UITHUIZIGHEID
Gezinsweek 18-25 oktober
„Het nest is goed, maar het heelal is ruimer". Marsman, natuurhjk, dat heeft Marsman gezegd, de uitvlieger.
De uithuizigheid zit ons in het bloed, maar de hunkering naar de veilige beslotenheid sterft óók niet.
Men zegt, dat de uithuizigheid bij de jongeren het ergst is. Wat trekt hen toch het huis uit?
Als de generatie-verschillen groter worden, dan is het zelfs aan de maaltijden moeilijk om één, allen omvattend, milieu te scheppen, laat staan buiten de etenstijden. En de verschillen tussen de generaties zijn groot in deze snel wentelende tijden.
Er zijn veel oorzaken daar doorheen. Ouders, die hun kinderen niet tijdig loslaten, pressen bij de keus van school en beroep. Zo'n jongen vlucht eruit, als hij maar even kan.
Ouders, die het zelf thuis niet vinden kunnen, d.w.z., niet brengen willen, omdat ze het offer van zichzelf niet brengen. Of een kwetsbare huwelijksverhouding — daarbij kan een kind niet ontspannen leven. Of een huwelijk met een lelijke barst: man en vrouw kunnen het kind eenvoudig niet verdragen, ze hebben al moeite genoeg om elkaar te verdragen.
In het boek „Opstandigen" van ]o van Ammers-Küller zegt een jonge dokter: „Vroeger was de huiskamer het verzamelpunt voor het gezin, nu is ze het uitgangspunt geworden".
Het vraagt van de ouders een groot aanpassingsvermogen om de kinderen méé te laten bepalen het milieu en de mogelijkheden thuis.
Niet alleen: zo zijn we het altijd gewend („toen wij kind waren, mochten we geen woord zeggen aan tafel", — de kinderen van nu hebben die zwijgplicht allang buiten werking gesteld gelukkig). Ook dus: wat hebben de kinderen nodig en: wat vinden ze prettig.
Niet om ze krampachtig vast te houden (als uw opgroeiende jongen of meisje 's avonds „geen deur uit" komt is dat óók zorgwekkend!). Maar om ze na het uitvliegen bij terugkeer te laten beleven, dat het fijn is thuis en dat je er welkom bent, zoals je bent en niet zoals je eigenlijk moest wezen. En dat je er iemand mee kunt brengen.
Pick-up en televisie kunnen animeren, maar nooit vervangen de bereidheid die er moet zijn, om „voor elkaar" te wezen.
Want heus, noch de straat, noch het zitje met het strijkje, noch „de dijk", noch de film halen het, (als het er op aankomt) bij het gezin, waar men er zo is „voor elkaar", in aandacht en liefde.
En als we het nog wat dieper ophalen: Wat ons drijft op drift is het zoeken naar levensvervulling.
In „De Klop op de Deur" van Ina Boudier-Bakker is sprake van een alleszins respectabele vader. Craets heet die man, gespeld dus met een C en ae. Wat niet heeft kunnen verhinderen, dat zijn dochter ongelukkig getrouwd is. Die dochter zegt dan tegen haar vader:
„Ik was een dom kind — wat weet je als je klaar bent om te trouwen met wie je nu net niet trouwen moest? Zo blij en zo blind ben ik geweest... Nee, dat zeg ik niet, om jullie een verwijt te maken, want we hadden een gelukkig thuis, maar er moet toch iets anders zijn, om je leven op te bouwen — anders dan ik heb gedaan en gezocht, iets om je aan vast te houden, boven dit leven uit.
Vader Craets staat beschaamd en verontrust.
Hij stamelt wat van: „We hebben je toch naar catechisatie laten gaan, kind, jullie allemaal".
„Maar dat was het niet", zegt zijn dochter, „wat je mee moet krijgen, dat hebben wij ook op de catechisatie niet meegekregen. Ik bedoel het levende".
„Het levende? "
„Ja, vader, ik bedoel, dat het zó had moeten leven in jullie, dat het overging in ons".
Hier was een Gezin met traditionele christelijke vormen, doop, catechisatie, natuurlijk, en trouwen in de kerk — maar zonder levend geloof als de overgave van het leven aan Christus.
