Gods Woord een levend Woord
Gods Woord is een levend Woord, omdat het van God is uitgegaan. Om diezelfde reden is Gods Woord eeuwigblijvend. Het werkt wat uit. Het doet Zijn kracht tot in eeuwigheid voortleven, zowel in Zijn scheppende Majesteit, als in Zijn oordelen en zaligsprekingen.
Bij gelijkenis en tot op zekere hoogte heeft het mensenwoord ook iets van leven en daadkracht. Helaas worden wij dat meer gewaar in de ondeugd dan in de deugd. Weliswaar heeft menigeen de verlichting ondervonden van een troostwoord door een mens gesproken in dagen van droefheid en rouw. Ook blijven ons wijze woorden bij door opvoeders en leermeesters gesproken, ja, niet alleen in èèn mensenleven blijven zulke woorden bewaard, maar er zijn woorden door bekende en onbekende wijzen gesproken, die in de wereld voortleven: „gevleugelde" woorden, spreekwijzen, volksuitdrukkingen als „Ken u zelf", „Ieder het zijne geven", „Waar niet is, verliest de keizer zijn recht", „Wie goed doet, goed ontmoet", etc.
Wij hebben allen wel een indruk van de „macht van het woord", welke op ons werd uitgeoefend bij het aanhoren van een talentvol redenaar, die wat te zeggen had. Machtige redevoeringen hebben revoluties onder de volkeren als een kruitvat doen ontbranden, maar ook onstuimige oproerlingen tot de orde geroepen.
Het woord is een macht. Zoals reeds gezegd, komt dat in onze wereld van zonde vooral in het kwade uit. Wat kan een woord van onrecht, een onbillijk uitgesproken beschuldiging, een woord van jaloezie en haat, bij de getroffene gevoelens van opstand, van toorn, van wraak op wekken! Ziet, wat een woord vermag en hoeveel ongenoegen, strijd en ongerechtigheden door het woord worden veroorzaakt en in actie gezet.
Naar het beeld Gods geschapen, toegerust met de macht van het woord om een profeet te zijn en de deugden des Heeren te loven, is de mens geworden tot een onruststoker en dienaar der ongerechtigheid.
Men kan intussen niet ontkennen, dat ook het woord van de mens een woord met macht is, — zij het dan menselijk en schepselmatig, dus in alle delen betrekkelijk.
Gods Woord daarentegen is onweerstandelijk machtig en absoluut en doet alles, wat Hem behaagt.
Wij mogen dus constateren, dat een woord van een mens in de ziel van zijn medemens wat uitwerkt, zijn invloed op de ziel van de ander doet gelden: troosten, raad geven, onderwijzen, maar ook beledigen, tot toorn verwekken, boos maken, enz. Het woord dringt door tot in het binnenste. En dat doordringen is het meest gevoelig, als het direct op ons gericht is, als het ons betreft en treft.
Is dat niet het geval, dan kan het ons een ogenblik aandoen, mogelijk nemen wij het voor de getroffen partij op, maar dan gaan wij weer onze weg. Raakt het ons echter persoonlijk, dan treft het ons leven en laat het ons niet zo spoedig los.
En nu bij vergelijking, want de mens is naar Gods beeld geschapen, met het Woord Gods is het ook zo. Raakt het ons persoonlijk, dan dringt het door tot in de diepste vezelen van ons bestaan. „Want het Woord Gods is levend en krachtig en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot verdeling der ziel, en des geestes, en der samenvoegselen, en des mergs, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten" (Hebr. 4 : 12).
