HET HUISBEZOEK
De dienaren des Woords worden met vele namen betiteld. Men noemt ze „dominé", „predikant" enz.
Ik herinner mij nog levendig, dat een oude vrouw in mijn gemeente Ermelo mij steeds toesprak met de naam van „leraar". We kennen natuurlijk allen de zeer bekende combinatie: „herder en leraar".
Denken we bij het woord „leraar" aan het preken en aan het catechiseren, bij het woord „herder" gaan onze gedachten uit naar het huisbezoek. Beide benamingen „herder" en „leraar" zijn naar de Heilige Schrift. De Heere Jezus zelf heet „die leraar der gerechtigheid" en in het evangelie van Johannes noemt Hij zich zelf „de goede Herder". Wat een prachtige beeldspraak. Zoals een herder de kudde weidt, weidt ook Christus de schapen Zijner weide.
En nu heeft Christus ook aan Zijn discipelen het herderswerk opgelegd.
Aan de zee van Tiberias klonk het uit de mond van de verrezen Heiland: „Weid Mijne lammeren". „Hoed Mijne schapen". „Weid Mijne schapen".
In de combinatie van de beide woorden „herder en leraar" staat zelfs het woord „herder" voorop.
Wat is het goed, lezers, om elkaar nog eens ernstig te herinneren aan de dure roeping tot het herderschap.
En nu make er zich niemand van af met de gedachte, dat dit woord slechts een aanmaning zou bevatten aan het adres van predikanten, ouderlingen en diakenen.
In de ontkenning van Kaïn: Ben ik mijn broeders hoeder? ligt eigenlijk de erkenning van de dure verplichting óm in liefde acht te geven op elkaar.
Dat herderlijke werk is altijd nodig geweest. Maar zeker in tijden van grote afval, gelijk wij die nu beleven.
Het kerkbezoek begint zienderogen af te nemen. Wat is er in de avondbeurten in de grote steden van het kerkbezoek nog overgebleven?
Het zijn maar enkele procenten van het geheel. En wat betekenen enige goed of tamelijk goed bezette kerken tegenover de duizenden, die er nooit meer gezien worden?
Er zijn straten in de grote steden, waar maar enkelen de kerkdiensten nog trouw volgen. Er zijn dorpen waar nog maar enkelingen naar de kerk gaan. Zulke dorpen zijn door ongeloof en modernisme bijna geheel ontkerstend.
Wat moet daar tegen gedaan worden? Er zullen er zijn, die zeggen, dat de grote afval in het tweede hoofdstuk van de tweede brief aan de Thessalonicenzen door de apostel Paulus voorspeld is. Wat voorzegd is, zal dus wel moeten komen.
Ge hebt gelijk. Dit wil echter niet zeggen, dat ik Gods water maar over Gods akker mag laten lopen. Door eigen traagheid mag niemand die afval helpen bevorderen. Neen, door het Woord Gods worden Gods kinderen veeleer opgeroepen om een dam op te werpen tegen de geweldige stroom van afval.
En welke dam zou nu beter werken dan het huisbezoek?
Het zij mij vergund om als oud-dienaar des Woords u te zeggen welk een rijke zegen het huisbezoek heeft mogen afwerpen in de gemeenten, die ik heb mogen dienen.
Degenen, die des zondags hun plaatsen ledig laten in het huis des gebeds, bereikt men vanaf de kansel niet meer. Het baat ook niet, of men al kracht zoekt bij te zetten aan de vermaningen om toch trouw op te gaan door met de vuist op de kanselbijbel te .slaan.
Neen, degenen, die aan de opgang naar het huis des gebeds ontwend zijn, zijn alleen nog te winnen door huisbezoek. Door één bezoek gelukt dat maar zelden. Neen, men moet er eens enkele tientallen op een lijstje zetten en ze dan van tijd tot tijd bezoeken. De gestadige droppel holt de steen uit.
Uit mijn pastorale ervaringen zou ik u kunnen vertellen van gevallen, waarin gezinnen pas na een tiental bezoeken begonnen met kerkelijk mee te leven.
Ik stem het u toe, dat dit werk moeilijk is. Het is gemakkelijker om in bevriende, meelevende gezinnen onder een kopje thee of koffie aangename gesprekken te hebben. Maar de Heiland roept ons toe om uit te gaan, in de stegen en in de sloppen om de mensen nog te dwingen om in te gaan.
Wat ligt er hier een heerlijke taak voor predikanten en ouderlingen en diakenen.
En als ik denk aan het priesterschap van alle gelovigen, dan ligt er ook een taak voor u, lezer van De Waarheidsvriend, om uw buurman, die nergens van weten wil nog te winnen voor die zalige dienst van Koning Jezus.
Het werk van een predikant is veelomvattend. Hij moet preken maken, hij moet catechiseren, hij moet begrafenissen leiden, hij moet allerlei vergaderingen bijwonen, hij moet huwelijken inzegenen, hij moet zich aan het jeugdwerk geven, enz.
Als iedere predikant zich zou willen geven voor al het werk, waartoe hij wordt uitgenodigd door middel van een lawine van allerlei drukwerk, die dagelijks in de brievenbus komt, dan bleef er geen tijd over voor het huisbezoek.
Zou het niet beter zijn, dat velerlei ander werk helaas maar wordt ingekrompen, maar dat naast het preken het huisbezoek weer op de voorgrond komt te staan?
Er zijn gemeenten in ons vaderland, waar de leden en de doopleden niet of weinig worden bezocht. Sommige predikanten schieten schromelijk te kort in het huisbezoek. De dienst van de ouderlingen bestaat soms alleen hierin, dat men bij beurten de predikant naar de kansel leidt en de kerkeraadsvergaderingen bijwoont.
De enige belangstelling, die de toch al zo ontrouwe leden ondervinden, bestaat dan hierin, dat hun vanwege de kerkvoogdij een jaarlijkse bijdrage gevraagd wordt. Honderden weigeren nog een cent te betalen.
Lezers, let wel, ge hoort mij niet zeggen, dat de zodanigen het bij het rechte eind hebben. Neen, dat is helemaal mis. Maar het ene hangt samen met het andere. Als de kerk schromelijk haar plicht verzaakt, dan vermindert ook de offervaardigheid.
Er is een kern van waarheid in het bekende gezegde, dat een predikant zijn traktement meebrengt.
Lezers, de velden zijn wit om te oogsten.
De Heiland heeft Zijn jongeren opgewekt om uit te gaan in de stegen en in de sloppen, schreven we boven. Die kansen worden ook nu nog gegeven. Met de volgende generatie zal het weer veel moeilijker gaan. Laat de kerk de kansen aangrijpen, die God de Heere haar nog schenkt.
Worde het gedaan in diepe afhankelijkheid. Hij die plant is niets en hij die nat maakt is niets, maar de Heere alleen kan de wasdom schenken.
En als we al het mogelijke deden en onze krachten inspanden, zijn we uit en van ons zelf toch nog maar onnutte dienstknechten.
Lezers, de zaak van de Koning heeft haast!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's