En nu weet ik wel, dit voorbeeld komt uit een andere sfeer dan de huiskamers, waar „De Waarheidsvriend" op tafel ligt, maar is in vele gezinnen van onze gemeenten godsdienst veel méér dan traditie en het aanhangen van „waarheden"?
Hoeveel vaders, die donderdags „De Waarheidsvriend" opensnijden, nadat zij het „Geref. Weekblad" hebben doorgekeken, hebben volwassen kinderen, die maar een matige kerkelijke belangstelling kunnen opbrengen?
Onze jonge generatie schudt, veel radikaler dan wij vroeger, dode vormen af.
Natuurlijk — dan komt de leegte voor de dag vroeg of laat.
Waar zet het gevecht tegen de leegte in?
Ik dacht: in de belevenis van 't geloof in Jezus Christus, niet als het aanvaarden van een aantal waarheden, maar in de persoonlijke overgave aan Hem. God heeft ons tot Zich geschapen, zei Augustinus, en onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in Hem.
Als we verantwoordelijk staan in opvoeding van kinderen, dan is het óók voor die kinderen levensgevaarlijk, wanneer wij voortleven in onbekeerlijkheid. Want wij moeten ze voorleven het leven met God.
In de Gezinsweek moet elke vader en moeder zich afvragen wat zij aan hun kinderen meegeven aan waarachtig levenshouvast.
Want wat onze jonge generatie drijft uit het nest en jaagt door de ruimten van straat en zaal en sportveld is de honger naar levensvervulling.
„Gelijk een vogel is, die uit zijn nest omdoolt, alzo is een man, dit omdoolt uit zijn plaats", zegt het Spreukenboek (27 : 8).
In de Psalmen staat het mooie beeld van de mus, die een woning vindt bij God en de zwaluw bouwt zijn nest in de schaduw van het tempeldak.
Die veiligheid en vrede en vervulling is er — bij God, voor ons en onze kinderen. Als we daar de vreugde van beleven, van wat er in de Psalm staat:
'k Ware liever in mijns Bondsgods woning
een dorpelwachter, dan gewend
aan d' ijdle vreugd in 's bozen tent, —
dan dragen we de vreugde van het „nabij-God-te-zijn" ook onze woning in en in ons werk en tot vader en moeder en ook tot de kinderen.
Dan hebben zij een thuiskomen, omdat wij zelf een „Thuiskomen" hebben bij Hem.
Maar dan hebben wij er wèl voor op te passen, dat we niet over-actief en over-geestelijk ijveren en stichting zoeken her en der en ons gezin vergeten, omdolend uit onze plaats. Of thuis de natuurlijke levensuitingen van de jongeren weren, omdat het maar „ijdele vreugde" is naar ons idee. En als ze dan naar „'s bozen tent" gaan? „Dan heb ik mij vrijgemaakt", zei een vader eens tegen mij, alsof hij er zo gemakkelijk af kon komen. De „ijdele vreugd" (ijdel = leeg) in de woning, waar de Heere gevreesd wordt is geheiligd door die vreze Gods, zou ik wel durven zeggen met een gedachtengang, aan Paulus ontleend.
Met andere woorden: het méé-laten bepalen van de sfeer in het ouderlijk huis door de jongeren, waarover ik het had, is veilig gesteld, wanneer de wezenlijke godsvrucht der ouders zich uit in zichzelf opofferende liefde voor de kinderen, en niet in een inhalig zelf aan de (geestelijke) trek willen komen. Dat kan betekenen dat we iemand, met wie we aangenaam geestelijk kunnen spreken, als hij op een avond binnen loopt, uitnodigen mee te gaan doen met het Scrabble-spel, dat we juist met de kinderen bedrijven. Dit bij wijze van voorbeeld, om duidelijk te zijn.
Als u opgroeiende kinderen hebt, zoudt u dan dit artikeltje met hen eens willen bespreken? Als dat niet kan lijden (vanwege gebrek aan echte godsvrucht) dan moet u er nodig met de Heere over gaan spreken!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's