De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De enige, levende hoop!

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De enige, levende hoop!

8 minuten leestijd

En nu, wat verwacht ik, o Heere? Miin hoop, die is op U. (Ps. 39: 8)

In het menselijk leven wordt maar al te vaak de hoop gevestigd op de dingen van deze aarde. De een verwacht het van, stelt z'n hoop op z'n bezit, de ander op z'n toekomst, de derde op weer iets anders. Steeds echter is het eindig en aan de tijd gebonden, daardoor beperkt en kort van duur. Wat een schrale hoop echter, als de hoop tot al deze dingen beperkt is, als er geen verder uitzicht gevonden wordt. Wat schraal, wat dor, wat arm ook om al z'n krachten in te spannen om dit of dat te bereiken, terwijl men alleen staat in dit leven zonder waarachtige hoop, zonder werkelijk uitzicht op de toekomst! Is ons leven niet een reis naar de eeuwigheid, hgt het doel van 's mensen bestaan niet ergens anders dan hier?

Daarom kan geen aardse verwachting blijvende troost bieden in alle moeilijke omstandigheden, waarin de Heere ons vaak brengt. Juist in die moeilijke omstandigheden komen we zo met onze hoop in de knel, wordt ons vaak zo alles uit de handen geslagen, dat men staande bij de puinhoop van wat men meende, dat zijn geluk was, vaak de vraag aan de orde stelt: Wat betekent het nog om te leven, waarom moet nu juist dit gebeuren, en juist dat mij overkomen? Dan zien we, dat het hopen op iets van tijdelijke aard betekent: op zand bouwen, betekent, dat men bij de eerste windstoot van z'n fundament losgeslagen wordt om meegesleept te worden in de maalstroom van twijfel. Nergens heeft men houvast, alle grond onder de voeten is men verloren, de hoop, die men koesterde, is verduisterd.

Maar het is nu juist op deze manier, dat merkbaar wordt, dat het juist de Heere is, die op deze onbegrepen en ook ongedachte wijze bezig is om ons ons einde te doen leren kermen.

Want te midden van alle raadselen, van alle verwarringen, te midden ook van de hopeloosheid vaak van ons leven is er nog één hoop overgebleven, een levende hoop, zoals we ze noemden, welke de Heere in Zijn genade ons wil leren, en waardoor het huis van ons leven vastgebouwd kan worden op de Rots van Zijn genade, zodat er steeds uitzicht, steeds hoop gevonden wordt op de toekomst des Heeren.

Dan is er van een raadselachtigheid van dit leven geen sprake meer, dan heeft het leven werkelijk een doel, dan is er werkelijk hoop voor de zondaar.

Immers juist hierin ligt de hopeloosheid van het leven, dat we zondaar zijn en niet willen zien, dat er op deze aarde geen heil is en geen vreugde, dat we steeds meer willen grijpen en steeds minder in onze handen houden. Steeds verder bij de Heere vandaan, steeds dieper in de duisternis, daar gaat het met de mens heen, tenzij, tenzij....

En het is nu juist deze grote omschakeling van het in diep ontzag gesproken tenzij, dat het lichtpunt van goddelijke genade is in een arme, verloren, zondige wereld, en het is dit tenzij, dat in z'n volle heerhjkheid juist in onze tekst naar voren komt.

Immers onze psalm is een van die liederen van David, waarin hij eigenlijk in korte trekken z'n levensloop voor onze ogen geschilderd heeft of misschien beter gezegd, waarin hij een feit uit z'n leven als voorbeeld genomen heeft om ons te laten zien hoe dwaas hij geweest is, maar ook hoe liefdevol God zich naar hem heeft toegewend, waarom hij zich ook door niets anders heeft kunnen laten leiden, dan door de roepstem van zijn God. Zo wil hij ons ook, door het tekstgedeelte, ervan doordringen ons niet te verharden, maar ons te laten leiden door Die Ene, Die onder alle omstandigheden de Kapitein op onze levensboot blijft, of we het weten willen of niet.

David, de grote dichter, heeft in z'n leven heel wat te verwerken gekregen, veel moeten doormaken, sinds hij door God geroepen en door Samuel gezalfd was tot koning over het volk van Israël. Door Saul is hij vervolgd als een veldhoen op de bergen, door Absalom verjaagd en door God geplaagd. Vaak heeft hij zich omringd gezien door een menigte spotters, die met de blik van hun ogen hem de vraag stelden: Waar is nu uw God? Zo ook in ons tekstgedeelte. Weer schijnt David zijn eigen wegen beter geacht te hebben, dan de leiding aan God over te dragen. Maar het heeft hem ook niets meer gebracht dan ellende en narigheid. Toch wilde de hoogmoedige David niet toegeven, maar evenmin durfde hij de Heere aan te klagen. Daarom blijft hij alleen staan en zwijgt. Geen zwijgen dat berusting betekent, omdat de Heere hem tegenkomt in Zijn Rechtvaardigheid, maar een opstandig, koppig, zwijgen en morren. Hij wil eenvoudig niet buigen en schuldbekennen!