Iemand valt ons in de rede en zegt, dat Gods Woord ons altijd raakt. Dat wil zeggen: Gods Woord is gericht tot de mens in het algemeen, het gaat over de mens, over zijn ongerechtigheid, over zijn verlorenheid en over de weg der genade in Christus. Zeker, dat is zo en daarom heeft dit Woord alle mensen iets te zeggen en in het voorbijgaan, ter gelegener tijd, en op onderscheidene wijze horen de mensen ook wel, de een wat meer en de ander wat minder. Doch dat valt alles onder de geHjkenis van de zaaier, als zij het heeft over het zaad, dat seen vrucht voortbrengt. Er is echter ook een zaad, dat wèl vrucht voortbrengt, dertig-, zestig- en honderdvoud.
Die man heeft dus wel gelijk, het Woord doet altijd wat, maar het brengt niet altijd en niet onmiddellijk de vrucht, die wij gaarne verwachten.
En wat verwachten wij gaarne? b.v. als dienaren des Woords, als ouderlingen der gemeente, als leden van Christus' lichaam?
Doen wij niet veelal, alsof de prediking des Woords geen andere dan een zaligmakende werking heeft, of onvruchtbaar is? Het een of het ander?
Zo kan men het echter niet stellen. Gods Woord zal niet ledig wederkeren. Indien het Woord niet ter harte genomen wordt tot bekering, zal het op Gods tijd blijken toch een levend Woord te zijn, dat niet straffeloos werd veronachtzaamd, maar ons veroordeelt.
Gods openbaring en prediking hebben eenzelfde bestemming. Zonder godsopenbaring zou er geen prediking van Gods Woord zijn, want er zou zelfs geen sprake van een Woord Gods wezen. De prediking des Woords is onmiddellijk aan de openbaring verbonden.
Zij bedoelen de deugden Gods te verkondigen en zijn dienstbaar aan de vervulling van Gods Raad ten aanzien van de wereld, zowel tot de kennis van Zijn goddelijke gerechtigheid in het gericht als van Zijn goedertierenheid in het bestel Zijner genade.
Want, hoewel de wereld steeds meer verwarring en chaos schijnt te brengen, en deze niet anders dan tekenen van de ondergang kunnen zijn, heeft zij toch een toekomst. Dat leert de Heilige Schrift en dat behoort ook de prediking de gemeente voor te houden. Deze wereld gaat voorbij, doch niet om weg te zinken in het niet, waaruit het machtige Woord Gods de dingen riep, alsof zij waren. Neen, het Woord Gods blijft ook als het scheppende .Woord in eeuwigheid. Wij verwachten, naar Zijn belofte, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont (2 Petrus 3 : 13).
Terwijl de wereld naar haar ondergang drijft en de ongerechtigheid haar doet rijpen ten oordeel, wordt de nieuwe hemel en de nieuwe aarde in de verborgenheid van Gods herscheppende arbeid voorbereid en ziet het zuchtend schepsel reikhalzend uit naar de toekomst van Christus, naar de dag des gerichts en der voleindiging van moeite, smart en verdrukking, de dag der overwinning van Christus, waarop aller oog Hem zal zien en alle knie zich voor Hem zal buigen. Want, Hij moet als Koning heersen.
Iemand zal misschien vragen: waarop wacht dan die dag. Waarom komt Christus nog niet?
De apostel Paulus geeft het antwoord: Het schepsel, dat der ijdelheid onderworpen is en zucht verwacht de openbaring der kinderen Gods en hoopt ook zelf op de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods (vgl. Rom. 8 : 20 en 21).
Daarop is de hoop en verwachting des geloofs gericht, op de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen Gods in de toekomst van Christus, de Heere. De levende hope is gericht op de toekomst des Heeren, omdat het geloof de beloften Gods in Christus omhelst en vasthoudt.
Zulk een geloof te schenken en zulk een hope in het hart te bewaren, is het werk van het Woord Gods bij degenen, die het gaarne horen en door Zijn levende kracht worden geraakt. Doch men mene niet, dat het bij de goddelozen en die het Woord verwerpen, krachteloos is. In de dag der dagen zal het zijn ontdekkende en veroordelende werking niet missen. Doch dan is de tijd der genade voorbij.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's