voor mijn besef ook grenzenloos ontactisch van de commissie van organisatie geweest, dit bedrijf te wagen. Begrijpt men niet, dat het voor velen, die een afkeer hebben van dergelijk vertoon — het zullen heus niet alleen de mensen van de Geref. Bond zijn —, en die om allerlei hier niet nodig te noemen redenen met moeite gewonnen werden voor de actie, en door dit slotstuk nieuwe weerstanden in zich zullen voelen opkomen, zeer bezwaarlijk zal worden toch mee te doen? En voelde men niet, dat dit „gedurfde" bedrijf, voor velen ergerniswekkend moest zijn?
Prof. Banning, met prof. Van Niftrik en prof. Jonker, het drietal hooggeleerde sprekers vormend, zei in zijn slotwoord: „De Gereformeerde Bonders doen mee, de mensen van de midden-orthodoxie en die van de vrijzinnige richting. Zij allen doen mee". Door de microfoon hoorde ik, dat hij ze allen inschakelde in „de gemeente van Jezus Christus". Dat is voor zijn verantwoording. Maar die gemeente, gezien naar wat de Schrift er van leert, vraagt een andere stimulering en activering dan door een „spel der bewegingen", uitgevoerd met behulp van een „balletgroep". Het begin, de bidstond, was goed. Naar de traditie der Kerk. Het slot, het spel, was, gemeten aan die goede traditie, stijlloos. Voor mijn besef een smet op het geheel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's