Is dit ook niet het beeld van ons leven, geachte lezers? Hoe vaak gebeurt het ons niet, dat we niet van toegeven, buigen en erkennen willen weten en ondanks onze hopeloze levenswijze toch menen te kunnen hopen op ons zelf?

Laten we dat in ons leven maar eens duidelijk voor ogen zien: Wie kiest o dwazen voor 't leven de dood? Dat is de praktijk van het leven van onze kant gezien in al z'n felheid en tegelijk z'n dorheid. En als dat nu eens zo blijft, wat dan? Ja dan zullen ook wij God nooit de schuld durven geven, omdat we weten, de fout ligt bij mij, maar toch zullen we ook dan door ons opstandig zwijgen in feite de Heere de grootste beschuldigingen in het gezicht slingeren. En als Hij het er dan zo maar eens bij zou laten en niet meer naar ons omzien, waar Hij toch alle recht toe heeft? Hoe dan? Zou het dan niet eeuwig duister blijven?

Maar zie, als er dan aan de menselijke kant geen hoop is, geen verwachting en als we ons dat eens goed bewust werden, dan wordt tegelijk daarmede het oog geopend voor de lichtglans van Gods goedertierenheid. Dan is er geen andere uitweg meer dan terug tot God, die we verlaten hebben, maar Die ons door tegenspoed en druk tot Zich riep. Dan begint eveneens te leven wat David in de tekst zo helder voor de geest stond: Al mijn hoop was vergeefs en als de Heere Zich nu ook eens niet meer met mij wilde bemoeien? Dat alles maakt de mens in enkele ogenblikken klein en afhankelijk, doet hem duidelijk zijn mens zijn zien en Gods Heere zijn.

Zo wordt het een duidelijke kreet van het hart: En nu wat verwacht ik nog, waarop zal ik nog aanspraak kunnen maken? Geen verwachting is er meer voor mij, rondom mij en in mij.

Wat zal ik nog kunnen verwachten? . Mijn God door al deze tegenslagen, door al die bedreigingen word ik tot U teruggedreven met het juk van mijn zonde. Wat is er dan nog te verwachten? Mijn hoop is op U, mijn God, op U alleen! Mijn ongerechtigheid is groot, ik bedek ze niet voor Uw aangezicht, maar toch ondanks dit alles: Mijn hoop is op U. Ik weet wel, dat als Gij Uw rechtvaardig vonnis over mij velt, ook deze verwachting de bodem ingeslagen zal worden, maar toch tegen hoop op hoop: Ik hoop op U in al mijn smart, omdat ik meer weet, omdat Gij mij bekend gemaakt hebt, dat Gij niet alleen rechtvaardig zijt, maar ook barmhartig en dat Gij Uw recht juist heerlijk maakt in Uw genade. Daarom hoop ik, David, op U, houdt U dan niet als doof. De levende hoop van mijn angstig hart is op U. Kom mij te hulp!

Lezer, welk een vertrouwen is er ondanks alles in Davids hart blijven leven. Nu wendt hij het naar de aarde gebogen hoofd omhoog, zijn kracht is gebroken! Maar zo staan u en ik in dit leven met onze gebroken kracht, met ons juk van eigen roem en eer.

Ga de weg dan die David wees. Is God niet getrouw? Indien wij ontrouw zijn. Hij blijft getrouw. Hij kan Zichzelven niet verloochenen. Mijn hoop is op U, werp al die andere hoop weg, zij kan u slechts eeuwige schade brengen, maar vestig uw hoop op Hem! Is er dan enige reden om op de Heere te hopen? We zagen dat er geen reden is om op de aarde en wat daarmede samenhangt uw vertrouwen te stellen. Dat bedriegt u elke dag. Maar er is wel reden om op de Heere te hopen? Ja, het is uw enige hoop, een levende hoop, die niet beschaamt! God heeft immers Zelf hoop gegeven in de diep donkere nacht van de zonde! Het licht heeft geschenen in de duisternis, helaas de duisternis begreep het niet en begrijpt er nog niets van. Het licht wijst de weg. Het is uw enige hoop. Het licht van het kruis van Golgotha maakt het donker licht, doet de nevels opklaren. Daarom hoop op God! Christus kwam. De hoop op Hem is de levende, die u niet beschaamd laat staan! Zie dit in Davids leven. Door zijn hoop op God kwam hij er doorheen, eruit! Lezer, ga ook die weg, de weg van de levende hoop. Ge keert niet ledig terug. Want zie: Geen vader sloeg met groter mededogen op 't teder kroost ooit Zijn ontfermend' ogen, dan Israels Heer!

Daarom: En nu wat verwacht ik, o Heere, mijn hoop die is op U.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De enige, levende hoop!

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's